Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

12 minuten leestijd

In de Waarheidsvriend wordt in een reeks artikelen, degelijk van inhoud, in historischen trant de vraag te berde gebracht, of de Kerk onzer vaderen al dan niet een Gereformeerde kerk was en of de Ned. Herv. Kerk op gelijken eeretitel aanspraak kan maken.

Het tweede uit die artikelen nemen we hier over, vooral om te doen zien, hoe verre zelfs mannen als Heringa en V. d. Palm waren afgedoold.

Onze Ned. Herv. Kerk liceft dus van ouds een presbyteriale-kerkregeering gehad, zooals uit de oude kerke-ordeningen en de Dordtschc van 1619 ten duidelijkste blijkt.

In dit Presbyteriale systeem komen 3 hoofdkenmerken uit:

Ie. dat de plaatselijke kerk uitgangspunt voor alle kerkregeering is:

2e. dat de plaatselijke kerken verbonden worden in classes en synodale landskerk:

3e. dat de benoeming van ouderlingen en diakenen het leckenelement naar voren brengt en alzoo het Clericalisme den krv indrukt.

Waarbij al. 4de kenmerk moet worden genoemd — hoewel dit vroeger door allerlei omstandigheid nooit recht is uitgekomen — dat het kerkelijk gezag, zonder zich het minste gezag aan te matigen over den Staat, zich volkomen zelfstandig tegenover de Overheid poneert.

Nu is er van die presbyteriale Kerkregeering — waarbg de hoeksteen is de plaatselijke gemeente — sinds 1816 niet veel overgebleven.

We willen de geschiedenis van 1816 even nagaan. Maar we moeten dan eerst zien, wat er sedert de omwenteling in 1794 alzoo gebeurd is. Ondanks den vorm van Kerkregeering, waarbij veel zorg besteed werd aan de handhaving der Hervormde leer, vervat in de drie Formulieren van Eenigheid, waren vooral sinds 1795 binnen de muren der kerk de ongeloofstheorieën, uit Duitschland on Frankrijk overwaaiend, ingedronken als water.

't Cfing hoe langer hoemeer tegen de waarheid der Schrift, om de leer der verdorvenheid des menschen en de verzoening der zonden door het plaatsbekletdend lijden en sterven van Christus, tegen te spreken. Waarbij ook losgerafeld werd de band, dien God tusschen Oranje en Nederland had gelegd van ouds. De verdraagzaamheid was allengs zeer machtig geworden in de kerk, en mocht al eens ccnige Classis of Synode een predikant ter verantwoording roepen wegens verguiiing van de geloofswaarheden, in de Schrift vervat en in onze belijdenisschriften nader uiteengezet, onder voorensel van geen rustverstorend kettermaken te edoogen, dan stuitten de Heeren Staten verdere vervolging.

Men beroemde zich openlijk de heiligste waareid te durven aanvallen en loochenen!

Daarmede ging gepaard miskenning van de egeningen, welke God door het Huis van Oranje ad gegeven.

Op 18 Januari 1795 verliet de Oranjevorst het and. Zijn afscheidswoord was:

«... deze vernedering heb ik, als mensch, dubbel erdiend, doch .liet in de waarneming mijner osten. Dwaalde ik soms, ik deed het ter goeder rouw, opzettelijk benadeelde ik nooit zelfs mijn ittersten vijand. De ware bron onzer ongelukken igt niet irt de onverantwoordelijke handelwijs van oovele Nederlanders, of in de kwade trouw der ondgenooten, maar in de nationale zonden en ngerechtigheden. God heeft een twist met Nederand en toont het in de mislukking van alle ogingen, en ook nu door den feilen vorst, die de ateren tot een gebaanden weg maakt. Wie za! prichten, als God terneer werpt? »

De Prins zeidc niet te veel; de zonden waren ationaa. Schier ongeloofelijk is het, hoe blijde de heorieën der Fransche revolutie hier te lande a: ls et licht van een blijden dag na lagen donkeren acht werden begroet. En mannen als Jodocus eringa, hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Utrecht en J. H. van der Palm, ook later hoogecraar in de Godgeleerdheid te Leiden, stonden daarbij in de voorsie f^elederen!

Tot bewijs diene het volgende: Voor de geheele rovincie Utrecht werd voor Zondag 8 Maart 1795 18 Januari was Prins Willem V naar Engeland cheep gegaan) een biddagsbrief uitgeschreven, elke uit de pen van Prof. Heringa vloeide. Het pschrift is: Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap. Het begin luidt: «Geliefde Broeders en Zusters! Was er ooit een Tijdperk, waarin het scheen zich te moeten beslissen of ons Vaderland voor altijd n den grond bedorven, dan of het uit zijnen hachgelijken toestand gered zoude worden, 't was at der jongst verloopen dagen. Het waren nu zeven Jaren, dat de stem van een Vrijheid-zoekend Volk, die zich met kracht-tegen deszelfs onderdrukkers had verheft, was gesmoord; zeven jaren, dat de pogingen van eerlijke en kloekmoedige Vaderlanders tot herstelling onzer vervallen zaken, door verraderlijk geweld waren te leur gesteld, en met beroovi g van goederen, met verbanning en veler'ei hoon en smaad vergolden. De Heerschzucht van het Oranjehuis en deszelfs aanhang, ondersteund door buitenlandsche Hulp, had zich opnieuw zoo vast gevestigd, dat ze zich zelve en hare Begunstigers en vleiers toescheen, niet anders dan met den val der wereld te zullen wankelen."

Na deze lasterlijke woorden tegen de Oranjevorsten — hen noemende «onderdrukkers" en vo «heerschzucht" zijnde — ging de hoogleeraar in de godgeleerheid dan voort om God te danken op deze wijze:

«In zulk eenen uiterst haehgelijken toestand wierd ons Lot beslist door de Almachtige Hand van den ontfermenden Hemelschen Vader. De Hand, die anders onze wateren tot een onverwinlijk Bolwerk voor Nederland maakte, gebruikte nu diezelfde wateren, om alle verdediging van Nederlandschen grond onmogelijk te maken. De Hand, die het stroomend water van rivieren en inundatiën, door een zonderling strenge en langdurige vorst tot een effen baan vloerde, leidde er de Fransche Krijgsmacht onbeschadigd over, en dreef hunne verbaasde tegenstanders vluchtende voor hun uit. Dit is van den Heere geschied en het is wonderlijk in onze oogen.

„Dit alles verdient onze eerbiedige en oprechtste dankzegging aan onzen liefderijken God en Vader en aan onzen barmhartigen Zaligmaker Jezus Christus, om en door Wien zooveel heil geschonken wordt aan etn volk, dat verplicht is, met schaamte te erkennen, hoe het, door lallooze zonden enverkeerdheden en vooral door zijne onvruchtbaarheid onder al de zegeningen van het Evangelie, zich dat alles bestendig onwaardig maakt«.

Zoo werd gedankt, dat Nederland verlost was van Oranje en gedankt, dat de Franschen waren gekomen.

En J. H. van der Palm sprak in de Oostkerk te Middelburg op het feest der alliantie tusschen de Fransche en Nederlandsche Republieken: »Wij zijn vrij, want wij kennen geen trotsche gebieders meer; wij kennen geen gezag dan 't geen uit onzen boezem is ontleend; geen wet dan het algemeen belang . . . zij bestaan niet meer, die dwaze onderscheidingen, die gehate rangen om den troon des gewelds te onderschragen . . . wij zijn vrij, want zij zijn gelijk! de waardij, de eer der menschelijkheid is weer hersteld en gewroken: wij zijn allen burgers, allen broeders!'

De Almachtige gebood de elementen en zij gehoorzaamden, de wateren vloeiden niet meer, zij verstijfden tot ijs en werden een gebaande weg, waarlangs onze verlossers en de overwinnaars der tirannen, tot in het hart onzes Vaderlands doordrongen enz.«

Waarbij de dankzegging aan het slot der toespraak aldus luidde:

»Aan U zijn wij onze vrijheid verschuldigd! Gij hebt de wapenen onzer verlossers gezegend! Gij hebt door uwe almacht hun den toegang tot ons gebaand! . . . Wij doen U hulde als onzen eersten en grooten Verlosser; ontvang den lof en dank onzer harten, o Gij die in den hemel woont! enz.»

Is het niet allerverschrikkelijkst, te lezen hoe verblind men was in cie dagen ?

En we kunnen er veilig op gaan: zooals het volk was, was de kerk; zooals de kerk v, as, was het volk!

De waarheid Gods werd geloochend. De tucht des Woords werd veracht. De prediking werd gebruikt tot verspreiding van de beginselen der revolutie.

Maar de Heere was bezig om voor volk en kerk een beker vol bitterheid te vullen. O! wat zou spoedig een vreeselijke ontnuchtering komen.

l'oorrechten tot hiertoe door de Gereformeerde kerken genoten, werden haar voor goed ontnomen; hare dienaren leden in dezen tijd groot gebrek ; hare kerkgebouwen werden door het gepeupel niet ontzien; onderscheidene predikantspiaatsen werden opgeheven; haxe fondsen en goederen werden nationaal verklaard ; onderscheidene kerkgebouwen en pastorieën moest zij aan de Roomschen afstaan; een eed werd gevorderd van de predikanjen, wilden ze niet ontzet worden waarbij zij zich hadden te verbinüen aan de bestaande regeering, en dank-en bedcdagen werden uitgeschreven, waarbij wel het scherpst gevoeld werd, wat weleer van God als een zegen was afgebeden. In het eerste jaar der zoogenaamde Bataafsche Vrijheid, 1795, stormde het gepeupel menig kerkgebouw binnen, voorzien van beitel en houweel, en onder de leus van »gelykheidt werden van de kerkbanken der Overheid de versierselen afgeslagen, de geslachtswapens der adelijke familiën werden van de grafzerken afgebeiteld, in Leeuwarden ontzag men zich niet, zelfs dengrafkelder van de Stadhouderlijke familie te schenden. Wat veranderingen alzoo in het midden van het volk en van de kerk!

En in 1796 werd het beginsel v^n Scheiding van Kerk en Staat uitgesproken, waardoor de kerk de voorrechten verloor, welke zij tot nu toe had genoten.

Deze voorrechten waren, dat zij tot dien tijd door de Overheid was gehandhaafd en beschermd; de leden der Hervormde Kerk waren uitsluitend bevoegd tot bediening van ambten in den Staat; zij had vijf hoogescholen; in de scholen en liefdegestichten van den Staat werd geene Roomsche, Luthersche, Doopsgezinde of Remonstrantsche leer, maar alleen hare leer toe gelaten; alleen hare leeraren traden op ten dienste der Overheid, bij bijzondere gelegenheden b.v. bij het openen van eene hooge raadsvergadering, bij kapitale rechtspleging en op den uitgeschreven biddag.

Al deze voorrechten verloor zij.

In het genoemde jaar 1796 werd vastgesteld, dat voortaan niet alleen geene bevoorrechte en heerschende Kerk, kan of zal geduld worden, maar dat alle resolution en plakkaten der gewezene Staten-Generaal uit het oude stelsel der vereeniging van Kerk en Staat geboren, zullen worden gehouden voor vernietigd.

In 1798 werd door de Staatregeling dit beginsel van scheiding zóo toegepast, dat alle godsdiensten bij den Staat gelijk zijn, en dat geene burgerlijke voor-of nadeelen meer verbonden z uden zijn aan de belijdenis van eenige Kerkelijke leer; dat elk Kerkgenootschap door den Staat beschermd, voor zijne eigene belangen had te zorgen en in eigene behoeften had te voorzien, en dat alle rechten, ook g die van patronaat en collatie (een recht dat sommige familiën hadden bij beroeping van een predikant) voor altijd zullen zijn vernietigd.

Voorts werden de kerkelijke goederen en fondsen nationaal verklaard om tot een vast fonds voor opvoeding en armverzorging aangelegd te worden.

Kerkgebouwen en pastoriën, behoorende tot de Gereformeerde Kerk, moesten gelijkmatig naar het zielen-aantal verdeeld worden onder de bestaande gezindten. Ook zouden na 3 jaren de traktementen, benevens kinder-en akademiegelden, niet meer worden uitbetaald. Nu geen handopening meer, noch approbatie bij beroepingen; geene theologische Faculteit meer zou er zijn aan 's lands hoogeschool; geen toezicht van Overheidswege op het houden van kerkelijke vergaderingen, geene openbare scholen meer waar de Kerkleer werd onderwezen. Wel werd in het algemeen eerbied aanbevolen voor een »Albestierend üpperwezen, « maar van Staatswege geen Zondagsviering of biddag-uitschrijving meer; geene wetgeving of rechtspraak meer gegrond op Gods Wet.

In dien tijd werd den predikanten gelast een eed af te leggen, waarbij zij hadden te beloven ^nimmer met woorden of daden te zullen medewerken tot herstelling van^ het vernietigd aristocratisch Stad­ m houderlijk bestuur.< t En verreweg de meeste predikanten der Herv. Kerk legden volgaarne dezen eed af. Die dien eed weigerden, werden eerst geschorst, daarna afgezet. Zoo verloor Amsterdam deswege 15 predikanten, in 180i werden zij weder als predikanten hersteld. Leiden verloor 2 predikanten. Gillissen, in 1802 hersteld en Nicolaas Schotsman, in 1801 in dienst hersteld.

Dat vooral de Roomschen jubelden bij de bepaling van de kerkgebouwen, is te begrijpen. Vooral in Noord-Brabant.

Zoo was het tot 1801.

De Gereformeerde kerk had, tot blijdschap van al hare vijanden, vroegere re(; hten verloren.

Maar in 1801 kwamen er weer mildere bepalingen tot stand. Zoo werd o. a. bepaald, dat aan alle hoogleeraren en predikanten voortdurende uitbetaling hunner traktementen zou geschieden; ook de theologische faculteiten bleven in stand. Onder den Raadpensionaris Schimmelpenninck werden de belangen der Kerk beter behartigd. Onder Lodewijk Napoleon werden alle Kerkgenootschappen verbonden en onderworpen aan de Regeering, en l daarmee had ook de Gereformeerde Kerk het recht van zelfbestuur verloren. Koning Lodewijk maakte van het recht gebruik om aan de Hervormde Kerk een nieuwen vorm van bestuur te geven.

Een Commissie, bestaande uit kerkelijke en niet-kerkelijke personen, heeft toen gereed gemaakt en ter goedkeuring aan den Koning overhandigd een: Concept-Reglement op de organisatie van het Hervormde kerkgenootscliap in het Koninkrijk Holland. Het Reglement was gereed en stond in werking te treden, toen door de inlijving van Holland bij Frankrijk en het vertrek van Koning Lodewijk alles verviel.

Onder zijn regeering waren intusschcn vijftig predikantsplaatsen opgeheven.

De oude vorm van bestuur der Kerk was dus •log gebleven; doch de dassen alleen vergaderden nog.

Het zwaarst drukte het bestuur van Keizer Napoleon op de Kerk. Het gevaar dreigde, dat alles zou ingericht worden naar de bepalingen, welke voor Frankrijk golden.

Alweder werd een Reglement ter organisatie der Kerk ontworpen.

Waren reeds ten tijde van Koning Lodewijk 50 predikantsplaatsen opgeheven, bij de invoering van dit Reglement zouden nog 300 predikantsplaatsen verdwijnen.

Er was sprake van reizende predikanten, die nu en dan kleinere gemeenten zouden te bedienen hebben. Ook was de toeleg om de Remonstranten met de Hervormden te vereenigen.

Onderscheidene kerkgebouwen in de groote steden zouden aan de Roomschen moeten worden afgestaan.

Hetgeen de Kerk had gezaaid, had zij gemaaid.

Maar de Heere is haar nog genadig geweest.

Napoleon viel. Oranje kwam terug.

En Ds. Schotsman mocht in Nov. 1814 in de Pieterskerk te Leiden, sprekende naar aanleiding van 2 Kron. 17 : 16, uitroepen: God zij geloofd ! Onze beproeving is geëindigd, onze gebeden zijn verhoord. Wij zien ons Vaderland verlost, Nederland in Nederland herboren, onzen beminden Josafat op den troon, het geliefd Oranjehuis in ons midden en U, o jonge vorst (Willem Frederik Carel) binnen Leidens muren."

Nu kon de Kerk weer vrijer ademhalen.

De vorm van bestaur was tot dusverre nog niet veranderd.

Oranje zou zich over haar ontfermen.

Maar hoe ?

Dat zullen we verder zien.

Zulke historische herinneringen zijn zoo nuttig. Vooral op de details komt 't hier aan. En juist die bijzonderheden zijn door de meesten sinds lang vergeten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 oktober 1914

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 oktober 1914

De Heraut | 4 Pagina's