„Inwoneresse van Sion”.
Juich en zing vroolijk, gij inwoneresse van Sion, want de Heilige Israels, is groot in het midden van u. Jesaja 12 : 6.
«Inwoneres" komt veel in de Profetie voor, en doelt dan op de geheele bevolking van een stad of veste. Ook de vrouwen zijn er alzoo onder begrepen, en daarom mag «inwoneresse" hier ook opgevat, als tot de maagden en vrouwen onder 'sHeeren volk gericht. Zoo beduidt linwoneresse in Sion" ook een jonge vrouw of een vrouw van jaren die de wereld uittoog en nu geheel in Sion leeft.
Op de vrouw mag hiervoor zelfs bijzondere nadruk worden gelegd. Ook de man^ zoo hij Gods kind is, kan wel inwoner van Sion zijn, maar toch wordt de man door zijn levenstaak maar al te dikwijls naar de wereld heengeroepen. »Inwoneresse van Sion" genomen als meer bepaald doelend op de vrotiw, heeft daarom zooveel rijker zin. De vrouw kan metterdaad in dien zin inwoneres in Sion zijn, dat ze er nauwelijks de grens van overschrijdt.
Toch is de verhouding ook van de Christenvrouw tot Sion lang niet altijd, dat ze er reeds in woont.
Van de ongeloovige vrouw zwijgen we nu. Die heeft heel geen deel aan Sion en bekommert er zich niet om. Zij is inwoneresse niet van Sion, maar van de rumoerige wereld. Doch ook onder de Christenvrouwen merkt ge, wat haar verhouding tot Sion betreft, toch gedurig zeer aanmerkelijk verschil.
Ge vindt er in drieërlei categorie.
Zoo zijn er vrouwen, die nóg goeddeels in de wereld vastzitten, en met Sion alleen door haar vriendinnen zekere correspondentie onderhouden.
Er is een tweede soort van vrouwen, die nu en dan naar Sion op bezoek gaan, maar straks weer in de wereld terugkeeren.
Er is een derde soort, dat nu in den oorlogstijd in Sion een onderkomen zoekt, maar straks weer verleid en verlokt wordt, om het voor een tijd te verlaten.
En eindelijk is er een vierde soort vrouwen, die met heel heur hart in Sion zijn binnengegaan, er zich vaste woning hebben bereid, en er zich zeer rijk in voelen, metterdaad inwoneressen van Sion te mogen heeten.
Gemeenlijk is hier opschuiving. Het begint met 'taanknoopen van correspondentie. Allengs volgt op de correspondentie het onderhouden van bezoek. Gaat 't nu in heiligen zin door, dan komt 't tot een tijdelijk er verblijf houden. ' En eindelijk, met kloek besluit, zeggen ze dan hun woonplaats in wereld op, om alsnu een vaste woning in Sion zich tot haar eigen te maken.
Alleen maar, lang niet allen komen tot dit laatste. Er zijn er niet weinigen, die levenslang zich met een halve, telkens afgebroken betrekking met Sion tevreden stellen, en dan gemeenlijk eerst in haar stervensuur in Sion, al ware 't haar ter hospitaal, den laatsten adem uitblazen.
Niet hoog genoeg kan daarom het geluk worden geroemd van de jonge maagden en vrouwen, die, reeds bij den aanvang van haar eigenlijke loopbaan, uit de wereld naar Sion verhuizen mochten.
Ge gevoelt wat er in dit woord verhuizen ligt. Er komt dan allengs een sterk sprekend Ijesef op, dat men in de gemeene wereld niet meer thuishoort. Een gevoel, dat er in die wereld nog wel veel is dat aantrekt, en waarmede men zich heeft in te laten, ja waar men zelfs voor te zorgen heeft, maar dat we in die wereld toch geen home meer bezitten, gelijk de Engelsche vrouw het uitdrukt.
Ook de natuur is heerlijk, en buiten huis is veel dat ons belang kan inboezemen, maar .verre boven dat alles steekt toch de innigheid van het intieme leven uit, gelijk alleen ons thuis ons dit pleegt te vtrschafifen.
Vooral geldt dit, als ons tehuis in Sion mag zijn. In het ordinaire leven sluipt tot zelfs in ons huis zoo vaak de booze verleiding, de onmin, en het hebzuchtig en eerzuchtig egoïsme in. Maar in Sion is hiervan geen sprake meer. Wie tot Sion inkeerde, niet naaar om er te vernachten, maar om er haar woonstede in op te slaan, staat onder een hoogere bezieling, zelfs zoo ge wilt onder een hoogere macht In Sion heerscht de Heilige Geest, en wie er woont, drinkt de verkwikking van dien Geest eiken morgen en eiken avond met volle teugen in.
Ge ziet 't dan ook aan die echte vrome vrouwen, die uit Sion niet meer weg kunnen, buiten Sion niets meer wenschen, en in den bloei van Sion heel haar verdere leven doen opgaan, wat heiligende invloed op karakter en zielsuiting er van dat Sion op het innerlijke leven uitgaat.
MüOgt ge een vrouw ontmoeten, die wel waarlijke eén inwoneresse van Sion geworden is, dan ondergaat ge zelf als mensch er den zegenenden invloed van. Wel hem die zich ten echt zulk een inwoneresse van Sion mag zien toebeschoren. De passiën zijn bij zulk een inwoneresse van Sion zoo gestild. Het is of ze altijd het venster dat naar Sion daarboven uitziet, open heeft staan. Ze drinkt gedurig weer een bezieling in, die de wereld haar niet geven kon. Haar sterven past bij haar leven, haar leven bij haar sterven. En het leven in Sion hier is dan slechts voorportaal geweest voor wat in hooger sfeer haar wacht.
Juist daarom is het zoo pijnlijk, te zien hoe nog maar al te vele jonge dochters en vrouwen, die toch wel wezenlijk uit den dood in 't leven overgingen, nog altoos bleven wat Jeremianoemt: Reizigsters naar Sion die er slechts even inkeerden om te '< < ernacliten.
Ook deze kennen natuurlijk de tree< ; telijke aantrekkingskracht die. van Sion op ndar hart uitgaat. Ze. wandelen dan ook gedurig op naar Sion's poorte, en blijven niet voor de poorte staan, maar gaan er vaak in. Aan zin en smaak om de levensgeur van Sion in te drinken, scheelt 't haar niet. Ze doorleven er wel waarlijk gelukkige oogenblikken, dat ze warm-bezield bidden, uit de volle ziel lofzingen, en rijk in naastenliefde genieten kunnen. Alleen maar, het houdt geen stand. Weer denken ze terug aan de wereld, waar ze uitlogen. De bekoring van die wereld begint ze weer te trekken. En niet lang meer, of Sion is weer verlaten en in de wereld is weer heur thuis. Het is' bij dezulken nog een leven der ongedurigheid. Een op en neer gaan. Bij beurten Sion, en bij beurten de wereld. En daarom vorderen ze niet, en kunnen ze de banden met de kinderen van dit geslacht niet losvi-ikkelen. Och of ook zij toch in Sion haar ivoonstede kozen. Door dat telkens weer verhuizen naar de wereld. derven ze zoo jammerlijk het ware zielsgenot. ^
Nog veel verder af staan natuurlijk die on beslisten, die Sion wel bezoeken, maar er haar nachtverblijf zelfs niet kozen. Iets is er ook in haar, dat prikkelt, om zich met Sion bezig te houden. Ze onderhouden nog kennis en vriendschap met veel lieve vriendinnen, die naar Sion zijn opgegaan. Wat ze van die vriendinnen in Sion te beluisteren kregen, boeit ze en boezemt belangstelling is. Ze willen er ook zelven af en toe iets van zien en van genieten, en gaan er daarom op bezoek. Doch meer ook niet. Ijlings keeren ze weer terug. Wat in de wereld ze trekt, kan Sion ze niet geven. Het is een spel dat ze met Sion drijven, en ze bedroeven den Heiland die gedurig zijn net uitwerpt, of hij vangen mocht bok haar ziel.
En dan zijn er nog de meer nieuwsgierigen dan belangstellenden. Vrouwen, die er zich tevreden mee stellen, zoo ze van Sion een landkaart en de afbeelding van haar paleizen bezitten. Vrouwen, die niet ongaarne over Sion hooren spreken. Die over Sion lezen. Soms een lied der minne over Sion sfeelend voor haar gevoel vinden. Een verguldsel van het ordinaire leven. Een uiting die toont, dat ook zij toch in heerlijke dingen smaak hebben. Alleen maar, 't raakt heur persoonlijk zielsbestaan niet. Ze zien den glans van Sion aan, zooals ze bij nacht den prachthemel met zijn stargeflonker aanstaren. En dan gaat 't venster weer dicht. Ze ontkleeden zich en leggen zich te slapen. En tot' zelfs in hun drooïnen worden ze dan weer vervolgd door de wereld.
Sion is haar een fata tnorgana. In de wereld is haar thuis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 2 mei 1915
De Heraut | 4 Pagina's