Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Wij zijnheeren, wij zullen niet meer tot U komen” EN „Zie hier zijn wij, wij komen tot U”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Wij zijnheeren, wij zullen niet meer tot U komen” EN „Zie hier zijn wij, wij komen tot U”.

8 minuten leestijd

o geslacht, aanmerkt toch gijlieden des HEEREN woord. Ben Ik Israel eene woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? Waarom zegt dan mijn volk; Wij zijn heeren, wij zullen niet meer tot U komen? Jeremia 2 : 31. Keert weder, gij afkeerige kinderen; Ik zal uwe afkeeringen genezen. Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HEERE onze God. Jeremia 3 : 22.

Aangrijpend, en tot in den wortel van het zieleleven indringend, is de scherpe tegenstelling, die in dit tweeerlei zeggen van Israel tot uiting komt.

Toen de voorspoed nog aanhield en weelde in 't volksleven genoten werd, riep het volk van Israel tot zijn God: «Wij zijn heeren^ zelf meester van onzen toestand, wij hebben geen God van nood e, en daarom passen wij er voor, en zullen we niet meer komen om U te dienen en te aanbidden."

Maar toen 't geluk keerde, en ramp na ramp over het volk losbrak, toen keerde die booze gemoedsstemming geheel, en nu riep datzelfde volk zoo geheel anders: »Zie, hier zijn we, wij kómen tot ü, om U te dienen, want Gij zijt onze Heere en onze God."

Tusschen die twee polen bewoog zich ook nu weer het leven der volkeren.

Er mag verschil geweest zijn, en de afdoling van God den Heere onder de lieden van't ééne volk verder gegaan zijn, dan vooral onder de hoogere klasse van het andere volk, maar een feit was en bleef het, dat in alle land van Europa de dienaren Gods die Hem trouw bleven, een klein kuddeke waren, en dat de overgroote meerderheid halflachend Gods heiligen tempel voorbij ging. Zoo was het onder de mannen der wetenschap, die het fundament der Heilige Schrift loswrikten, onder de kunstenaars, die de kunst verzinlijkten, onder de Staatslieden die van geen God in het Staatsrecht meer weten wilden, onder de kooplieden der aarde die den levenden God voor Mammon hadden uitgeruild, onder de vrouwen die zich aan opschik en ijdelheid verzondigden, en onder de gemeene lieden die zich organiseerden om een wereld zonder God op te bouwen. Op alle terrein en in eiken kring des levens was het altoos weer: Wij zijn heeren^ we zijn onze eigen heer en meester, en de tijd is lang voorbij, dat we nog, als onze vaderen van ouds. God dienen. God aanbidden en voor Hem leven zouden. Van God mocht geen sprake meer zijn. De mensch zelf was nu heer en meester van eigen lot geworden.

Juister en klaarder dan hier bij Jeremia kon dit niet worden uitgedrukt. Of men nog aan zekere mystiek wilde vasthouden en theosopheeren, moest men zelf weten, maar van het erkennen van een God die in a les over ons te zeggen had^ wien we onderwerping en gehoorzaamheid schuldig waren en dien we eeren en aanbidden moeten, mocht in het moderne leven niets ineer inkomen. We hadden geen Heer meer boven ons. We waren nu zelve de heeren over geheel ons bestaan geworden. En als dan tóch nög de lokstem, de roepstem uit het heiligdom uitging, om tot te'rugkeer naar Gods dienst te noöden. dan heette het ook onder ons: »We zijn onze eigen heeren en meesters, en tot U, God van ons verleden, zullen we van nu af iiiet meer komen."

Maar als dan, gelijk riu, die vergeten en afgedankte God de ontzettende openbaring van-zijn toorn en zijn misnoegen op elk terrein en in eiken kring voelbaar maakt, dan slaat dit alles op eenmaal om.

Men voelt dan zijn voorspoed zich ontglippen; de macht waarop men gesteund had, zonk in; de overmoed gaat in weemoed onder; en dan op eens staat een ieder onthutst en verlegen bij wat hij voor zijn oogen bezwijken ziet. Dat wekt dan een gewaarwording van wanhoop in het zielsbevinden, en niet allen, maar de meesten dan toch, grijpen dan naar hét riet dat hun ter redding wordt toegestoken, en als om strijd roepen ze het uit: Zie hier zijnwe^ we komen tot UI

Zoo doen niet de trotschen, niet de in hoovaardij verstijfden. De hoogen vin hart besterven het liever, dan dat ze ooit erkennen zouden, dat ze zelve geen/ii? ^r^« meer zijn, maar dat God alleen de Heere is, en da: t ook zij dus dien God als een Heer boven zich hebben. Hun trots is te demonisch van aard. Alle ootmoed lijkt hun verfoeisel, en liever sterven ze in hun ingebeelden waan, dan dat ze de knie voor God zouden buigen en belijden zullen: »Zie hier zijn we, we komen tot U, want gij zijt over ons de Heere".

Het zijn de minder sterke geesten, die in zulk een aangrijpend oogenblik, hun feilen en falen inzien, voelen hoe ze zich misrekend hebben, en nu, met gebroken gemoedsstemming, naar God terugkeeren.

Vroom staan die terugkeerenden niet. Het is de nood die ze weer bidden leerde. En zóó kunnen ze niet weer een veer van den mond blazen, of de knie verstijft weer voor het knielen, en eer men een jaar verder is, wordt het weer krek eender als 't voor den slag, die in hun leven indreunde, geweest is.

Toch is tweeërlei de vrucht.

Onder de geloovigen waren afglijders. Nog niet geheel afgegleden. Dat kan niet. Wie geheel afglijdt, is nooit een uitverkorene geweest. Maar toch ook een uitverkoren man of vrouw kan zeer ver afglijden. Dat kan hangen aan zinlijken lust, aan verkeerde familie, aan gevaarlijke vrienden, aan beroep en omgang; en zulk een afglijden van de geloovigen ging ook onder ons vaak zeer ver. Maar dezulken worden in tijden als we nu doorworstelen, dan ook van zelf wakker. Ze voelen het trekken van hun God. En niet lang, of met tranen in de oogen keeren ze weder. »Zie hier zijn we, Heere, we komen weder tot U." '

En dan is er nog een tweede groep.

Ook uitverkorenen, maar die nog niet tot bekeering waren gekomen. Die nog mee hadden gehuild met dat roepen van t Wij zijn de heeren, " en die nu worden aangegrepen, die nu doorbreken, en die nu voor 't eerst de zaligheid verstaan van het zich overgeven aan hun God.

Let er daarom op in uw omgeving, wie van de afgegledenen weer de knie buigt, en wie van de uitverkorenen weer voor 't eerst zijn God vindt. Roep zelf, en lok ze, om wie nog aarzelt door te doen buigen, en laat de beademing uwer liefde die anderen verkwikken.

Alleen maar, vat 't steeds naar de diepte van Jeremia's woord op.

Heb er geen vrede, meê, als 't er alleen om té doen is, om weer uit den nood te komen en van God huipe te ontvangen. Leg er u niet bij neer, als 't alleen te doen is om vergiffenis van zonde' en een pand voor eigen zaligheid. Overschat nimmer, wat enkel sentiment en gemoedsaandoening is.

Dat alles komt er wel bij en is heerlijk. Maar de zaak waarom 't gaat, is en blijft toch, of God er is om u bij te staan in nood, zoodat ge, is de nood voorbij, uw God weer afdankt, dan wel of gij er zijt, eeniglijk zijt, om uw God, om Hem te dienen, om Hem te aanbidden, om Hem zijn eere toe te brengen, en om in geheel uw bestaan als schepsel niet anders te willen, noch iets anders te bedenken, dan om dien God groot te maken.

Dat is het cHtieke punt, waarom de valschheid of echtheid van alle religie draait, en dat is het, wat niet beslister en niet aangrijpender kan worden uitgedrukt dan het hier bij Jeremia gedaan is.

Wat zijt ge? Heeren, voor wie alles zwichten moet, wie alles moet dienen, en voor wie ten slotte zelf God Almachtig zich heeft op te maken, om u ter wille te zijn? Of te wel, verstaat ge het, dat God Almachtig Heer over u is, dat ge niet anders dan om Hem bestaat, dat het niet de vraag is, wat er van u terecht komt, maar alleen wat uw persoon, uw leven, heel uw existentie voor uw God heeft opgeleverd. Niet of ge, als ge sterft, in de zaligheid ingaat, maar of, als de dood wenkt, uw God en zijn engelen weten, wat ge uwGod aan glorie en wederliefde hebt toegebracht.

En mag dan 't antwoord zijn, dat op het altaar voor Gods troon ook uw offerande aan zijn eer is nedergelegd, dan volgt de zaligheid van zelf, niet als het hoofddoel waarvoor ge geleefd hebt, maar als de verbeurde vrucht van genade, die uw God u heeft toebeschikt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 november 1914

De Heraut | 4 Pagina's

„Wij zijnheeren, wij zullen niet meer tot U komen” EN „Zie hier zijn wij, wij komen tot U”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 november 1914

De Heraut | 4 Pagina's