Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Hebt ge mij lief”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Hebt ge mij lief”.

7 minuten leestijd

Hij zeide tot hem tenderden male: Simon Jonaszoon, hebt gij mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat hij ten derden male tot hem zeide: Hebt gij mij lief? en zeide tot hem: Heere, gij weet alle dingen, gij weet dat ik u liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid mijne schapen. Joh. 31 : I7.

De vraag van Jezus aan Petrus: Hebt gij mij lief, strekte niet om Jezus te doen weten, of hij Hem lief had. Petras zelf zei 't zoo volkomen terecht: „Heere, Gij weet alle dingen. Gij weet dat ik u lieftieb". Zelfs had hij kunnen zeggen: Gij weet hoe, in welke mate, in wat zin, met wat oprechtheid ik u liefheb. Niet alleen toch dat Jezus 't wist, maar Jezus wist 't beter dan Petrus zelf.

Wat Jezus aan Petrus vroeg, vroeg Hij hem alzoo uit andere beweegreden. Niet om te weten te komen, hoe 't in Petrus hart stond, maar met heel andere bedoeling. Een bedoeling, daarin vooral uitkomende, dat Jezus tot Petrus de vraag, of hij hem lief had, niet in stille eenzaamheid stelde, maar in de presentie van de andere discipelen.

Reeds dit heeft ook ons iets te zeggen.

De wereld mint het in steeds klimmende mate, de religie naar de binnenkamer te verwijzen. Ze is niet tegen den godsdienst. Ze is geen vijandin van vroomheid. Ze verzet er zich alleen tegen, dat de vroomheid niet op de straat worde uitgedragen. Bovenal mag de religie niet in het publieke leven gemengd worden. En althans op staatkundig terrein mag van geen ordinantiën des Heeren sprake zijn. Van daar dat roepen nu sinds meer dan honderd jaren, dat de religie privaatzaak is.

Nu ligt hierin zeer zeker dit deel waarheid, dat alle vertoon van vroomheid önvroom is en juist ter wille van de religie stiptelijk moet geweerd. Alleen maar, om het misbruik van de schijnheiligheid, mag de religie zelve niet uit het publieke leven geweerd. Waarachtige vroomheid eischt belijdenis, en belijdenis is juist het uitkomen voor sijn geloof, er van getuigen, er bij anderen zelfs nadruk op leggen. Wat ge belijdt, moet veelmeer dan wat ge weet of denkt, uw leven bezielen en heel uw optreden in de wereld vervullen.

Toch leed door het geroep van privaatzaak juist de belijdenis ook onder oprechte Cnristenen zoo veelzins schade. In de dagen van onze vaderen verzweeg men nooit wat men beleed, en stond er zelfs op, het duidelijk te doen uitkomen. Thans daarentegen ziet ge overal in het publieke leven tal van Christenen optreden, over wier lippen in het publiek zelfs de Naam des Heeren nooit tot u komt.

En hiertegen nu gaat Jezus' vraag aan Petrus in. Of we Jezus lief hebben is niet maar een zaak die tusschen hem en ons hart moet worden afgedaan. Zooals Jezus Petrus dwong en noodzaakte, om niet onder vier oogen, maar in anderer presentie voor Hem uit te komen, zoo ook wil Jezus dat wij in onze eeuw en te midden van onzen levensstrijd, het klaar en warm voor de wereld zullen doen hooren, dat ook wij 't ons een eere rekenen, Jezus lief te hebben, en die liefde voor Jezus niet alteen in de binnenkamer, maar ook op de publieke markt van 't leven te toonen.

Maar er ligt in die vraag aan Petras nog iets. Ook de zonen van Zebedeüs waren er bij, maar aan hen stelde Jezus die vraag niet. Jezus richtte zich met sijn vraag: Hebt gij mij lief? alleen tot Petrus, en zulks met de in het oog springende bedoeling, om in 't antwoord dat hij geven zou, de boete uit te lokken van zijn schuldig zelfbesef.

Petrus had meer dan eens de liefde van Jezus verloochend. In uitkomen voor zijn geloof in Jezus was Petrus nooit te kort geschoten. Veeleer trad hü, als 't spande, steeds op den voorgrond. Eer anderen spraken, of spreken konden, sprak hij. „Al moest ik ook met a stnven, ik t, %ï a geenszici verloochenen" was zijn go«d bedoelde en toeh onjuiste betuiging geweest. En daarop wai toen de verloochening gevolgd. Gevolgd in weerwil van de aangrijpende waarschuwing, dat satan juist hém begeerde te ziften als de tarwe, en dat hij alleen door Jezus voorbede gered zou worden.

Dat wist Petrus, dat wisten de zes andere discipelen die er bij stonden, en zoo kwam 't, dat in de belijdenis van Petrus: Heere, gij weet dat ik u liefheb, waarachtige boete sprak.

Het was of hij, half weenend, 't uitsprak: Heere, ik heb 't niet getoond, dat ik u lief had. Ik heb mijn liefde voor u verloochend. Ik heb gesproken en gehandeld tegen de liefde van mijn hart in. Vergeef, verzoen, delg uit mijn diepe zonde, en troost mijn hart en richt mij weer op, door het aan te nemen, wat ik hier in aller tegenwoordigheid u betuig, dat ik toch u liefheb en van die liefde niet scheiden kan.

Het is zoo pijnlijk. Een natuur als van Petrus 2al tegenover menschen sterk getuigen willen, en juist daardoor in 't hachlijkst oogenblik vallen. E^n zonde die hem overkwam, omdat hij te veel met menschen, en te weinig met den Kenner zijns harten rekende.

En daarom moest thans de boete beleden. Ik heb u lief, Heere, en onderwijl ik het u belij'd en voor Johannes en de overigen betuig, schaam ik mij in zak en assche dat ik aan de liefde die ik u schuldig ben, zoo jammerlijk te kort deed.

Nu kende Petrus Jezus persoonlijk, en die persoonlijke bekendheid met Jezus gaf uiteraard aan zijn liefde voor Jezus een karakter, dat het op die wijs voor ons niet dragen kan. Geen onzer heeft Jezus gezien, zijn heilig gelaat aanschouwd, zijn doordringende stem gehoord, zijn oog met 't eigen oog ontmoet.

Toch mogen we daarom Jezus vraag aan Petros niet, voor wat onszelf betreft, als ging ze ons niet aan, afwijzen. Vergeet toch niet, het is een vraag aan Petrus, na Jezus opstandiog gedaan, en juist daarom ook tot ons komende. En wel ook tot ons komende met dien teederen nadruk, die 't ons zegt, dat we niet maar in Jezus te gelooven hebben, maar dat ook de liejde van ons hart naar Jezus moet uitgaan. EQ dit niet alleen gelijk onze liefde naar God uitgaat, maar met een liefde die Hem mint die als des mensehen Zoon, in ónze natuur, als broeder met ons in gemeenschap trad, en als onzer één tot ons komt.

Nu is Jezus na zijn hemelvaart ook aan Paulus, en later ook aan Johannes, verschenen. Bfiden hebben toen Jezus gestalte gezien, maat beide malen verscheen Jezus bun als mensch, in menschelijke gedaante, in onze natuur als mensch hun toesprekende. En al waren nu deze verschijning^en hoogst zeldzaam, ze zeggen ons dan toch, in wat gestalte Jezus nu nog altoos aan de rechterhand Gods is gezeten, hoe hij met menschelijke stem nu nog een voorbede voor ons tot den Vader richt, en hoe het oogenblik slechts toeft, waarop hij als des menschen Zoon nogmaals zich tot onze aarde zal keereo, ter volkomen verlossing en heiligmaking van al wie hem toebehooren.

Juist in dit verband nu ligt er in Jezus vraag aan Petrus ook voor ons allen een teedere aandrang, om ook onszelven van onze liefde voor Jezus steeds helderder rekenschap te geven. Jezus moet zoo in onze heugenis en in onze voorstelling leven, dat we, verscheen hij ons op onzen weg, hem herkennen zouden, en geen oogenblik aarzelen zouden, om hem te voet te vallen, en zijn voeten te omarmen, en te voelea aan ons taart, dat hij en bij alleen onze Redder is.

Persoonlijk moet ook onze betrekking tot, onze band aan den verrezen Heiland zijn. In geen begrippen mag onze eerbiedenia opgaan om te veifltuwen. Het moet al geest en leven tusschen ons en onsen Broeder in de hemelen ziJD. En juist dit moet onze kracht tot heiligmaking zijn. Liefde voor Jezus in 't hart, en toegeven aan satan gaat niet samen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 april 1912

De Heraut | 4 Pagina's

„Hebt ge mij lief”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 april 1912

De Heraut | 4 Pagina's