Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Doet gij dit niet u zelden”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Doet gij dit niet u zelden”.

7 minuten leestijd

Doet gij u dit niet zelven, doordien gij den HEERE uwen God verlaat, ten tijde als Hij u op den weg leidt? Jeremia 2 : 17.

Geen lach zonder traan, zegt een volkswoord, en 't leven toont 't telkens weer, hoe ongestoorde levensvreugd bijna niemands deel is. Reeds een kind kan, als 't in zijn spel gestoord wordt, zoo bitter huilen.

Voor wie nadenkt en dieper leeft, leidt dit gedurig weer tot Jobs klaagzang, en, zij 't al in overmoed, de tegenover God zoo harde vraag laat zich vaak niet onderdrukken; Waarom werd toch niet een paradijsleven op aarde ons aller deel? Zouden we bij minder leed en ellende niet ook in Kefde rijker èn in ons hart gewilliger zijn?

Op die vraag nu geeft onze God ook ons het woord, dat Jeremia boekte, ten bescheid: Ge klaagt, o mijn volk, over uw leed en ellende, maar keer in uw binnenste in, en zeg 't dan, doet gij al die bitterheid van 't leven «zV^ u zelven aan?

Enkel persoonlijk genomen, is dit uiteraard niet bedoeld. Telkens toch jubelt de Goddelooze, en weent wie God zoekt. Een kind kan lijden om zijn vader, een jonge, eerbare vrouw om de zonde harer moeder. Er is verband onder menschen. Verband door het bloed. In een gezin, in een familie, in een geslacht. Tot zelfs in een volk. De één lijdt om den ander. Een verkeerd wentelen van het stuurrad door den scheepsvoogd, kan heel 't schip met al wie er aan boord waren, te gronde doen gaan. Heel ons menschelijk geslacht is verwant. Het is één lichaam, waarin alle leden lotgemeen zijn. Het lijden van den één om den ander is in die gemeenschap niet te keeren. Een atoom pestgif, dat één enkel Ud van het gezin in 't bloed komt, kan in ettelijke dagen heel 't gezin ten grave sleepen. We liggen niet als losse korrelen zand langs het strand van den Oceaan des levens. Vezel aan vezel, cel aan cel, zenuw aan zenuw liggen we ineengevlochten, en saamgeweven in het ééne machtige lichaam der menschheid. 't Gif der zonde heeft uit Eva's overtreding ons allen aangetast. En daarin overkomt, drukt en benauwt al wat mensch is, de verbastering en ontaarding van ons leven, dat één paradijs zijn moest, en nu één verdorring en matheid is geworden.

Maar juist door de inwerking der zonde, verstaan we die gemeenschap niet, en willen telkens weer een alleen persoonlijke rekening met onzen God opmaken. En dan natuurlijk komt die rekening niet uit. Dan schijnt de éen te weinig, de ander te veel voor zich te krijgen. Dan zwikt telkens de weegschaal door, en kunnen we maar niet inzien, hoe dit met Gods gerechtigheid is te rijmen. En dan komt de klacht, dan gaat 't weenen ons nader dan 't lachen staan. En met een tiwaaroim^ waarin we onzen God ter verantwoording roepen, bekruipt ons de wrevel over ons levenslot.

Welnu, op die uiting van wrevel over het ons beschoren levenslot, geeft onze Vader die in de hemelen is, ons geen ander antwoord, dan de zielsindringende wedervraag: Doet gij dit ti zelven niet aan?

Ge kunt dit generaliseeren of specialiseeren, d. w. z. ge kunt dit op een bepaald leed of in 't gemeen op alle lijden doen slaan, en altoos 'zijt ge met de vraag: Doet ge 't u zelven niet aan? tot zwijgen gebracht.

't eerst maar in tal van bijzonder­ Neem heden.

Hoe nameloos veel wordt er niet onder krankheid geleden, en ga nu in 't leven maar na, in hoe tallooze gevallen zwakheid, overgevoeligheid, gedurig weerkeerende ziekte-aanval, in 't bloed ingeslopen vergiftiging, erfeüjk zeer, en gebrek aan weerstandsvermogen, het aanwijsbaar gevolg is van tekort in de zorge voor het lichaam van meet af, in gebrek aan reiniging en beweging, in ontstentenis van regelmaat en orde in 't leven, van een zich werpen in allerlei excessen van weelde, van drank en sport. Soms schuilt de oorzaak reeds in een tekort van moederlijke zorge voor het kindeke dat nog zijn dagen en nachten doordommelde in de wieg. Natuurlijk nemen we onszelven en onze ouders hier saim. Althans bij 't hchaam toch vloeit ons beider zorg en schuld inéén. Maar hoe ge dit ook neemt, ge kunt nauwelijks indenken, wat heel anderen aanblik van geluk en vreugde het leven zou bieden, zoo er door onze ouders en door onszelf voor 't lichaam gezorgd en gewaakt was, gelijk ge zelf wel weet, dat uw •God dit van u eischt en eischen mocht.

En ga nu zoo heel uw leven door. Hoe telkens is 't niet traagheid en speelzucht en ongebondenheid, die ons bij onze opvoeding achteruit deed raken bij anderen; onze degelijke ontwikkeUng tegenhield; ons onzen tijd deed vermorsen; hierdoor bij anderen achter deed raken; en zoodoende een debet in ons leven meegaf, dat we nimmermeer konden inhalen.

Als we in onze zonden teruggaan, zijn we zoo licht geneigd schier uitsluitend aan een enkele booze stem uit ons verleden te denken, maar juist dat is zoo kortzichtig. Hét verwaarloozen van onze gezondheid en onze levenskracht, en evenzoo het ten achterblijven in onze persoonlijke ontwikkehng, zijn evengoed zondige stukken in ons leven, en het is van die zonde vooral, dat we, soms tot in de jaren onzer grijsheid toe, de gevaarlijke gevolgen te dragen hebben.

En dan die onvoorzichtigheden in het leven, die soms zoo bitter betreurd worden. Het ons inlaten met kennissen, die ons niet voegen, hoeveel leed berokkent 't ons niet? Hoe meer dan één betreurt niet de droeve uitkomst van gewaagdheden waarin hij zich gestoken heeft, instee van rustig zijn weg voor Gods aangezicht te bewandelen ? Wat is één onvoorzichtig woord niet soms oorzaak van pijnigend verdriet geworden ?

Neem wat ge wilt, verdriet van kinderen, teleurstelling in zaken, krenking van uw gezondheid, smaad en laster, verslapping van uw geest, het missen van resultaat bij uw bedoelen, en wat verder op allerlei wijze u leed en zorg bereidt, — is 't niet al in hoofdzaak, althans ten deele, gevolg van eigen tekortkoming, en kan niet telkens weer ook tot u de vraag worden gericht: Deedt ge 't uzelven niet aan?

Voegt nu een medemensch ons dit toe, dan maakt 't maar al te licht den indruk van een verwijt. Hij die 't ons toevoegt, de brave goede man, die al zijn leed voorkwam, en gij de schuldige, die nü wel ongelukkig zijt, maar 't dan ook uzelf berokkend hebt.

Doch zóó juist is 't niet als uw God u vraagt: »Deedt ge Jt uzelven niet aan«. Als uw God u dit influistert, spreekt er zeer zeker ook Zelfrechtvaardiging van uw God in, die u gewaar-schuwd en van uw pad teruggeroepen heeft, en u zoo tdkens den beteren weg ontsloot. En dit moet, want alleen zoo uw God in zijn heihge gerechtigheid voor u schittert, kunt ge met uw God weer tot uzelf komen, en u ontworstelen aan uw eigen schuldig bestaan. Maar hoofddoel van die vraag van uw God, of ge 't uzelven niet aandèedt, is en blijft toch om u te redden. Als die vraa, g: Deedt gij 't uzelven niet aan? u door de ziel snijdt, is 't Gods hand die een ruk aan uw ziel doet, om u wakker te schudden, om u het doodelijk gevaar van uw zorgeloos voortstrompelen te doen inzien, en u te prikkelen en op te wekken, om dan nu althans met uw in zorgeloosheid zoo zondig leven te breken, uzelven aan te grijpen, de stem van pHcht en roeping tot in 't verborgenste van uw ziel te doen doordringen, en u klaarder dan ooit te doen inzien, hoe in al dat «verzuim, in al die slordigheid van doen, in al dit toegeven aan uw zwakheden, in al dat laten drijven van uw scheepken op de levenszee, zonder dat ge met vaste hand het roer grijpt, niet maar onverschilligheid maar wel degelijk schtdd en sottde school, en dat ge op uw knieën de kracht hebt af te bidden, om u aan die zelfvernieling van uw leven te ontworstelen.

Deedt gij 't uzelf niet aan? vraagt uw God, en fluistert 't u daarna met zoo heerlijke liefde toe: »Doe 't niet meer!* u met die vraag tevens de belofte schenkend, dat Hij, uw God, uw helper zal zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 juni 1914

De Heraut | 4 Pagina's

„Doet gij dit niet u zelden”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 juni 1914

De Heraut | 4 Pagina's