„En de boeken werden geopend.”
En ik zag de dooden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de dooden werden geoordeeld uit hetgene in de boeken geschreven was, naar hunne werken. Openbaring 20 : 12.
Voor wie teederlijk zijn God mint, is er geen zaliger toezegging, dan in hetgeen de profeet Micha aldus onder woorden brengt: »Gij, o, Heere, zult' al onze zonden in^de diepe der zee werpen t
Zonder beeldspraak klinkt ons geheel dezelfde belofte bij Jeremia tegen, als het heet: «Ziet, de dagen zullen komeU; , spreekt de Heere, dat Ik met u een nieuw verbond zal maken, en dan zullen zij mij allen kennen van hunnen kleinste tot hunnen grootste toe, want Ik zal hunne ongerechtigheden vergeven, en hunne zonden niet meer gedenken.^
Wie weet, niet enkel bekeerd te zijn, maar ook in Gods verborgen omgang mag genieten, zucht gestadig onder de heugenis van zijn zonden; Een heugenis die uw ziel, hoe verder ge komt, steeds te zwaarder neerdrukt.
De weet van onze zonden is zoo ongelijk. Uren, dagen kunnen we doorleven, dat we aan het gedenken van onze zonden nauwelijks toekomen. Komen we verder en beginnen we nauwer bij onze conscientie te leven, dan dringt zich de heugenis van onze zonden gedurig aan ons op, eerst bijna uitsluitend van eenige ergerlijkheden in ons verleden, maar dan in al grooter getale; -en hoe inniger en geestelijker ons leven mag worden, hoe meer we in allerlei van ons verleden zonde gaan bekennen, waarbij we vroeger nauwelijks eenig verwijt gevoelden. En schrijden we nogmaals voort en verder, zoodat er allengs een wezenlijke omgang met onzen God door ons genoten wordt, dan begint heel ons zondig leven in zijn onheiligheid zoo donker voor ons getint te worden, dat de herinnering aan het verleden ons steeds meer drukt en benauwt. Dan toch leeft steeds krachtiger het besef in ons op, dat we niet alleen tegen de inspraak van onze eigen conscientie handelden, en onze ziel bevlekken; maar veel erger nog tegen Gods heiligheid ingingen, en Hem door onze zonde bedroefden, schendende zijn heiligen naam.
Zoo sterk zelfs kan uw ziel onder al zulk verwijt uit uw verleden lijden, dat alle vreugd van Gods kind in den rouw over uw bevlekt verleden ondergaat.
De Heere onze God weet dit, want hij wekt dezen rouw zelf door zijn Heiligen Geest in onze ziel op. Maar dan komt de ontspanning. De Heere weet, dat we tot ons bestwil dat bittere verwijt doorleven moesten. Hij mag er ons in ondersteunen, maar het moet in onze ziel doorworsteld worden. En dit duurt, tot Hij zelf er ons uit verlost.
Maar als die ure van verlossing komt, dan ziet de ziel het ook als voor oogen, hoe de Heere in zijn genade al haar zonde in de diepte der zee werpt. Dan komt de zalige uitspraak: »Ik zal uwer zonden niet meer gedenken". En als dat Amen Gods onze ziel doet opleven, dan is het uit met den rouw onzer ziele, en dan pijnigt de heugenis onzer zonde ons bijna niet meer.
Als het daar met ons aan toekomt, trekt er hemelsche zaligheid door onze ziel. Het is dan alles wit als sneeuw in ons en aan ons geworden. Ontzondigd met hysop verkwikt zich ons naar God dorstend hart in zielsvernieuwing. Een weelde, gelijk de wereld ons die nimmer geven kon.
Alleen maar, ook in deze weelde schuilt niet zelden een hoog ernstig gevaar. Reeds uit de zeven brieven in de Openbaringen aan de zeven Kerken valt te beluisteren, hoe boos en bang toen reeds de vrouw Jezabel de kinderen Gods poogde te verleiden. De Nicolaieten verzonken nog bij het leven der apostelen in van God gevloekten gruwel. Het gevaar voelt ieder. Als alle zon den ons vergeven zijn, en 7)ergeven zullen worden, ligt dan niet de zonde van de Antinomianen voor de deur: Er op toezondigen opdat de genade te rijker zich verheerlijke ? Of ook, waar 't zoover niet gaat, hoe licht toch komt 't tot minder nauwgezetheid van geweten. Van vergiffenis is Gods kind immers gewis !
Daartegen nu geeft God het schild in de Boeken, waarvan het in den oordeelsdag heet, dat »de boeken zullen geopend worden", juist zoo als het reeds van voorlang bij Daniël was aangeduid. Eens zal alle ziel voor haar Rechter verschijnen. De ziel der grooten en de ziel der kleinen. En dan zullen in de hemelsche vierschaar de boeken der gedachtenis worden voorgelegd, waarin 't alles, èn de gedachten, èn de woorden, èn de werken, van een iegelijk menschenkind, als we zoo zeggen mogen, automatisch geboekt staan.
Natuurlijk is 't spreken van die Boeken slechts beeldspraak, doelende op tweeërlei elkander dekkende gedachtenis. Van de ééne zijde de gedachtenisse Gods, en aan de andere zijde de gedachtenis van wie onder het oordeel doorgaat.
• Wij verstaan dit niet. We kunnen er niet bij. Geen maand van ons leven weten we ons in alle precjsiteit te herinneren. En dan zal 't zijn de volledige bioscoop, als we dit beeld gebruiken mogen, van heel 't leven dat achter ons ligt. Dat ziet de ziel dan, en de ziel weet, dat God 't ziet. Vreeslijk voor hem of haar, wiens naam dan niet staat in 't boek dat er naast ligt, in het Boek des levens. Maar toch ook over dien zalige, wiens naam er wel in staat, gaat dan j een ondeelbaar oogenblik een bange siddering, niet om hem te pijnigen, maar om hem in aanbidding te doen nederknielen voor die wondere genade, die hem van zulk een zondig verleden heeft verlost.
Nu zal ons dit niet onverziens overkomen. Eer nog Christus' Kerk de wereld inging, is lia, ; i.r op Pathmos aangezegd, dat die ure des oordeels te komen staat; en dat niet doelloos, maar als van God ons besteld voorbehoedmiddel; opdat de verlossing niet aan de heiligmaking gespeend zij.
Die twee, schijnbaar tegenstrijdig, vlak bij elkaar. Al uw zonden in de diepten der zee geworpen! DAt is de overvloeiende, uw ziel stillende genade, Maar ook, en daarnaast: Eens zullen de boeken, de boeken ook van uw leven, geopend worden! En hiermee snijdt' de toon der Goddelijke waarschuwing o, zoo diep door de ziel.
Vierderlei boekt zich automatisch in die Goddelijke registers.
Allereerst uw zonden, waarvan ge weet, die ge gevoeld, die ge beleden, waarvoor ge vergiifenis afgebeden hebt.
Dan uw nauw opgemerkte zonden, die er als van geen gewicht of beduidenis in uw leven uieê onder doorliepen.
Ergerlijker uw boezemeenden, die ge aanhieldt, die telkens terugkeerden, die als in uw vleesch en bloed waren ingegaan, en waarmee ge maar niet wildet breken.
En dan eindelijk nog de verborgen a/dwalingen. Allerlei in gedachten, woorden, en werken, waarvan ge geen weet of besef hadt, dat er zonde in stak, en dat toch tegen Gods heihgen Naam inging.
De ploegschaar moet zoo diep door den akker uwer zonden, gaan, om u waarHjk te doen verstaan, waar uw vlekken en smetten schuilen.
Daartoe nu moet ook medewerken de wetenschap van de Boeken, van de Boeken ook van uw leven, die in den oordeelsdag geopend zullen worden.
Zóó geopend, dat het beeld van heel uw leven er u uit zal toespreken.
Biede ook die voorwetenschap u zedelijken, heiligenden steun.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 10 mei 1914
De Heraut | 4 Pagina's