GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

Van de Voleinding.

19 minuten leestijd

CXXXIII.

VIERDE REEKS.

XXXIV.

En men heeft zijn graf bij de goddeloozen gesteld, en hij is bij den rijke in zijnen dood geweest, omdat hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in zijnen mond geweest is. Jesaja 53 : 9.

Helder komt 't dan aldus voor on.s te staan. Ten eerste rustte op ons menschelijk geslacht de vloek in den last des toorns Gods tegen de onheiligheid die met den val in ons was opgekomen. Ten tweede rustte de vloek en de toorn Gods derhalve voorwerpelijk óók op den Christus, die in het leven van ons geslacht was ingegaan, en er deelgenoot en Hoofd van was geworden. In de derde plaats werd het lijden van dezen vloek en van den toorn Gods, subjectief, alleen door den Christus in volle wicht gevoeld en doorleden, daar hij, als de heilige, dit alleen kon. En in de vierde plaats is het besef, de gewaarwording van het lijden hiervan in zijn volle wicht eerst door den Christus geleden bij zijn botsing met het gezag van Sanhedrin en Keizerrijk, als de door God bestelde machten, en wel het scherpst toen die botsing hem in den dood wierp, en in dien dood ook het bangste en bitterste zielelijden over hem bracht. Voorwerpelijk, objectief, staat het gelijk. De vloek en de toorn Gods rustte gelijkelijk op hee! ons geslacht en op den Christus die in ons geslacht was ingegaan. Onderwerpelijk, subjectief, daarentegen draagt de zondige mensch die vloek en toorn eerst in de verdoemenis, en dan eeuwig, de Christus daarentegen hier reeds op aarde, omtlat hij, als zonder zonde, aanstonds er in werd gewikkeld; en zulks wel ten deele reeds van zijn geboorte af, maar kh'mmend in Gethsemane, en ten volle toen hij, bij de botsing met de twee van God verordende wereldmachten, den dood inging en den beker van Gods toorn tot op den bodem ledigde. Ge moet hier den Heilige tegenover den Dood, en wel tegenover dien Dood tot in zijn diepste wortel, stellen, om de helsche smarten, die de Christus alzoo aan het Kruis doorzwoegde, te verstaan. Leven en Dood stonden voor den Christus lijnrecht tegenover elkander. Ingaan in den Dood was voor Jezus uit het leven uitgewrongen worden. Niet alleen afgesneden worden van dit tijdelijk leven op aarde, maar buiten alle leven worden gesteld, en overgebracht in vlak het volstrekte tegendeel van het leven, d. i. in den eeuwigen Dood. Vandaar het Eli Lama Sabachtanie.

Van God verlaten zijn, was voor den Chri.stus buiten het leven komen te staan en weg zijn. Uit deze oorzaak nu kwam te midden van deze helsche worsteling de uitroep: »Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest." Jezus wist en voelde, dat hij, als de Heilige en als de Zone Gods, ook al ging hij in den eeuwigen dood in, er niet in kon blijven. En daarom nu beveelt Jezus, stervend, zijn geest, dat is zijn levensadem, aan den Vader aan, opdat, waar hij zelf wegzonk, de Vader zijn levensgeest houden mocht. Uit 's Vaders hand kon hij 't leven in zijn verrijzenis terugontvangen. Juist ter oorzake van zijn Godheid kon de Christus, als in één oogenblik des tijds, het eeuwige van dien Dood doorworstelen. Waar het schuldig creatuur in geen eeuwigheid mee gereed komt, was door hem voleind toen de derde morgen daagde en hij opstond uit het graf. Hij had uit eeuwige Hefde in zijn Vleeschwording ons menschelijk geslacht aan zich getrokken, was er ingegaan, was er deelgenoot, was er lid, was er tweede Hoofd, was er als onzer één van geworden. Al de stormen van vloek en toorn konden daarom niet langs hem heenglijden. Ze moesten in hem dringen en hem innerlijk uitéénscheuren, en dat is de vloek, dat zijn de helsche smarten, die de Christus, zelf heilig en zelf de Zone Gods, voor ons gedragen heeft. Komt nu straks de Opstanding en rukt de Christus zich uit de omarming van den eeuwigen Dood los, dan gaat met hem en door hem ten leven in, wie zich aan hem vastklemt, maar zinkt ook onder nog banger vloek voor eeuwig weg, wie de volmaakte liefde in Christus, gelijk ze in dat dragen der helsche smarten uitkwam, van zich afstoot en verwerpt. In die helsche smarten toch heeft de Christus gezwoegd in de wroeging niet over eigen schuld, die in den Heilige niet zijn kon, maar om de schuld die in óns was, en die hij, als onzer één geworden, met ons en voor ons, als ware het een eigert.^clmld, flroeg. " Ifi^;

Slaan we nu de sterkst sprekende plaats uit de Heilige Schriftuur op, waar ons dit mysterie geopenbaard wordt, dan blijkt op de meest overtuigende wijze, dat zóó, en niet anders, die helsc^ - smarten die de Christus voor en in mn sterven leed, te verstaan zijn. In den nSfeest algemeenen zin ziet ge dat in 1 Coy. XV : 3, waar de apostel schrijft: Ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zo7iden, naar de Schriften, en dat hij is begraven, en dat hij is opgewekt ten derden dage naar de Schriften". Nu is dit soms wel in zulk een zin verstaan, alsof het eenmaal van Godswege vaststond, dat de mensch ter oorzake van zijn' schuld moest sterven, maar dat de Heere Jezus toen zou gezegd hebben : »Mag ik niet in plaats van den mensch gaan staan, zoo dat ik sterf, en hem de dood gespaard worde!" De Vader zou die aanbieding dan hebben aangenomen, en zoo zou de mensch vrij zijn gekomen, en Jezus gestorven zijn voor hem. Maar al moge dit zich nog zoo gereed hooren laten, toch voelt, bij eenig nadenken, een ieder, dat deze opvatting daarom niet te aanvaarden is, omdat ze wel de liefde van den Zoon op 't hoogst doet uitkomen, maar daarentegen God den Vader in een vcrlstrekt onnatuurlijk daglicht plaatst. Geen edel rechter op aarde zou ooit, met een goede consciëntie, zulk een ruil aanvaarden kunnen; hoeveel te minder zijn we. dan gerechtigd, om zulk een geheel machinale uitruiling en plaatsvervanging in Gods heilige vierschaar te doen geiden. Geheel deze uitwendige en mechanische voorstelling van het piaatsbekleedend lijden moet dan ook, zonder dat er een spoor van achter blijve, verworpen worden. Voor onze zonde is de Christus gestorven, maar alleen doordat hij onze zonde tot de zijne had gemaakt, en, door 'onze zonde voor ons te dragen, organisch het leven in de aderen onzer ziel indroeg-.

Reeds van ouds was die diepere, organische opvatting door de profetie aan Israël ingeprent. Lees en herlees slechts den tragischen doodengang van den Man van Smarte in Jesaja 53. Niet eerst in zijn sterven, maar van zijn eerste verschijning af, is de Christus gedrukt door wat geestelijk hem heel de existentie bezwaart. Daarom »had hij geen gedaante noch heerlijkheid ; als men hem aanzag, zoo was er geen gestalte, dat wij hem zouden begeerd hebben". Men zag. dan ook niet met eerbiediging tegen hem op, veeleer was hij veracht en als de onwaardigste onder de menschen. Hij was een »Man van Smarte", dat kon een ieder hem aanzien. Schier een ieder was als verbergende het aangezicht voor hem, en dit alles maakte den indruk, alsof hij, uithoofde van verborgen zonde en ontzettende schuld, van God geplaagd, geslagen en verdrukt was. En toch, van dit alles was het tegendeel waar. Er was in hem van zonde of schuld geen spoor, en al wat hiervan den schijn had, vond alleen daarin zijn oorzaak, dat hij, niet om eigen, maar'bmijw^r overtredingen verwond, en om onze ongerechtigheden verbrijzeld was. Wat hij droeg en onderging, was onze straf, en niet hem, maar ons is door zijn striemen genezing geworden. Het waren ojize smarten die hij gedragen heeft, onze innerlijke verkranking had hij op zich genomen, en zoo is óns vrede met God geworden door wat Z; ; ; 'voor ons onderging en leed. En vraagt ge nu, hoe dit kon, en hoe dit mogelijk kon worden, zie hier dan 't antwoord: Alzoo was 't Goddelijk bestel. Het was God zelf, die, toen wij als schapen omdoolden en zoo afdoolden op een eigen weg, onzer aller ongerechtigheid op hem heeft doen aanloopen. Toen hij alzoo onze ongerechtigheid droeg, moest wel ook tot hem de Goddelijke eisch der vergelding van het onheilige met het lijden uitgaan. Er kan geen zonde, er kan geen schuld zijn, of Gods heiligheid reageert er tegen en toornt. God kan en mag het demonische, het onheilige, het zondige niet ongedeerd door laten gaan en dulden. Dat zou zijn, zijn eigen heiligheid, en daarin zijn eigen Godheid, te niet doen. Elke zonde roept om toorn, elke schuld eischt vergelding. Zoo werd toen ónze schuld van hetn geëischt, en toen ze geëischt werd, werd hij verdrukt, en leed hij de vergelding voor onze schuld in heilige liefde. Toen hij verdrukt werd, deed hij zijn mond niet open. Als een lam liet hij zich ter slachting leiden, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzoo deed hij zijn mond niet open, Onder dit alles nu was het de Heere God, wien het behaagde hem te verbrijzelen. Om f'; overtreding van 's Heeren volk is de pir^ge op hem geweest, en moest hij worden afgesneden uit het land der levenden. En toch openbaart zich in dit alles tegelijk de liefde van den Middelaar. Hij droeg onze ongerechtigheden. Hij heeft voor de zondaars gebeden. Hij was 't die Imn zonden droeg en die met de overtreders is geteld geweest, toen hij zijn ziel heeft uitgestort in den Dood. Rijker en voller kon 't niet worden uitgedrukt. De voorbeelding van dit alles lag ook reeds in den offerdienst van Israël, en straks zou na het Kruis het apostolisch woord dit alles toelichten, maar wonderbaarder diep gevoeld dan in de profetie van 'Jesaia, kon dit in zich opnemen van ónze schuld èn van ónze zonde niet onder 't menschelijk woord worden gebracht.

Ook het apostolische woord wijst op den zinbeeldigen offerdienst terug, zoo met name in \vat Paulus aan de Kerk van Corinthe schreef: »Ook óns Pascha is voor ons ge.slacht, namelijk Christus*; en lohannes de Dooper in wien zich het verleden voleindde, riep het in heihge verrukking uit, toen hij Jezus tot den Jordaan zag komen : sZie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.* Ook aan zijn discipelen riep de Dooper het toe; »Zie het Lam Gods«, en het behoeft nauwelijks herinnering, hoe in geheel de Openbaring van Johannes den Apostel, gedurig dit beeld van het Lam, het heilig Godslam, terugkeert. Soms ontvangen we schier den in druk, alsof het lam er opzettelijk voor geschapen was, om, als 't onder de hand van wie 't slacht bezwijkt, toonbeeld te zijn van den Man van Sirarten, zoo in de teederheid als in de wüligheid, waaronder het zich , den dood laat aandoen. En juist op die vi'illigheid kwam het hieraan. Bijna een terugslag op Jesaia 53^ als keur der lijdensprofetie, geeft daarom de apostel Petrus als hij zich aldus uitlaat: > Hij die geen zonde gedaan heeft, heeft zelf onze zonde in zijn lichaam gedragen op het hout, opdat wij, der zonde afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door wiens striemen gij genezen zijt«. En ook hier volgt dan: »Gij waart als dwalende schapen!" Altoos weer het beeld van 't schaap en van 't lam. Het lam, ons beeld, beeld van den zondaar, die als 't schaap afdoolt en omzwerft, en ditzelfde lam beeld van den Middelaar, als de willigheid om 't offer te brengen, het levende beeld zoekt. _

Zoo is het, heel de Schrift door, in offerbeeld, in profetie en in apostolische getuigenis altoos weer de rijke, volle uiting van de genade Gods, in de alles te boven gaande toewijding van Jezus liefde, en van mystieke vrucht ter verlossing, die het ingaan van den Christus in onze existentie, in ons leven, in onze zonde en schuld, en in onze helsche vergelding, ons aanbracht, waarin de ontfermingen onzes Gods zich verheerlijken. Saamgèvat staat dit het kernachtigst uitgedrukt in den brief aan de Romeinen (III:23—26), waar alles uitgaat van de belijdenis: .Wij hebben allen gezondigd en worden om niet gerechtvaardigd, uit vrije genade, door de verlossing die in Christus Jezus is«, en dan gaat het voort: Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening door het geloof in zijn bloed«. Alzoo noch in de beeldspraak van den offerdienst, noch in de profetie, noch in het apostolisch belijden ook maar van verre een zweem van een uitwendige^ mechanische plaatsbekleeding, maar steeds en allerwegen een werken van de teederste factoren van het ons toebedeelde geestesleven. Het is alles reëel, het is alles geestelijk verdiept, eerst in Christus bij zijn lijden, en daarna in de gezaligden door het geloof.

Tot in zijn Begrafenis is dit bevestigd. Reeds in Jesaja 53:9 kwam het uit, hoe ook aan die Begrafenis een geheel eigen beteekenis v.'as toe te kennen. Immers er staat: Men heeft zijn graf bij de goddeloozen gesteld, en hij is bij den rijke in zijnen dood geweest, omdat hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in zijnen mond geweest is«. Tweeledig, is alzoo het karakter, dat aan die Begrafenis reeds in de profetie wordt toegekend, Eenerzijds is Jezus' graf bij de goddeloozen gesteld; dat is de smaad ; maar ook anderzijds is hij in zijn dood bij den rijke geweest; dat is de eere die hem te beurt viel. En dit laatste wordt daaruit verklaard, dat er bedrog noch onrecht in hem gevonden is. Met zijn sterven breekt alzoo de straffe lijn der vergelding. Geheel gestuit is ze nog niet, want hij is in zijn graf nog bij de goddeloozen geweest, maar anderzijds begon toch toen reeds de eerebieding, want 'uit den kring der grooten en aanzienlijken der aarde is hem eere bereid. Dat hij met de goddeloozen gerekend werd, is het bijgezet worden in het graf op zichzelf Alle dood, en alle graf dat met den dood saamhangt, is toch om der zonde wil. In een wereld zonder zonde zou nimmer één eenig graf gedolven zijn. Maar al was dit smadelijke niet te vermijden, ten deele werd dit smadelijke dan toch opgeheven, toen Jozef van Arimathéa om het lichaam van Jezus aan Pilatus vroeg en het hem door den Romeinschen Landvoogd werd afgegeven.

Aan die Begrafenis van Jezus wordt in de Schrift blijkbaar bijzondere waarde gehecht. Alle vier Evangelisten vermelden, ze zelfs uitvoerig, en met alle bijzonderheden; ook Johannes, die anders wel zulke feiten beschouwde als reeds genoegzaam door de andere Evangelisten en door de predicatiën in de gemeenten bekend. Ja, zelfs in het apostolisch getuigenis ontmoeten we toespelingen op het graf van Jezus. Niet alleen toch, dat Paulus de begrafenis in 1 Cor. 15 : 3, en 4 als historisch feit afzonderlijk naast het sterven en de opstanding op den voorgrond plaatst, en Petrus de.sgelijks doet in Hand. 2 : 29, maar hij ontleent aan de Begrafenis van Jezus zelfs de beeldspraak voor onze gemeenschap met hem, en wel tot tweemalen toe. Eerst in Rom. 6 : 4, waar we lezen: 0f weet gij niet, dat zoovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij gedoopt zijn in zijnen dood. We zijn dus met hem begraven door den doop in den dood, opdat gelijkerwijs Christus uit de dooden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzoo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden". En dan ten tweeden male in Col. 2 : 12, waarde apostel schreef: Zijnde met hem begraven in den doop, in welken gij dan met hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, die hem uit de dooden opgewekt heeft". Christus' Kerken hebben, in aansluiting hieraan, de Begrafenis van Jezus dan ook tot een afzonderlijk stuk des geloofs verklaard, en in de XII Geloofsartikelen, na de belijdenis, van het sterven van den Middelaar, afzonderlijk óók de Begrajenis als een eigen stuk beleden. Tusschen den Goeden Vrijdag en den Paaschmorgen is dan ook de Stille Zaterdag als dag des gedenken s aan het liggen van lezus' lichaam in het grafingenomen. Niet zelden wordt op dien Zaterdag zelfs dienst in de kerk gehouden, en wordt in geloovige gemeenten de.geloovige bijzonderlijk bij de beteekenis van dit liggen in het graf van het lichaam des Heeren bepaald. Toch is dit in zooverre niet geheel juist, dat het de graflegging, en niet het liggen in het graf is, waarop hier de nadruk valt. Al is het toch de gewone spreekwijze, dat men ook nu nog, op het kerkhof tredend, pleegt te zeggen : »Daar ligt mijn lieve moeder, daar ligt mijn kleine lieveling", toch weten we daarbij zeer wel, dat de.persoon van moeder of kleine lieveling zich daar niet bevindt, en dat we, om juister te .spreken zeggen moesten : Daar ligt het lijk van , mijn m.oeder, of het lijkje van mijn lieveling. Nu doet die meer juiste spreekwijze er gemeenlijk zeer w'einig toe, maar bij het graf van den Heiland is die meer juiste spreekwijze toch niet geheel onverschillig. Bij Jezus Christus komt tweeërlei aan de orde : in de eerste plaats de vraag, of zijn lichaam metterdaad in het graf is gelegd, maar ook daarna in de tweede plaats, of de Christus zelf in de Sje'ool is nedergedaald; en deze beiden nu worden zoo licht verward, zoo men bij de Begrafenis het te sterk voorstelt, alsof niet het afgestorven lichaam van den Middelaar, maar de Middelaar zelf in het graf is gelegd, iets wat natuurlijk, in letterlijken zin genomen, niet juist zou zijn. De nauwkeurigheid vereischt daarom, dat waar sprake is van het graf, meer bijzonderlijk op de graflegging van het afgestorven lichaam de aandacht zich richte.

Voorzoover nu de Begrafenis van Jezus op zichzelf, als op zichzelf staande gebeurtenis gedurig in het Oud en Nieuw Verbond vermeld wordt, of er toespeling op wordt gemaakt, moet natuurlijk op den voorgrond staan, dat de Begrafenis een der trappen is van Jezus vernedering. Die in de gestaltenisse Gods was, heeft zich zelven vernederd, de gestaltenisse eens dienstknechts aangenomen hebbende. Hierin lag zijn nederdaling op deze aarde, zijn aannemen van ons vleesch en bloed, en zijn ingaan in de knechtsgestalte. In de tweede plaats is hiji in knechtsgestalte zijnde, vernederd in den dood. Maar ook hierbij bleef het niet. Op het sterven volgde het begraven worden, en ook dat behoort tot Jezivs vernedering. Het gedolven graf dat op het lijk wacht, is een macht die uit het aardrijk op ons aandringt, om ons te verslinden. Wat het graf in zich opneemt, laat het niet ongedeerd gelijk het neerdaalt, maar grijpt het al spoedig met verterende en ontbindende krachten aan. Alle schoon of sierlijk, dat in het lichaam moge hebben uitgeblonken, verliest dan zijn glans, boet zijn aantrekkelijkheid in. Het liefste, teederste en aanminnigste gelaat verandert reeds naenkele dagen derwijs, dat ge bij het aanzien ervan gehinderd wordt door het afstootelijke beeld waarop uw oog valt. Wel zijn er excepties. Soms ondergaat het lijk een zoodanige chemische verandering, dat het één zeepachtige massa wordt en schoon blijft, doch dit is een hooge uitzondering, en rekent voor de algemieene beteekenis van het graf niet mede. Weer op andere wijze wordt vaak het lijk voor verderving bewaard door inbalseming, na aftapping van het bloed en uitlichting van de te weeke deelen, en gelijk men weet waren vooral de Eg}"ptenaren er op uit, om de lijken zoolang het kon te bestendigen, zoodat men nu nog in Ca'iro, en elders, lijken uit de Sarcophaag heeft kunnen lichten, die op het gelaat nog dezelfde trekken vertoonen, die in den per.-soon, van wien het lijk is, voor 3000 en meer jaren uitkwamen. Doch ook dit zijn niet anders dan kunstmiddelen om de harde realiteit van het graf te verbloemen. Het graf op zich zelf, zoo als de kuil in de aarde wordt uitgegraven, en gelijk deze zich opent om het lijk te ontvangen, is een macht, niet der der bewaring, maar der vernieling. Het is het aardrijk dat den mensch, onder wiens voettreden het als versmaad was, nu op zijn beurt doet nederdalen en in zich opneemt, om hem te vernietigen, tot straks het oogenblik komt waarop van dien mensch noch boven noch in de aarde ook maar iets van zijn gedaante nader te ontdekken valt.

.Behalve als straf voor de vernedering heeft het graf van Jezus ook deze beteekenis, dat ze het waarachtige sterven van den Heiland waarborgt. Toen Pilatus het lichaam van Jezus aan Jozef van Arimathea afstond, twijfelde hij wel eerst of Jezus reeds gestorven kon zijn. De kruiseling stierf in den regel zoo spoedig niet, en meermalen moesten tenslotte-zulke lichamen gewelddadig doodgeslagen worden. Pilatus riep daarom den officier die de wacht bij het Kruis had betrokken, tot zich, en ondervroeg hem, of Jezus reeds lang gestorven was. En eerst toen hij van dien ofiicier de zekerheid had verkregen dat Jezus waarlijk gestorven , was, stond hij het lichaam aan Jozef af. Juist de begeerte van Jozef van Arimathea om aan Jezus een eervolle begrafenis te verzekeren, heeft aanleiding gegeven tot een opzettelijk onderzoek; dit onderzoek is door de openbare macht ingesteld ; er is beroep gedaan 'op den man die bij het Kruis het bevel voerde; en-toen ook zoo nog twijfel mogelijk scheen, heeft juist het graf van Jezus aanleiding gegeven tot het bezetten van de grafspelonk met een militaire wacht en tot verzegeling van de spelonk zelve. Had Jozef van Arimathea zich niet voor de eervolle begrafenis van Jezus opgemaakt, en was de zorge voor het doode lichaam aan de beulsknechten overgelaten geweest, zoo zou allerlei beweren ingang hebben kunnen vinden, om het feit der Opstanding aan te tasten met het voorgeven, dat er geen eigenlijk sterven had plaats gegrepen, en er dus ook van Opstanding geen sprake kon zijn. Door de ofiicieele begrafenis, als we het zoo noemen mogen, is dit afgesneden, en afgesneden eveneens door hetgeen op de officieele begrafenis gevolgd is. Het graf is na de begrafenis geen oogenblik open gebleven. Een groote steen, die niet dan met moeite af te wentelen was, is er voor geplaatst. Die kolossale, monumentale steen is toen ten overvloede nog met een koord er om verzegeld. En om ten slotte alle mogelijkheid van bedrog af te snijden, is er toen, bij dag en bij nacht, tot aan den Paaschmorgen, een wacht van Romeinsche soldaten bij geplaatst om aan alle kwaadwilligheid den toegang te versperren. De beide machten die den Kruisdood aan Jezus hadden aangedaan, d. i. het Sanhedrin en de Landvoogd, hebben alzoo juist door hun pogen om 't geloof aan Jezus opstanding af te snijden, geheel tegen hun bedoeling in, aan heel de wereld den waarborg gegeven, dat Jezus wel waarlijk gestorven was, en uit zijn graf niet kon opstaan dan door Opstanding uit den dood.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 mei 1914

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 mei 1914

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren