Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

„Zoo anders de Geest Gods in u woont”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Zoo anders de Geest Gods in u woont”.

20 minuten leestijd

[PINKSTEREN 19 14].

Doch gijlieden zijt niet in het vleesch, maar in den Geest, zoo anders de Geest Gods in u woont Maar zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt hem niet toe. Romeinen 8 : 9.

Pinksteren is het heilige Jubelfeest voor de kinderen Gods. Het Kerstwonder geldt de wereld, en in die wereld heel ons menschelijk geslacht. De eerste Adam treedt terug, en in de Kribbe van Bethlehem begroet niet slechts 't geloovig Israel, maar begroetten ook de Wijzen uit het Oosten die Heidenen waren, het geboren nieuwe Hoofd van ons menschelijk geslacht. Het geboren Kindeke heet »de Zoon des menschen". En zoo ook is het met ons Paschen. Op 't Kerstfeest komt de Zone Gods tot onze menschheid, om Zoon des menschen te zijn, en gaat op Golgotha onder in haar zondejammer en dood. Maar op Paschen komt in zijn Opstanding de nieuwe, uit hem herboren menschheid in de verraste historie uit. Op Kerstfeest is 't Jezus in het lichaam der menschheid, op Paschen is het een verkoren geslacht als lichaam van Jezus. De geboorte, de opkomst van het Koninkrijk Gods. Zoo geldt de jubel der Christenheid èn op Kerstfeest èn op Paaschfeest, niet den enkele, maar het geheel. Beidemalen het geheele lichaam, waarvan Christus het Hoofd is. In de Kribbe het lichaam van ons menschelijk geslacht dat herboren moet worden, op Paschen het feitelijk reeds herboren lichaam, geüjk het nu onder Jezus als ons Hoofd uitkomt. En op Kerstfeest èn op Paschen is het beidemalen het groote feit der herschepping dat 't geheiligde lichaam geldt. Op Pinksteren daarentegen treedt nu dit heel andere in, dat er nu een Goddelijke werking openbaar wordt, en eene die ook wel van Christus uitgaat, maar die de enkele personen, de enkele geloovigen, de enkele geroepenen ten eeuwigen lever in hun eigen zielsbestaan, in hun eigen persoonlijk leven raakt.

Hier toch ontsluiert zich het mysterie in die opmerkelijke aanduiding: £n het zat op een iegelijk vati hen. Wel overkomt de zegen hier aan allen die tot den heiligen kring behooren, maar zoo, dat ze hoofd voor hoofd er in deelen, dat het de enkele geloovigen zijn die den zegen wegdragen, dat het Gods kinderen in hun afzonderlijk, persoonlijk bestaan zijn, die de gave van den Heiligen Geest op den Pinksterdag ontvangen. In die Opperzaal is Jezus niet meer. Hij is ten hemel opgevaren, en zit nu aan Gods rechterhand. Ook zijn 't niet enkel de twaalven die er saam zijn. Zelfs mag gezegd, dat bij 't eigenlijke wonder die twaalven geheel lijdelijk zijn. Eerst als 't er op aankomt, om nu in 't woord der prediking den rijkdom, de geestelijke weelde van het wonder dat plaats greep, uit te leggen, dan treden de twaalven en uit hen Petrus op den voorgrond. Maar bij het eigenlijke wonder zijn de twaalven louter lijdelijk. Ze worden bewerkt, hun wordt nieuw leven ingestort, ze worden in heilige verrukking als opgetogen, het geestelijk vuur valt op hen neder en dringt in hen, in elk hunner, in elk hunner afzonderlijk, in elkeen der twaalven hoofd voor hbofd. Doch dan ook niet meer alleen in hen. Alle onderscheid tusschen hen die in 't ambt staan, en de overigen valt hier weg. Er is heel een schare om en met hen in de Opperzaal van den tempel vergaderd. En die allen staan nu, wat het Pinkstervvonder. aangaat, volkomen met hen gelijk. Er is geen onderscheid. Discipel of gewoon geloovige, ze voelen allen, hoofd voor hoofd en één voor één, de gave des Geestes op zich nederdalen. Hier is 't het heilige wonder voor de enkele personen. Die allen genoten ook wel in de Kribbe van Bethlehem, die allen hadden ook wel gejuich bij de Opstanding, maar dat was gemeenschappelijk voor hen allen saam, als één geheel; hier daarentegen daalt het heilige pp elk hunner afzonderlijk neder. Het zijn de kinderen Gods één voor één, elk op zich zelf, en een' ieder van hen particulier voor het eigen zielsbestaan, die de bezieling van boven ontvingen. Altoos weer die ééne, alomvattende gedachte: ^^Het zat op een iegelijk van hen".

Dit had ook zijn keerzij. Uit dit persoonlijk karakter in het leven van Gods kinderen is aldra de breuke der eenheid in de Gemeente gekomen. Reeds in de apostolische kerken deelde men zich. Zelfs moest Paulus tegen Petrus overstaan. Het geestelijke in Gods kinderen kon niet tot ontwikkeling komen, of het verschil, het onder­ scheid, de afwisseling in uiting en verschijning kwam hierdoor helaas, maar al te spoedig aan de orde. Dit moest wel niet, en naar hooger orde mocht 't wel niet, maar de kinderen Gods verkeerden nog in hun aardsche existentie; ze waren nog behept met eigenaardigheden, die teweegbrachten, dat ze van uit het Heilige de één bij voorkeur deze, de ander die gave grepen, en de verscheidenheid van de personen sloot-zich nog niet aanstonds in heilige, volle harmonie aaneen en ineen. Dat zou eens wel zoo worden, in het leven hiernamaals. Maar op aarde was 't nog zoo niet. De kinderen Gods brachten uit het vroegere leven en uit hun aardsche existentie nog te veel overvloed aan afwijking en verdeeldheid met zich. Ze waren nog te onrijp om de volheid van het Heilige elk in zijn geheel te kunnen omvatten. De één werd meer geboeid door dit, de ander door dat gesternte aan den sterrenhemel des Geestes. Om den indruk van al de starrenpracht op eenmaal in zich op te nemen, waren ze nog te weinig rijp, nog te weinig ontwikkeld, nog te weinig volgroeid. Ook waren hun zonden wel verzoend, maar "toch werkten de zonde in hen nog na. Ook de zonde van de meeste onder de broederen te willen zijn. Dit gaf dan spanning. Die spanning leidde tot tegenstribbelen. In Corinthe werd het reeds Cephas of Paulus of Apollos. En zoo is het alle eeuwen door gebleven. Zelfs kerk is naast kerk komen te staan. Altoos werd de ééne lichtstraal van Boven gespreid in de veelheid van tinten, en dan was 't al spoedig tint tegen tint inworstelend, tot de kleuren zich verwarden, en de wereld met dit chaotisch dooreen-warren spotte. Al wat er werkte, waren werkingen van den Heiligen Geest, mafa-deze warkingen zijn vele. \a het Boek der Openbaringen van Johannes lezen we zelfs, hoe de Heilige Geest wordt voorgesteld in een beeld van zeven onderscheidene Geesten, in wier heilige harmonie de Heilige Geest zich aandient. Maar juist die harmonie wordt op deze zondige aarde door het nog onvolkomen leven van Gods kinderen gebroken. En zoo ontzinkt ons de glorie van het Pinksterfeest.

De Heilige Geest is in de Heilige Drieeenheid die uiting van het persoonlijk Goddelijk leven, die niet slechts op ons zich richt, maar in ons dringt, en woning in ons maakt, en bij de inwoning van de drie het instrument. Ook van den Chri.stus lezen we, dat hij in ons zijn wil, en zelfs van den Vader zegt de Heiland: »Ikende Vader zullen komen en woning bij hem maken«. Maar zoo min van den Zoon als van den Vader is die inwoning bij ons anders denkbaar dan juist door den Heiligen Geest. In de Drieëenheid zelve mag nooit de Drieëenheid voor ons geloofsbesef te loor gaan. Maar in de werking is onderscheid, en dit onderscheid nu komt vooral daarin uit, dat het de Heilige Geest is, die in 't creatuur indringt, het leven in 't creatuur bezielt, en 't creatuur doet uitkomen naar zijn individueele roeping en bestemming. Veel te veel-zelfs zijn we geneigd, om bij den Geest nitsluitend aan werkingen op 't erf der liefde, toewijding en reinigmaking te denken, en dit waar toch de Heilige Schrift ons steeds weer gevoelen doet, hoe alle leven in 't creatuur, in alle creaturen, en volstrekt niet enkel in den mensch, veel min enkel en eeniglijk in den geloovige, uitgaat van den Geest. Denk slechts aan Psalm 104, waar het in vs 29 en 30 van mensch én dier heet: »Verbergt Gij uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, ze sterven, en zij keeren weder tot hun stof. Zendt gij uw Geest uit, zoo worden zij geschapen en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks«. Een prachtig, alles, geheel de natuur beheerschend woord, dat blijkens het slot: »Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks« blijkbaar zelfs niet enkel mensch èn dier, maar ook het leven der plantenwereld in zich sluit. Uit het eeuwige Woord zijn alle vormen en verhoudingen en verbindingen, maar het leven zelf, dat in al deze creaturen de vormen en de verhoudingen bezielt, is opkomende door de werking van den Heiligen Geest. Het is die Geest die alle kunst ruischen en schitteren doet. Het is die Geest, die alle diepten van kennis en wetenschap ontsluit. Het is die Geest, waardoor alle uiting van onze existentie in onze talenten, in onze gaven, in onze kundigheden hooger aandrift ontvangt. Al wat zich ordent, aaneensluit en opbouwt in gezin en maatschappij, het ontvangt al zijn bezieling uit den Geest. Die Geest spreekt in alles wat menschelijk leven heeten mag, zoowel in ons gemeenschappelijk als in ons persoonlijk leven. Dus ook in ieders karakter, - in ieders bijzondere persoonlijkheid, in zijn eigenaardige manieren van zijn, mits 't tot iets leidt, mits ér iets uit voortkomt, mits 't een vru-ht voor bet geheel draagt, want 'i ' is al uit dien Geest opgekomen. Denk u dien Geest .weg, en 't ploft alles ontzield en werkeloos neder. Dan is er de verkvvijning, dan is er de dood. En daarentegen waar opleven, waar frischheid van levensuiting, waar bloeiende bezieling en rijkdom van vrucht is, daar is 't alles van den Geest van God, die er de tinteling van 't leven in aanbracht en in onderhield.

Wie met zijn in zonde verzonken leven tot bekeering kwam, komt niet eerst door die wedergeboorte met den Geest in aanraking. Die Geest heeft op en in Gods kind gewerkt van zijn ontvangenis en eerste geboorte af Voorzoover er leven in hem was, op wat erf en in wat manier ook, heeft alleen de Geest Gods dit leven in hem gewekt, doen uitkomen en staande gehouden. Meer nog, ook waar de onherboren mensch zijn talenten misbruikt, zijn gaven verwerpt, en met heel de instrumentt-cring, waarmee zijn God hem verrijkte, tegen zijn God insjaat, en voor zich rooft, wat Gode alleen toekomt, is 't toch diezelfde Geest van God die er de krachten, de gaven, de talenten voor in leven hield. Feitelijk verstaat en beseft men dan ook de ontzettendheid der zonde niet, zoo men heel dat voorafgaande leven buiten den Geest Gods sluit. Hoe vaak helaas bereikt ons 't booze gerucht niet, dat een vrouw moeder werd als gevolg van diep zondig samenleven met een man die haar man niet was. Nu is daar hun kindeke, dat arme wicht, dat levenslang de wrange bitterheid van zulk een levensvervalsching zal moeten dragen, en zelfs alleszins gevaar loopt in hoogst beder^ elijke sfeer onder te gaau. Zouiït ge nu citirven denken, dat zulk een kindeke een levensadem ontving buiten den Geest Gods om? Maar dit kan immers niet. Er tintelt, er ritselt nooit en nergens leven, of het is de Geest Gods die 't zijn aanzijn schonk. En zoo nu is 't met alles. Geheel ons menschelijk leven drijft op de golven des Geestes. Het is tegen den Geest, dat we steeds in elke begane zonde ons vergrepen hebben. En als 't dan gebeuren mag, dat toch ons leven gespaard werd en Pinksterdag komt, en ook ons de Heilige Geest toekomt om woning in ons te maken, dan is 't geen vreemde die intrekt óm bij ons te vernachten, maar is die Geest Gods steeds de eeuwige en algenoegzame Bezieler van al wat ooit in ons leefde, geweest, en dan zijn wij het die, eer het tot bekeering komt, en ons persoonlijk Pinkster doorbreekt, alle de dagen onzes levens tegen den Geest Gods in schuld zijn geweest.

Doch nu gevoelt ge dan ook op eenmaal en krachtig, wat Pinksteren in ons persoonlijk leven is. Volstrekt niet een voor het eerst in aanraking komen met den Heiligen Geest. Immers alle de dagen onzes leven is het die Geest Gods geweest, die ons droeg, die ons ophield, en die alle leven in ons in beweging bracht. Pinksteren is heel iets anders., Pinksteren is die ge.beurtenis, wanneer in ons intiem zieleleven voor het eerst een ontmoeting met den Geest Gods tot stand is gekomen, die ons als persoon met den Heiligen Geest van God als derde Persoon in de Drieëenheid tot weerkeerigheid van bewuste gemeenschap brengt. Tot dusver aanraking, alzijdige aanraking zelfs, doch nu ontmoeting; wat heel iets anders is. Een pasgeboren wicht, dat nog in de wieg ligt, moogt ge aanraken, en dat kindeken moge u aanraken, maar daarom is 't nog geen ontmoeting. Dat wordt eerst denkbaar en mogelijk, als er in dat lieve wicht kennis en zelfbewustzijn opleeft, zoodat het een indruk van u ontvangt en u herkennen kan, en straks uw taal en toon gaat verstaan, en tenslotte zelfs in levende woorden u antwoorden kan. En zoo nu is 't ook hier. Van uw eerste ontvangenis af heeft de Geest Gods u gedragen en een menschelijk leven in u doen tintelen, maar tot een ontmoeting met den Geest Gods kan 't eerst in u komen, zoo uw zielsleven in u wakker wordt, zoo ge persoonlijk in hooger zin opleeft, zoo ge een hooger bedoelen leert kennen, en indien nu bij deze uw zielsgesteldheid de Geest van God zich persoonlijk aan u openbaart, steeds nader op u aandringt en u ten slotte den kus der heilige liefde op 't zalig gelaat drukt. Eerst dan staat uw persoon tegenover den Persoon van den Heiligen Geest. Dan bespeurt ge niet maar werkingen en tintelingen, maar dan ontdekt ge op eenmaal, dat in dien Geest »God de Heilige Geest zelf" op u toetrad en dat in dien Heiligen Geest niet slechts óók een persoon, 'maar de volste, de rijkst denkbare, God­ delijke Persoon op u aandrong, zich voor u ontsloot, met u in contact trad, en nu een zoen met u sluit om u nimmermeer te verlaten. Dan is 't niet meer een Heilige Geest van verre, een Heilige Geest hoog boven u, een Heilige Geest, die onder uw aanzijn golft, u omzweeft, en zich boven u verheft, maar dan ontdekt zich de Heilige „Geest aan u als uw God, die u zoekt, die in heilige m}'stiek met u saam wil leven, en daarna, na u gevonden te hebben, u niet meer loslaat, en na u ontmoet te hebben, niet meer voor u voorbijtrekt, maar nu bij u blijft, niet meer van u scheiden wil, en-in zóó innig verkeer met u treden zal, dat de Geest Gods woning in u maakt, en dat ook van u kan gezegd worden: »Zoo anders de Geest Gods in*u woont.«

Onder het Oude Verbond was het zoo niet. Ook toen waren er wel rijke werkingen van den Heiligen Geest. Genietingen des Geestes zijn gesmaakt door Patriarchen en Profeten. Nooit heeft de Heilige Geest Gods volk onder Israel verlaten. De Heilige Geest stond veel zelfs in 't midden van Israel's getrouwen. Er was openbaring, er was een uitgaan van bezieling, er was vertroosting. Maar hoe heerlijk de werking van den Heiligen Geest zich in Israel ook kond deed, het Pinksteren ontbrak nog. En dit Pinksteren kon eerst komen, nadat de Messias zou verschenen zijn, en in Christus als ons Hoofd 't lichaam zelf der geloovigen voor de ontvangst van den Heiligen Geest gewijd zou wezen. Tot op Jezus hemelvaart bleef de bodem van ons leven nog ö«ge\vijd en öwheilig. Het middenpunt van ons menschelijk aanzijn en bestaan was nog klevende in de zonde, die heel ons geslacht ontadeld en ontheiligd had. En nu is zeker allerminst door Christus verschijning de zonde van ons geweken. Ze woelt nog in heel de wereld. Ze wérkt nog, o, zoo bitter na in de gemeente. Ze knaagt nog zoo jammerlijk aan ons eigen leven en wezen. In dit opzicht staan we veeleer nog met het oude Volk Gods onder Israel op één lijn, en in eenzelfden toestand. Jesaja stond niet lager dan wij stonden, en naar een geloofsheld als Abraham zien we vaak met nijaver op. Maar dit was 't principieele en allesbeheerschende verschil: Door Christus van ons opvaren ten hemel, en zitten ter rechterhand Gods, hebben wij nu een eenheid van het lichaam van Christus, een in zijn persoon wortelend leven, een middenpunt des aanzijns in Hem als ons Hoofd verkregen. We staan niet meer als eenlingen op ons zelf. We kennen nog heel andere banden met alle kinderen Gods, dan die Israel 't alleen geroepen volk uit Abraham had. We zijn nu in Christus één. We zijn nu leden van eenzelfde lichaam. We zijn nu onder één Hoofd als saam verbonden. En het is hierdoor, én hierdoor alleen, dat zóó niet een waarachtig en oprecht geloof ons zielsleven met Christus verbinden kan, of er ontsluit zich in ons die heilige tempel des harten, die slechts geopend behoeft te worden, of zoo aanstonds trekt de Heilige Geest in ons, niet om weer van ons te scheiden, maar om als Goddelijk Persoon met onzen menschelijken persoon samen een te zijn, en in ons te wonen, ja, met ons samen te wonen, in de binnenkamer van ons hart.

Daarom moesten Gods kinderen eerst te Bethlehem hun Hoofd van God ontvangen, en moest eerst door de Opstanding dat heilige Hoofd het eeuwige leven uitbrengen, en door zijn hemelvaart opklimmen ter rechterhand Gods, zou de persoonlijke ontmoeting tusschen de ziel van elk van Gods kinderen en den Derden Persoon in de Drieëenheid hier op aarde kunnen plaats hebben. Zoo terecht zegt daarom Petrus, dat 't Christus is, die uit had gestort wat op den Pinksterdag in Jerusalem gezien en gehoord werd ; dat 't al door zijn actie uit den Hooge tot stand kwam; en dat nu voor 't eerst A\& persoonlijke ontmoeting nxGt den Heiligen Geest tot stand kon komen, die den glans van ons Pinksteren uitmaakt. »Het zat op een iegelijk van hen«. Zegt ge nu, of stelt ge 't u voor, dat Jacob en Hosea, dat David en Jeremia ten deze reeds hadden genoten, wat ons na Jezus hemelvaart ten deel viel, dan cijfert ge feitelijk de geheel bijzondere gebeurtenis van 't Pinksteren te Jeruzalem weg. Dan doet ge op uw beurt precies 'tzelfde, waaraan zij zich schuldig maken, die in dit groote Pinksterwonder niet anders wanen te bespeuren, dan de bekeering van de schare der 120 personen, en die nu zeggen, dat dit Pinksteren zich herhaalt bij elke bekeering; waarom ze dan ook zoo vaak van een Pinksterdoop zingen. Neen, hetPink-. sterwonder te Jerusalem blijft geheel eenig in • zijn rijke beteekenis. Het is in dit Pinksterwonder, dat voor de eerste maal na den val, de rechtstreeksche, de persoonlijke ontmoeting van den Heiligen Geest met Gods kinderen plaats greep. Het was Jezus hemelvaart, waardoor dit Pinksterfeest eerst mogelijk werd. Uitdrukkelijk betuigt de Apostel dan ook, dat het de discipelen waren die ^de eerstelingen des Geestes i. ontvangen hebben, d. w. z. de eerste rijpe vruchten van wat Jezus na zijn Hemelvaart ons ten goede deed. Natuurlijk heeft zich die ontmoeting daarna voortgezet. Betuigt Paulus niet in Rom. 8 : 26: Desgelijks kohit ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen, maar de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen«, en zulks wel »z« ons hartii., want er volgt: En die de harten doorzoekt, weet welke de meening des Geestes zij, omdat hij naar God voor de heiligen bidt« Maar al heeft sinds dien groeten Pinksterdag die ontmoeting des Geestes zich van kind tot kind voortgezet, feit blijft het, dat de doorbreking van den heiligen stroom er eerst niet was, op den Pinksterdag begonnen is, eerst na Jezua' Hemelvaart mogelijk werd, en aldus zich reeds bijna twintig eeuwen heeft voortgezet. Met Pinksteren kwam een heilige ontmoeting op, die er eerst niet was, die eerst toen mogelijk werd, en die sinds zich heeft voortgeplant.

En staat dit nu eenmaal vast, dan spreekt ook de beteekenis van het Pinksterwonder u Waarlijk toe. Immers dan schuilt die beteekenis in deze twee. Ten eerste, dat het nu niet meer de Geest, maar dat 't de Heilige Geest is waarmee we te doen hebben; en ten tweede, dat het nu niet meer zijn moet, nu eens en dan eens de prikkeling van den Geest Gods in onze ziel, zoo af en toe, gister wel, maat morgen niet, doch dat 't zijn of worden moet een wonen van den Heiligen Geest in ons, zoodat Hij ons niet meer verlaat, en heel ons verder leven een saamwonen, een saamleven met God den Heiligen Geest in de binnenkameren van ons eigen hart zij.

Allereerst zij 't alzoo gemeenschap met den Heiligen Geest. Ongetwijfeld ook door werking van den gewonen Geest, van zijn vonken in al wat ons menschelijk leven verheft en groot maakt, van zijn tinteling in alle leven van wetenschap en kunst, van ideale zielsverheffing en hooger bedoelen, maar dit niet alleen. Dit alles toch was er ook vroeger, eer er van wedergeboorte sprake was. Ook dit alles was werking van den Geest Gods, maar nu moet 't zijn de werking van den Heiligen Geest, zooals die Geest Gods oordeelt al wat 't leven der wereld met zonde omklemt en onheilig kleurt, en daarvoor in de plaats stelt het profetisch beeld van het Koninkrijk Gods in zijn heilige zuiverheid, in zijn heerlijke reinheden, in zijn afschaduwing van hetgeen in God is. Zoo genomen toch is het leven der-wereld het onheilige, en het Koninkrijk des hemels het heilig terrein, en nu is 't de Heilige Geest, die in ons komt, om dit onheilige en wereldsche terug te dringen, en dat heilige van het Koninkrijk des hemels te doen doorbreken. Niet Cultuur én Christendom. Maar heel anders het Christendom in zijn heilig bedoelen, en daardoor veredeling óók van de Cultuur.

En hier komt nu in de tweede plaats bij het bestendige, het voortdurende, het overheerschende, het nimmer zich verzakende karakter; dat deze golving van wat op Pinksteren tot ons inging, aan elk kind van God brengen moet. Niet meer komen, maar blijven, is de leuze des Geestes. Niet maar u bestralen en verlichten, maar in u dringen, u persoonlijk vervullen, en in de plaats van uw eigen ik, heer en meester in het verborgene van uw zielsleven worden. Niet maar intreden, om even te vernachten, maar inkomen, om u nimmer meer te verlaten. Niet maar u bezoeken, maar bij u inkomen wonen. En na woning in u te hebben gemaakt, de volle genieting van dat samenwonen u al de dagen uws levens verleenen, tot eens de oproeping ook tot u komt om jn te gaan in het Vaderhuis.

Zulk Pinksteren verstaat de wereld niet, en 't wordt evenmin verstaan door de schijngeloovigen of ingebeelde geloovigen. Dit rijk en heerlijk lot kan alleen het deel zijn van wie de ontmoeting m& t den Heiligen Geest in zijn eigen ziel doorleefd en gesmaakt heeft. En nu moogt ge voorzeker niet zeggen, dat 't lot dier anderen u niet aangaat. Ook hun de weelde van ons Pinksteren te ontdekken, moet veeleer de dorst uwer liefde zijn. De geestelijke egoist die enkel vraagt of hij zelf geborgen is, verstaat de liefde van Christus niet, en heeft de zalige ontmoeting van den Heiligen Geest nog nimmer gekend. Maar hoe gewijd die liefde voor anderer heil u ook aandoe,

hoofdzaak moet toch zijn en blijven, dat we den Heiligen Geest, die ons zijn zalige ontmoeting schonk, de eere en de aanbidding toebrengen.

Gods glorie gaat ook op ons Pinksterfeest bovenal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 mei 1914

De Heraut | 4 Pagina's

„Zoo anders de Geest Gods in u woont”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 mei 1914

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken