„Het Hoofd niet behoudende”.
En het Hoofd, niet behoudende, uit hetwelk het geheele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met Goddelijken wasdom. Colossensen 3 : 19.
Op allerlei marnier drukken we onze gewaarwording uit, als 't joiste verband tusschen ons hoofd en wat we uitvoeten, ophoudt te weiken. Zoo zeggen we, dat iets „ons door het hoofd loopt", dat we „'t hoofd er bij kwijt raken", en dan ook dat 't een drukte is om „zijn hoofd bij te verUezen"t en zooveel meer. Daarmee bedoelen we dan, dat er actie genoeg en te over in ons is, maar dat 't hoofd er den stuur niet in hield. Heet dit nu, zijn hoofd bij iets verliezen, dan is te verstaan, in" wat zin de apostel er van spreekt, dat we „het Hoofd behouden moeten", daarbij doelende op Christus en op ons als leden van zijn Lichaam.
Men kan o, zooveel drukte maken, dat 't toch tot niets dient, en op niets dan ktachtverspilling uitloopt, en dit nu is een euvel, dat ge, helaas, ook in de Gemeente van Christus zoo gedurig bespeuren kunt. Veel ijver, veel toewijding, rusteloos bezig en doende zijn, en (tot er toch, na uw dood, geen oogst van uw arbeid is, en 't alles met den adem van den dag vervluchtigd is en te loor ging.
Na wat ons over het bouwen aan den heiligen Tempelmnnr, of wilt ge, over den wasdom in het mystieke Lichaam door het apostolisch getuigenis op het hart werd gebonden, voelt ge nu wel, dat aan elk geloovige, dat aan elk kind van God een eigen taak is opgelegd; dat ieder onzer de voor die taak vereischte talenten en geestelijke gaven ontving; dat geestverwante zielen bij de volvoering van die taak hebben samen te weiken; en dat zelfs de door öai aangevangen taak in ons eigen geslacht door onze kinderen moet worden voortgezet, althans voor zoover ze erfelijk gelijksoortige gaven ontvingen, en door opvoeding en levensvoorbeeld als ware het met ons in eenzelfde geesteli/i gilde werden ingelqfd.
Doch al gaat dit nu zoo toe, daarmee ii de bouw van den heiligen Tempel, of wilt ge de wasdom van het Lichaam van Christus nog allerminst verzekerd. Indien bij den bouw van een vorstelijk paleis de bouwlieden van allen kant kwamen aanloopen, en elk op eigen houtje aan het opmetselen van de muren gingen, zonder eenig architectonisch overleg, en zonder dat er een kunstenaar en bouwmeester was die hun gezamenlijken arbeid regelde, leidde en bestuurde, dan zou 't immers al op één groote mislukking uitloopen. £r moet, juist wanneer er zoo talloos velen aan den bouw mee arbeiden, altoos een leidend hoofd zijn. £en hoofd, dat 't alles beheerscht. Én zoo er dan onder de opperlieden waren, die, zich hier niet aan storend, geheel op eigen gelegenheid en naar eigen inzicht metselen gingen, zoo zouden deze eigendunkelijke lieden dat werk niet be vorderen, maar er den voortgang van hinderen, en zou het ten slotte, hoe ze zich ook in 't zweet huns aanschijns afsloofden, gebiedend noodzakelijk worden, hen af te snijden en uit den kring der arbeiders te verwijderen. £en enkel eigenzinnig werkman toch kon heel den bouw bederven.
Dit nu brandmerkt de apostel als het onver aotwoordelijke doen van hen, die wel slaven en sloven, maar die het Hoofd niet behouden, d.w. die wel altoos bezig en doende zijn, maar zich bij hun arbeid niet besturen en leiden laten door den Christus.
Nu begint elk beke< > rde met in Christus zijn Hoofd te erkennen. Een oprecht bekeerde is vooral de eerste maanden na zijn bekeering, wat men wel eens noemt, onder een hoedje te vangen. Hq vraagt bij alles hoe hij 't aan zal leggen. Hij ziet al wat te doen is van anderen af. Hij la«t zich door den Christus als zijn Hoofd sturen en leiden. Kortom, in die eerste maanden is Christus hem wezenlijk ten Hoofd en heeft hij zijn Hoofd in Chrstus.
Doch nu komt de vraag: Zal hij den Christus ook daarna als zijn Hoofd behouden? £n dan toont de historie, hoe er altooi tweeërlei bouwlieden zijn. Eenerzijds dezulken, die rustig door blijven werken naar het model of patroon dat de Christus hun voorlegt, maar ook anderzijds onrustige geesten die niet in 't span kunnen loopen, die altoos wat anders willen, en zich regelen en besturen laten niet door hun Hoofd, maar door eigen wil en inzicht. Gaat men ' nu het verloop der historie na, dan ziet men hoe het werk van de eerste soort beklijfde, steeds vorderde en rustig voortging, maar dat wat die tweede soort lieden met al hun drukte poogden tetooveren, ten slotte op niets uitliep, en maar al te veel had van steentjens in de vliet werpen; wat dan wel telkens een kring in het water vormde, maar een kring die, steeds verflauwend en zich uitdijend, ten slotte altoos wegstierf en verdween.
Zelfs kan men verder gaan en zeggen, dat wie in zijn geestelijken arbeid voor den wasdom van het Lichaam, Christus niet behoudt als het Hoofd, dat hem bestiert, zich niet slechts doelloos afmat, maar zelf geestelijk krank is. Alwie niet stiptelijk en bestendig met het hem (geschonken talent door arbeidt aan de taak die hem is aangewezen, spilt kracht en tijd aan wat toch niet beklijven kan.
Het is ermee juist zooals in oni eigen lichaam. Onze oogen moeten gestadig op en neer schuiven, om al wat ons omringt te kunnen waarnemen; doch als onze nieren schuiven gaza zijn we krank. De galdruppeling in onze lever is vanzelf aangewezen; doch al kan een oog ook tranen, zoo het oog rusteloos traant, benevelt het den blik en maakt dat we niet juist meer kunnen waarnemen. Onze hand en onze voet moeten zich vrij bewegen kunnen op de manier en in de richting, waarin ons hoofd ze stuurt, doch als de band vanzelf beven of de voet vanzelf trillen gaat, dan behouden ze het hoofd niet, en toonen zich juist daarin krank. Zoo ziet ge, hoe ook< in ons eigen lichaam elk lid zich bewegen moet naar zijn aard, en naar gelang het door zijn hoofd geleid en gestuurd wordt. Wel zijn er in ons lichaam ook bewegingen, die buiten onzen wil staan, in long of maag of ingewand, maar die blijven hier natuurlijk buitengesloten. £r is nu alleen sprake van wat in ons eigen lichaam onder de besturing en de controle van ont hoofd staat, en dan vertoont zich in dit alles metterdaad het beeld ervan, hoe ons Hoofd Christus in het geestelijk Lichaam op ons moet inwerken. Gaat dit nu mis en hield Christus op ons Hoofd te zijn, dan zijn ook wij krank, en alleen zoo we Hem weer als ons Hoofd erkennen, is er in ons weer gezonde geestelijke werking.
Doch juist hieruit ziet ge dan ook, hoe verkeerd al dat gedachtelooze en onnadenkend geestelijk druktemaken is. Er komt van dat op goed geluk af en naar inval werken in den wijngaard van Christus zoo jammerlijk weinig vrucht. Op geen enkel ander terrein veroorlooft men zich dat. Op alle ander terrein vraagt men zich af, waartoe ben ik geschikt, wat sijn de mij verleende gaven, op welk punt zal ik in den arbeid kunnen ingrijpen, en wat is het bepaalde werk, dat ik ten goede zal kunnen volbrengen; en dan ook, onder wiens leiding moet ik arbeiden. En juist zoo nu moet elk onzer ook in het geestelijke te werk gaan. Geen geestelijke mode najagen. Niet zeggen, nu is het in den smaak om aan de Zondagsschool, dan aan de ziekenverzorging, dan weer aan de zendicgstudie mee te doen. Ieder vrage naar zijn eigen talent. Men boude toch op, 't altoos in het buitengewone te zoeken, en zie wel in dat juist de gewone arbeid, die weinig opzien teweeg brengt, in den regel de meest profijtelijke is. Zoo b.v. de zorg voor het geestelijk element in eigen leven, in eigen gezin, bij de opvoeding van eigen kroost en zooveel meer. Daarbij moet ook gij dan scherp en helder inzien, voor wat soort arbeid gij juist de bepaalde talenten ontvingt. En d& arop moet ge u dan werpen, ddar u aan toewijden, en dairin uw kracht zoeken.
Alleen maar, zelfs zóó loopt nog alles mis, indien ge den stuur van uw Hoofd niet zoekt. Wel ligt er een volgen van uw Hoofd in, zoo ge op uw gave let, en naar uw gave is, uw arbeidsveld zoekt. Maar dat letten op de soort van uw talent is nog^niet genoeg. Ons hoofd stuurt onzen voet en onze hand, en zet oog en oor in actie. En zoo ook moogt gij niet rusten, eer ge in uw verborgen geestelijke gemeenschap met uw Heiland zóóver gevorderd zijt, dat ge merkt waarheen Hij u trekt en lokt. Ge moet als een der paarden van zijne Majesteit zijn, en fijngevoelig aan het trekken van den teugel merken, waarheen hij n stuurt en u brengen wil.
Al ’t andere is onbewust her-en derwaarts f dwarrelen als een verdord blad op de golving d van den wmd. £a alleen lóo streeft ge ook in d « geestelijk leven en in uw arbeid voor het oninkrijk Gods naar dat zelfbewuste, en naar b zoo op een vaat doel afgaande handeling, als ge op geen andec terrein ooit verwaarloozen zult.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 24 november 1912
De Heraut | 4 Pagina's