Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Ik dank u, Heere. dat Gij toornig op mij geweest zijt”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Ik dank u, Heere. dat Gij toornig op mij geweest zijt”.

7 minuten leestijd

En te dienzelve dage zult gij zeggen: Ik dank U, HEERE, dat Gij toornig op mij geweest zijt; maar uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij. Jesaia 12 : 1.

Ook nu weer is het de toorn Gods, die over ons zoo hoog staand werelddeel is uitgegaan.

Europa is het door God verkoren ert geweest, dat Hij gezegend heeft met den Heiligen Doop. Amerika daagde eerst later op, maar meer dan duizend Jaren lang was Europa, vooral na het opkomen van den Islam, het eenige stuk van onze wereld dat gekerstend en door het Evangelie gezegend, hoog boven Azië en Afrika uitstak, beiden beheerschte, en al was het zelf in omvang en bevolking verrreweg de kleinste van de drie, schier geheel de wereld aan zich onderwierp.

Schier alle hooger menschelijk leven is in Europa tot ontplooiing gekomen. Niet alleen wat religie en zede, maar ook wat kunst en wetenschap in zich sluit, scheen ten leste aan Europa, en aan Europa alleen, als erfgoed toebeschikt.

Op de wereldkaart klein in afmeting, was Europa dat stuk der wereld, waar het eigenlijke menschelijk leven tot rijke ontwikkeling kwam. Heel de historie der laatste tien eeuwen bewees het, dat het Christelijk Europa een privilege genoot, dat van Godswege aan de andere twee oudste werelddeelen ontzegd was. Zelfs Amerika ontving zijn hooge gaven schier in elk opzicht uit den door God aan Europa toebedeelden levensschat.

Kan nu gezegd, dat Europa in dankbare aanbidding getoond heeft, dien van God ontvangen schat Hem ter eere aan te wenden en te verrijken? En nauwelijks komt die vraag te berde, of ieder voelt en tast, hoe Europa steeds meer in het zich kwijten van dezen heiligen plicht te kort schoot. Hoe zonk niet de heilige bezieling in! Wat brak niet afval van den Christus naar allen kant uit! Hoe nam zedebederf en volksverpesting niet hand over hand toe! En hoe pijnlijk deed 't niet aan, te zien, hoe aldoor in 't Christelijk werelddeel de kudde die trouw bleef staan, meer inkromp, en hoe er zelfs in dien kring van getrouwen onbroederlijke verdeeldheid uitbrak. In Azië begon een nieuw leven te ritselen, in Europa ging het geestelijk leven sneller dan men ooit voor mogelijk had gehouden, achteruit. Uit Azië werd de Theosophie als hoogste wijdheid ingehaald. Alles mocht tieren, alles mocht bloeien, alleen maar één ding begon steeds meer vast te staan: Europa zou zienderoogen het Koningschap van den Christus afzweren, en zou terugvallen in wat Azië altoos buiten Palestina, eerst groot had gemaakt, maar in 't eind had doen verkalken.

Reeds in 't laatst van de 18e eeuw had dit bederf van het Europeesche leven gedreigd, maar toen had de Heere Napoleon als geessel ter bestraffing gezonden, en was 't bederf voor een wijle gestuit, en had weer hooger leven van allen kant gevonkt. Maar die zelfverbetering hield geen stand. Weer daalde Europa af. Veel erger nog dan in Napoleon's dagen. En nu is 't nogmaals tot een brand onder de volken van Europa gekomen. Het bloed vloeit, ja stroomt weer. Alle verkeer is bedreigd. Tieren kan op niet één punt 't leven meer. Wie nog met den Almachtige rekent, voelt 't weer op alle manier, dat de toorn Gods ten tweeden male over Europa is uitgegaan.

Vandaar de vraag: Zal nu ook Europa straks als een Jesaja het op de knieën voor zijn God belijden: Ik dank U, Heere, dat Gij toornig over ons gnueest zijt.

Na de Europeesche zelfverwoesting in NapO' leons-dagen is zulks beleden, is voor de ondervonden tuchtiging gedankt. Dichters dankten voor den toorn Gods die ons tot bezinning had gebracht. Wie kon redevoeren betoogde het in machtige taal, wat genade, wat zegen, wat redding ons in die uitgieting van Gods toorn overkomen was. In de dagen zijns heiligen toorns had God ons van onszelf afgebracht, en weer een lichtstraal uit den Hooge, door de wolken heen, op aarde doen nederdalen.

Dat danken voor 't ondervonden leed, waarin Gods toorn gevoeld en bekend werd, komt in vrome kringen van ouds keer op keer voor.

Hoe velen zijn er niet, die na herstel uiteen krankheid, die met den dood bedreigde, gevoeld hebben, dat die ernstige ingrijping in het leven hun ten zegen was geweest, hen van veel loszinnigheid had bevrijd, hen tot schuldbesef en schuldkennis en schuldbelijdenis had gebracht, en straks weer een tweede leven deed ingaan, nader bij hun God, ernstiger in opvatting, en met een. bede om Gods Koninkrijk.

Schier geen ernstige tegenslag in het leven kan ons overkomen, of, als de ramp die trof, weer voorbij ging, en het onweder dat losbarstte, weer aftrok, voelde wie 't leed, zich geestelijk gesterkt, schier weenend over eigen schuld en afval, «n niets anders begeerend, dan om te breken met dat nu geoordeeld verleden, en onder den vleugelslag der engelen alsnu een heiliger, een engelenleven tegen te gaan.

Ook nu nog wordt zoo vaak in wie bijna bezweek, maar weer opleefde, de profetie van Jesaja vervuld: »Te dien dage zult gij zeggen: Ik dank u lïeeré, dat Gij toornig op mij geweest zijt; maar nu is uw toorn afgekeerd, en Gij troost mij."

Deze zielsuiting na het ondergaan van bitter leed, en daarna het danken voor Gods toorn, is een der rijkste zedelijke machten die in ons persoonlijk leven ons over ons-zelf doen triomfeeren. Maar al te lang bewogen we ons in een weg die van God afging. Een tijdlang liet God dat toe, en hier genoot ons zondig hart in. Tot eindelijk God de Heere ons stuitte en terugwierp, ons met nood en dreiging van dood, met tegenslag en leed als overstelpte. En dan voelden we ons opeens verstomd. Bitterheid tegen Gods bestel was soms aan ons gemoed niet vreemd.

Toen baden we, veel gebeds zelfs kwam over onze lippen, om toch 't leed weer van ons af te wenden. Maar God verhoorde die bede niet. Hij ging door in zijn heiligen toorn, tot we volstrekt verootmoedigd ons aan zijn genade overgaven. En als dan eindelijk de redding kwam, en onze levenskracht weer opleefde, dan dankten en dan jubelden we niet alleen voor de afwending van onzen jammer, maar bekenden het voor onszelf, bekenden het voor vrienden, en bekenden 't ten slotte voor onzen God, dat wat ons overkwam, ons ten zegen was geweest, dat Gods toorn een genadedaad bleek, en dat we van achteren het als een niet te vergoeden verlies schier zouden betreurd hebben, zoo God ons niet in den weg van zijn toom was tegengekomen.

Juist in zijn toorn toonde onze Vader die in de hemelen is, zijn trouwe liefde voor zijn kind, en nu knielde van achteren zijn kind neder om er voor te danken.

En juist zooals 't in 't particuliere leven van den enkeling toegaat, zoo ook moet 't in ons volksbestaan en in 't nu zoo bitter geteisterd Europa worden.

Als God de volken niet in zijn toorn was tegengekomen, ze zouden steeds verder afgedoold zijn, en 't ^^derf van 't ongeloof zou in wrderf zijn overgegaan.

Europa heeft Gods eer en majesteit aangetast op alle manier. God had ons werelddeel op alk manier verrijkt en gezegend. In geen vroeger eeuw was ooit een welstand en welvaart aan de volken geschonken, als nu aller deel wierd. Maar helaas, eenige vrucht dier voorheen ongekende zegeningen was, dat de afval steeds verder voortschreed, de Christus achteruitgedrongen, zinlijkheid en wild genot boven alles verkoren werd, en de mensch sterk door wat zijn God hem verleende, zijn God nu weer vergat, verloochende en hoonen dorst.

Voor twee mogelijkheden werden we hier dus geplaatst.

God de Heere had Europa in dien boozen gang met nog sneller tred kunnen doen voortschrijden, tot het onderging gelijk eens in Azië het leven verdorven werd. Of ook God de Heere kon in heiligen toorn over het Europa dat Hem vergat en hoonde, in toorne uitbreken, en het slaan, tot het kermde van wee en vreeze.

Had God ons laten begaan en geworden, zoo waren we verloren geweest. Nu Hij ons sloeg en slaat, betoont Hij ons een verbeurde genade, om ons van 't verderf te redden.

En daarom, ge moogt zeer zeker bidden om afwending van Gods toorn, maar niet dan na eerst voor dien toorn uw God gedankt te hebben.

Juist daarin dat Hij toornig over ons werd, sprak zijn zegenende ontferming.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 oktober 1914

De Heraut | 4 Pagina's

„Ik dank u, Heere. dat Gij toornig op mij geweest zijt”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 oktober 1914

De Heraut | 4 Pagina's