Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Deelende aan een iegelijk in ’t bijzonder”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Deelende aan een iegelijk in ’t bijzonder”.

9 minuten leestijd

Doch deze dingen alle werkt de é#ae en dezelfde Geest, deelende aan een iegelijk in het bijxonder gelijkerwijs hij wil. I Corinthe ia : ii.

De genadeverleening Is niet een bedeeling met een gelijke snee van 'tzelfde brood voor een ieder. Neen, xegt de apostel. Het gaat in de genadeverleening heel anders toe. Christus, ons Hoofd, deelt aan een iegeiyk i» 't hijtonder, Dat wil dus ce^en, aan een iegelijk op eigen manier, in eigen mate, in eigen vorm. Niet zoo, dat de een bijna alles en de ander zoo goed als niets krijgt, maar in zulk een zin, dat het deel genade dat aan een ieder gegund wordt en samenhangt met zijn aard, dan ook in verband sta mat de neiging van zijn geest, en gelijken tred houde met zijn levensroeping.

Het is zoo mis gezien, zoo men de genadebedeeling apart neemt als iets dat buiten het Scheppingsbestel staat. Bij God vloeit 't al uit éénzelfde gedachte. Ieder menschenkind is anders dan een ander kind des menschen. En dit niet in zulk een zin, alsof God er lust in had, alle mogelijke en alle denkbare typen van menschen tot aanzijn te laten komen. Veeleer staat hei bestel van de Schepping rechtstreeks in verband met het doel, waartoe God de Heere u en mij en dan weer een derde in het leven riep.

Gods bestel gaat af op de verwezenlijking van een raad, van een bestel, van een alomvattend program der eeuwigheid. Bij den Heere onzen God kwam niet eerst een zee van menschen in de verbeelding op, om ze daarna te scheppen, en dan te zien wat er mee uit te richten zou zijn.

Vlak omgekeerd gaat het bij den Almachtigen en Alwijten God alles van '/ einddoel uit. God de Heere zag van eeuwigheid af, wat er ten slotte uit heel ds Schepping tot eer en prijs van zijn naam zou moeten worden. En met het oog diirop bepaalde Hij voor elk creatuur, hoe 't zou moeten zijn om dat einddoel te dienen, en in dat program der eeuwigheid de plek en plaats in te nemen, waartoe 't verordend werd.

Elk onzer is daarom in onze voorveiordineering een karakter, , een talent, een gave, een levensexistentie toegedacht, zooals het al zijn moest, zouden we passen in het geheel. Om 't in een beeld te zeggen, voor den bouw van den heiligen Tempel der eeuwigheid worden niet stapels van gelijke steenen uit den oven aangevoerd. Het is in dien tempel alles gehouwen steen. Elke steen wordt geheel afzonderlijk gekapt en gladgewreven. En dan wordt tenslotte elke steen juist op die bepaalde plek ingevoegd, waar lijn plaats is, zonder zweem of schijn van ver-

Dit nu maakt vanzelf, dat een iegelijk anders uitviel dan zijn naaste, en dat er geen twee geheel gelijk konden zijn. De innige liefde en verkleefdheid onder menschen komt dan ook niet op uit de gelijkheid. Twee steenen, die geheel gelijk zijn, gUjden over elkander veeleer been, en verbinden zich niet. Het is de ongelijkheid die samenvoegt, als hoek in hoek aaneen sluit en de eene oneffenheid op de andere past.

Naar 't model werkt de mensch. Te Parijs maakt een kunstenaar honderd prachtpoppen voor den kinderwinkel alle precies eender. Bij den Heere onzen God daarentegen kan geen model stuur geven. Het is al rijkdom van vorm, wat in Gods Schepping uitkomt. De duizend duizendmaal variation. En elk van die variatiën in aard, karakter, talenten en neigingen is geen spel van 't toeval, maar vrucht van Goddelijke creatuurstudie. Het is wel xoo, dat de zonde o, zoo bitter veel van al dit rijke schoon heeft verstoord, zoodat 't ééne stuk van Gods Schepping, in plaats van op 't andere precies te passen, veeleer zoo gedurig het andere schaadt. Maar de aard van het wezen dat God schiep, blijft toch, en al zijn de lijnen van den uitbouw nog zoo krom gebogen, in het eind zal toch alles aan Gods doel beantwoorden, althans zoo er genade, reddende genade intreedt.

Dan slaat Christus in genade de armen zijner ontferming om u heen, en begiftigt u juist met die dosis hemelmedicijn uit zijn genadeschat, die bij uw krankheid, die bij uw aard, die bij uw ingeschapen vermogens past.

En hieruit nu komt 't verschil.

Een charlatan heeft maar éen medicijn voor allen die om zijn hocus-pocustafel hem staan tegen te gapen. Maar zoo is deze Medicijnmeester niet. De Medicijnmeester deelt 't medicijn uit M» een iegelijk in het bijzonder, juist zooals de apostel het hier uitdrukt, en daarom is het steeds in het beeld van den Medicijnmeester, dat Jezus voor ons treedt.

Nu kent de Medicijnmeester twee dingen, zoo hij genezen wil: ten eerste zijn medicijn, maar ten tweede ook zijn patiënt. En de hooge kunst is nu maar, om bij elk van zijn patiënten juist die medicijn aan te wenden die bij elk van hen past.

Juist dus wat de goede predikbg nog steeds moet doen, De wonde peilen. Elke wonde af­ zonderlijk betien. Wel onderzoeken hoe die wonde met heel het gestel samenhangt. En dan voor elke wond juist die balsent verstrekken die er bij hoort.

Zoo moest dus wel de genade ook bij u een eigen vorm aannemen, en bij u juist in dien vorm worden aangebracht die past bij uw wezen, bij uw aard hooit, en het best inwerkt op uw bepaalde cieatuuilijke aanleg en gaven.

En nu verstaat ge tevens, vanwaar 't komt, dat o, zoovelen in de genade van Christus niet vinden, wat hun ziel waarlijk troosten, sterken en veredelen kan. Dit toch komt alleen daarvandaan, dat ze zich de moeite niet gunnen om den rijken schat van Christus genade zóö te onderzoeken, dat ze er tenslotte (btgene in vinden en datgene uit nemen kunnen, wat bij hun karakter^ aard en aanleg, en daardoor bij hun zonde, afval en geestelijke ellende past,

Want wel bestaat de genade, die ons met Christus in gemeenschap brengt en houdt, steeds uit dezelfde elementen. Dit kan niet anders, Maar naar iedeis nood en behoefte, naar ieders aard, karakter en gelijkheid, moeten die elementen in andere proportiën worden genomen, en op eigenaardige wijze worden gemengd.

Zelfs onder menschen ziet ge het zoo gebeuren. Als er een gedrukte ziel is, die naar redding smacht, en ei komen achtereen vorens drie, vier geestelijke artsen om dezen kranke te sterken, dan zal A het kwaad nog verergeren, B zal niets kunnen uitwerken, C zal maar half hulp aan kunnen brengen, en eerst D zal genezen. Waarom? Alleen daarom, wijl alleen D inzag, waar het bij dezen zielskranke aan lag, doorzag hoe zijn ziel moest worden aangegrepen, en daarom verstond, naar wat geestelijk recept hij moest worden gecureerd.

En dit laatste nu, dat is 't juist wat Christus bij een iegelijke ziel volbrengt, mits we ons willig naar hem voegen. Hij deelt niet genade bij den beker uit, maar mengt het medicijn voor een iegelijk in het bijzonder, en kiest dit uit, deels naar uw krankheid is, deels naar uw aard het eischt, en deels naar de roeping die ge hebt te vervullen.

Doch alzóó, in dien bepaalden vorm, moet gij dit medicijn dan ook aanvaarden, en stiptelijk naar de Heere 't u voorschrijft, gebruiken. Gij moet niet nemen, wat de Heere voor een ander bepaald en bestemd heeft. Voor een ieder wordt door Gods engelen 't eigen medicijn uitgereikt, dat bij een iegelijk van hen in 't bij tonder hoort en past. En de groote vraag is nu maar, of gij willig zijtom juist dit medicijn te drinken.

Dat medicijn kan bitter zijn, zeer bitter, terwijl het medicijn dat aan een ander gereikt is, zoet kan wezen. En dan willen wij zoo licht ruilen. Het ons toegewezen medicijn laten we dan staan, om wat voor een ander gegeven is, met volle teugen in te nemen.

Doch juist daarop hebt ge dan ook toe te zien, voor uzelf en voor uw kinderen.

Alleen in 't u toegewezen medicijn ligt de hope en de redding voor uwe, in bijzondere krankheid gezonken ziel

Amsterdam, 27 September 1912,

Tot onze bl^'dschap kunnen we meêdeelen, dat bij Directeuren bericht is ingekomen, dat Dr. P. A. E. Sille^ds Smitt en Dr. F W. Grosheide hunne benoeming tot hoogieeraar aan de Vrije Universiteit hebben aangenomen.

Natuurlijk zal met hun losmaking uit de Kerken, die zij thans dienen, en de noodige voorbereiding voor hun nieuwe be' trekking wel eenige tijd gemoeid z'^n maar verwacht mag toch worden, dat beide hoogleeren na de Kerstvacantie hun taak kunnen aanvaarden. Moge|hun komst onze Hoogeschool tot zegen zqn; zegene God de Heere hun arbeid In den dienst der weten schap en doe H^ dien strekken tot ver' heerlijking van Zijn naam.

Voorts wordt ons nog medegedeeld, dat voor het admissie-examen aan de Vr^e Universiteit zich hebben aangemeld drie candidaten, waarvan éen, de heer Wolf, Is geslaagd, die daarna als student in de Theologie werd ingeschreven. Het aantal nieuw ingeschreven studenten In de Theo logle steeg daarmee tot 12, het geheele getal tot 25, zoodat het getal nieuwe stU' denten thans reeds even hoog is als ver' leden jaar. Alleen Is het eenigszins teleurstellend, dat het getal studenten in de Rechten niet klom, maar daalde. Een vorig jaar werden 7 studenten in de Rechten ingeschreven, thans 6. Deze achteruitgang bevreemdt te meer, omdat de Directeuren eenige maanden geleden besloten hadden om de propaedeutische studie voor de studenten in de Rechten niet meer verplichtend te stellen. Meermalen was toch het bezwaar geopperd, dat de studie In de Rechten aan de Vr^e Universiteit zooveel langer en kostbaarder was, omdat de propaedeuse voor de studenten in de Rechten verplichtend was, terwijl de studenten aan de Rijksuniversiteiten terstond tot de studie in de Rechten konden overgaan. In deze propaedeuse zou dan ook de oorzaak liggen, waarom menig student, die naar zijn beginselen aan onze Hoogeschool behoorde te studeeren, de Vrije Universiteit meed en naar de «Openbare Universiteit ging. Mocht na de afschafüiag dezer propaedeuse dus een belangrijke staging van het aantal studenten in de Rechten verwacht worden, toch Is dit jaar deze verwachting nog niet vervuld. Intusschen kan de werking van dezen maatregel, die van de zigde der Universiteit zeker een offer Is geweest, nog niet beoordeeld worden naar de uitkomst van een enkel jaar. Eerst op den duur zal het blgken, of dit bezwaar van de propaedeuse ernstig gemeend of slechts een voorwendsel was. In elk geval heeft de Vr^e Universiteit gedaan wat ze kon, om dit zoogenaamde struikelblok uit den weg te ruimen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 september 1912

De Heraut | 4 Pagina's

„Deelende aan een iegelijk in ’t bijzonder”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 september 1912

De Heraut | 4 Pagina's