„Onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren”.
En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken. Handelingen 7 : 22.
Mozes was de leider van zijn volk, en aan die leiding dankte Israel zijn toekomst.
Nu moet wie onder menschen leiden zal, zelf geleid worden door zijn God. En bij Mozes zien we dan ook, hoe de God zijner vaderen hem tweeërlei leiding toe liet komen, de ééne in den weg der Gemeene Gratie^ de andere langs het heilig pad der Bijzondere Openbaring.
Van die Bijzondere Openbaring staat nog in de Schrift gemeld, dat het was of Jehovah met Mozes sprak van aangezicht tot aangezicht. Doch ook . van die Gemeene Gratie blijkt duidelijk, dat God ze hem deed toekomen.
Niet bij Israel, maar bij de geleerden, de regeerders en de priesters van Egypte was destijds de aardsche ivijsheid te vinden, en nu heeft niet Mozes zelf die Egyptische kennis gezocht, en niet Mozes' ouders hebben hem bij de Egyptenaren ter school gezonden, maar door zeer in 't oog loopende beschikking heeft God de Heere 't zoo geleid, dat Mozes vanzelf in die school terecht kwam.
Als jong wicht van enkele maanden dobberde Mozes in 't kistje tusschen de biezen in de Nijl. De Princes werd geleid, zoodat ze het kistje zag. Uit dat kistje kwam het kindeke Mozes in het Vorstelijk Paleis. En, in dat Paleis opgegroeid, ontving het een vorstelijke opvoeding, en kwam zoo op de beste school die Egypteland bezat. Vandaar dat Stefanus van den grondlegger van zijn Volksbestaan roemen kon, dat hij > onderv(rezen was in alle wijsheid der Egyptenaren €.
Nu droeg die op Egypte's scholen te leeren wijsheid een scherp-geteekend karakter. Onder priesterlijk beheer staande, deden ze wat ze konden, om macht te geven over de natuur. Uit wat nu nog van 't oude Egypte over is, blijkt, dat ze op die scholen natuurkunde, wiskunde, scheikunde, geneeskunde, en daarbij Magie, sterrekunde en staatkunde beoefenden.
Al is 't dan ook, dat de Heere later zelf door Mozes voor Israel de Wet proclameerde, en hem als van stap tot stap leidde, toch heeft de Heere 't zoo gewild en zoo beschikt, dat Mozes ook in de gemeene kennis van de dingen dezer wereld zou zijn ingeleid, om, door die vrucht van de Gemeene Gratie gesterkt, te beter leider voor zijn volk te kunnen zijn.
Iets waarbij we er voor alle dingen op te letten hebben, dat het God zelf was, die deze kennis en die wijsheid aan de Egyptenaren toebe schikte, en dat hierom aan Gods volk van alle eeuwen de roeping toekomt, om zeer zeker in de eerste plaats het Hooger licht te zoeken, dat ons van Boven en uit de Schrift toestraalt, maar om ten andere ook op de kennisse der Gemeene Gratie ons te werpen, en ook in de wijsheid der aardsche dingen ons te volmaken.
Te meer dient daarom op dit stuk uit Mozes' leven gelet, omdat er alle eeuwen door bij Gods volk soms een sterk uitkomende neiging bestond, om de school der Gemeene Gratie te verzaken. Het is oorzaak van Israels lijden, al de eeuwen door van zijn vrijer volksbestaan, geweest. Zelfs .om den Tempel op Sion te bouwen, moesten de Architecten uit het heidensche Tyrus geroepen worden. Toen Israël uit Egypte toog, bezat 't althans in Bezaleël en Aholiab twee in Egypte onderwezen mannen, die, door Jehova beglansd, den Tabernakel konden scheppen; maar onder Salomo was in zake de bouwkunde de kennisse derwijs vervallen, dat Heidenen Gods Tempel op Sion moesten optrekken. Van allen kant merkt men dan ook, dat bij Griekenland en Rome, ja, zelfs bij Egypte en Babyion gezien, het volk van Israël in de kennisse der aardsche dingen steeds achter stond, en dat juist hierdoor Israels invloed op de volken lang zoo luttel bleef.
En zoo was het volstrekt niet alleen met het volk van God gesteld in de dagen der Richteren en van de eerste Koningen. Ook toen de Christelijke Kerk de wereld inging, hebben de vromen van geest maar al te zeer zich in mystieke bepeinzingen teruggetrokken, en de kennis der aardsche dingen aan de lieden der wereld overgelaten. Kort na de Reformatie liep 't niet anders. Ook in ons eigen land bleek 't al spoedig evenzoo te gaan. Niet onder de eerste Calvinisten. Die waren op elke markt van 't leven thuis, en huwden op schit terende wijze het licht der Bijzondere Openbaring met de kennisse die de Gemeene Gratie hun bracht. Maar toen het Calvinisme zonk, trok het vrome volk ook hier te lande zich in zijn tenten terug. Nog lang waren onze theologen trouwe belijders, maar reeds na enkele tientallen van jaren was onder onze rechtsgeleerden, natuurkundigen en medici een stoer-vrome belijder reeds een witte raaf geworden. Al spoedig liet 't vrome volk alle aardsche kennis aan de onverschilUgen over. Aan de Bijzondere Openbaring klemde men zich met bei zijn handen vast, maar de Gemeene Gratie boette de liefde van Gods volk maar al te spoedig in.
Dat dit thans keerde, stemt tot dank.
Thans immers gaat er onder het vrome volk een licht over op, hoe juist het meester-zijn ook op het erf der Gemeene gratie Gods volk bekwaamt, om de zaak van Gods Koninkrijk te doen bloeien. Aan de school vooral hebben we dit geleerd. Slap-mystiek hadden we ook de volksschool aan de leiders der wereld overgelaten. Gevolg hiervan was, dat ook .onze eigen jeugd van Gods wegen afdoolde. Dat is toen bekend en beleden. Zelf hebben we ons toen weer op dit schoolgeding der Gemeene gratie geworpen. En reeds na veertig jaar wordt de vrucht van dezen terugkeer tot plichtsbetrachting ingeoogst. Tot zelfs een Universiteit op beslisten grondslag is verrezen.
Doch hierbij blijve het dan ook niet.
Ieder onzer moet steeds weer van 't besef doordrongen worden, dat hij niet maar eeii leven des gebeds heeft te leiden, maar dat ook een ieder, in zijn vak en ambt, heeft te wedijveren met de niet-geloovigen, om ook op het stuk van de Gemeene Gratie niet achter te blijven, maar, kon het, anderen er in voor te gaan. Voor te gaan in elk ambt, in elk ambacht, in alle handelszaak, in elk bedrijf, zoodat 't klaarlijk voor de wereld uitkomt, hoe de werking des Geestes in ons hart, ook onze vindingrijkheid verhoogt, onze kracht staalt, ons inzicht verheldert, en ons verkeer in 't volle burgerleven verrijken kan.
Nog zoover ligt de tijd niet achter ons, dat dit, helaas, veelal juist andersom was. Vaak was 't in ambt en ambacht, in bedrijf en beroep, tobben en sukkelen, allengs achteruitgaan en bezwijken. En dat praatte men dan goed door vrome gezindheden. En dit nu juist mag niet. Voor het volk des Heeren moet niet alleen de gemeenschap met den Hemel boven ons rijk zijn, maar ook ons optrekken in de maatschappij moet een veerkracht toonen, die op hooger peil staat.
Aan de school voelt ieder dit.
Zeker, een onderwijzer, die bij alle onderwijs niet als eerste doel heeft, in de jeugd het roepen van Jezus: > Laat de kinderkens tot mij komen", waar te maken, zoo hier als in Indië, verzaakt zijn Heiland, en is misplaatst in onzen kring. Maar even waar is het, dat ook de maatschappelijke vorming van de jeugd op onze Christelijke scholen, niet alleen in niets bij wat de neutrale scholen geven, mag achterstaan, maar ze zoo mogelijk ook hierin moet overtreffen.
Daar legt ons Christelijk schoolwezen zich dan ook steeds meer op toe, en de dag nadert, waarop we onze hoogste eerepositie ook ten deze zullen bereikt hebben.
Maar wat alzoo op onze scholen reeds komt, moet almeer heel ons leven gaan beheerschen. Er mag tenslotte onder ons niet één op den voorgrond treden, die niet naar den eisch van onze dagen in de wijsheid der Egyptenaren onderwezen is.
Onze huismoeders moeten huishoudelijk, en wat de opvoeding der jeugd betreft, niet alleen stille bidsters zijn, maar ook eerste-klas bestuursters van haar huiselijk leven.
Onze arbeiders moeten in hun ambacht en beroep, in kennis, vlijt en toewijding bij geen hunner medearbeiders achterstaan.
In ambt, beroep en bedrijf moet men zijn God danken kunnen, niet alleen voor zijn genade in ons zielsleven, maar ook voor de macht die Hij ter onzer beschikking stelt in het publieke leven en in de maatschappelijke gisting.
We moeten • niet maar bidden, ... en voorts meedoen. Veeleer moet 't gebed zich in heel ons leven met 't anderen voorgaan verbinden. Rijk in de Bijzondere genade, maar juist daardoor ook te rijker in de Gemeene gratie, is de roepstem, die ons van Mozes in het Oude, en van Paulus in het Nieuwe Testament tegenkomt.
Wat stond de man van Tarsen ook als denker en schrijver, als voorganger en leider der schare niet hoog.
Men ziet 't ook in den nu uitgebroken oorlog. Bidden voor het vaderland is uitnemend. Wee hem, die 't gebed verzaakt. Maar juist het gebed moet ons zoo bewegen en sterken, dat we ons voor het vaderland geven. Tot zelfs in de techniek van de krijgskunst mag geen officier die God belijdt, ook maar een haarbreed bij den veldoverste die God verzaakt, achter staan
Vraag 't maar aan een Gustaaf Adolf, vraag het aan Cromwell, vraag 't aan Prins Maurits van Oranje.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 27 september 1914
De Heraut | 4 Pagina's