Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van de Voleinding.

20 minuten leestijd

CLXXXVI.

ZESDE REEKS.

IX.

En Ik 2al zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en iti u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden. Gen. 12 : 3.

Vragen we ons nu af, op wat wijs de Heilige Schrift de machtige profetie van Gen. 3 : IS, veelal hetProto-Evangelie geheeten, voortzet, zoo staan we hier voor een ver zich uitstrekkende historie, die in engeren zin eerst in Daniël, Zacharias en Maleachi's, Godsspraken als een vergezicht op de Parousie of wederkomst des Heeren heenwijst. Het uiterst gewichtige feit, dat de komst van den Messias niet aanstonds een beslissing zou brengen, maar dat op die eerste komst van den Messias een langdurige tusschèn-periode zou volgen, gelijk die nu reeds bijna twintig ecuwen voortduurt; dat in 't eind deze tusschènperiode gewelddadig zou worden afgebroken, en dat alsdan de Christus, die eerst ten hemel voer, weer uit den hemel tot onze , y-, aarde zou afdalen om de ontzettende Voleinding van dit aardsche leven voor te bereiden, in te luiden, door te zetten en de alsdan komende heerlijkheid te verwerkelijken, — lag zeer zeker principieel in Gén. 3:15 besloten; maar is toch verder niet aanstonds in de Heilige Schrift uit-'. gewerkt. Zelfs duurt het vrij langen tijd eer in de Schrift de Voleinding "aan ^é^dett Messias wordt verbonden. Is dit "eenmaal voldongen, dan groeit de gestalte van dezen''s.Messias steeds in rijker vorm aan, maar blijft 't toch in hoofdzaak bij één enkele verschijning. En het is eerst bij de allerlaatste profeten, dat ook die verschijning van den Christus doorbroken wordt, en we nu komen te staan voor een dubbele komst van den Messias, de eerste om de Verzoening tot stand te brengen, en de tweede, lang daarna, om de Voleinding te doen intreden.

Zoo is er in deze profetie van wat te komen staat een geregeld historisch proces. Eerst wordt summierlijk in Gen. 3 : 1 5 de complete afloop van wat te komen staat in één enkelen greep saamgevat. Tegenover elkander staat dan de vrouw en de slang, en in deze vrouw en in deze slang spreekt de onderscheiding en tegenstelling van ons menschelijk geslacht eenerzijds en de demonenwereld als daartegenover staande. Zelfs is het opmerkelijk dat dit Proto-Evangelie niet tot Adam, noch ook tot Eva zich richt, maar tot Satan. Dit is niet te verstaan, zoo men, gelijk maar al te veel geschiedt, de wereld der hemelen en der hemelsche geesten geheel als bijzaak beschouwt, en het voorstelt alsof de machtige reuzenworsteling tusschen God en het creatuur eigenlijk alleen op den mensch doelt, en zulks wel in een zin, alsofSatan en zijn trawanten, en evenzoo de goede engelen, slechts bijkomstige nevenpersonen op het wereldtooneel waren. Ware dit zoo geweest, zoo zou Gen. 3:15 niet tot Satan, maar tot Eva en Adam zijn gesproken. Nu daarentegen uit geheel het Paradijsverhaal blijkt, dat de doodelijke worsteling tegen God niet door den mensch, maar door de demonen is aangegaan, en dat onze menschenvvereld éérst door die demonenwereld in haar strijd met den Almachtige is betrokken, nu was het natuurlijk en kon het niet anders, of de allesbeheerschende uitspraak, die van Godswege over het gebeurde uitging, kon zich niet tot Adam of Eva, maar moet zich enkel tot Satan richten. Hij was de hemelsche persoon geweest, die 't tegen God opnam, en Adam en Eva waren zijn slachtoffers. Vandaar de zoo krasse taal van het doodelijk vonnis: Dewijl gij dat gedaan hebt, zoo zijt gij vervloekt, en Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw*.

Ook de vrouw ontvangt wel haar vonnis, in het nu met smarte baren van haar kinderen en in haar onderworpenheid aan haar man, en Adam ontvangt evenzoo zijn straf in den vloek die op het aardrijk wordt gelegd en in den pijnlijken arbeid die hieruit voor den mensch voortvloeide, terwijl dan bovendien over beide de daod komt, maar het principieele vonnis richt zich toch niet tot hen, maar tot Satan.

Nu is in dat zware vonnis dat over Satan gaat, drieërlei vereenigd. Ten eerste, dat er uit de vrouw een Zaad zal komen, waarvan der menschen redding zal uitgaan. Alzoo de profetie van den Messias. In de tweede plaats, dat .Satan's kop staat vermorzeld te worden, wat zeggen wil, dat in het eind Satan's macht finaal zal worden te niet gedaan. En ten derde, dat de straf die E!va en Adam ondergaan, een bang lijden zal wezen, hun afgebeeld door het • vermorzelen van hun verzenen, maar dat in 't eind hierin toch keer kan komen, en dat alzoo de eeuwige vrede zal kunnen ingaan. Omdat er deze drie in liggen, heeft men aan deze uitspraak de naam van het »eerste Evangelie* gegeven. Metterdaad ligt er dan ook het volle Evangelie in, maar kort samengevat en als gedrongen in elkaar. Daar nu dat Proto-evangelie niet tot Eva gericht is, maar tot Satan, zoo kan dit niet anders opgevat, dan dat de woorden waarin dit oordeel uitging, ten aanhoore van Eva en Adam zijn gesproken, zoodat zij dat vonnis over Satan dat tevens hun Evangelie was, van woord tot, woord beluisteren en opvangen konden. Iets waarbij er tevens niet aan te twijfelen valt, of de Heilige Geest heeft hierbij beider geestesoog derwijs verhelderd, dat zij de strekking van dat eerste Evangelie metterdaad verstaan, en aan het nageslacht overgebracht hebben. Het zijn niet vele woorden, waarin dat Vonnis en dat Evangelie uitging, en bovendien zijn ze zoo compact, klaar en aangrijpend, dat nu nog, wie, ze ook maar eens gehoord of gelezen heeft, ze nimmermeer meer vergeet. En gelijk Jezus zijn discipelen zeide, dat de Geest hun indachtig zou maken al wat Jezus tot hen gesproken had, zoo mag ook hier een geestelijke hulpwerking ondersteld worden, die de heugenis van dit alomvattend woord bevestigde. Men kan dus nooit zeggen, dat de Mes.siaansche verwachting eerst later in Israel is opgekomen, en dat de Verzoening en Voleinding eerst in latere eeuwen ter kennis van ons geslacht werden gebracht. In details en bijzonderheden, voorzeker, maar niet wat de grondgedachte aangaat. Die grond, gedachte, het Proto-evangelie, was reeds aan den eersten stamvader toegekomen, en van hem uit is het de wereld ingegaan.

Nu verdient het hierbij in hooge mate de aandacht, dat in de vijf boeken van Mozes wat men noemt het hemelsche leven zoo weinig op den voorgrond treedt, terwijl schier aldoor gehandeld wordt van het volk Gods op dese aarde en van wat dat aardsche leven aangaat. Dit is te opmerkelijker, omdat de Pentateuch doorloopt tot Mozes sterven op Nebo. Hiermede nu staan we omstreeks vijf en twintig eeuvven van het Paradijs af, en bleven er nog slechts vijftien eeuwen over tot de komst van den Messias. Men kan uit dien hoofde niet zeggen^ dat de Openbaring omtrent hetgeen de afloop van dit aardsche leven zou zijn, vroegtijdig en rijk zich ontplooid had. Sterker nog, zelfs doet het zich zoo heel anders voor, dan maar al te velen het zich van achteren voorstellen. Maar al te gemeen toch is zelfs bij enkele dogmatische leeraars de voorstelling, alsof dit aardsche aanzijn slechts een doorgang vormt naar het ware leven, en alsof dit ware leven uitsluitend hemelsch van karakter is. Eerst leeft men dan korter of langer hier in deze aardsche wereld, doch dit gaat voorbij, en dan pas komt het eigenlijke leven, dat in den hemel thuishoort, en voorts met dit aardsche aanzijn niets meer uitstaande heeft. Vooral de theorie van »God, Deugd en Onsterfelijkheid*, die sinds Kant zoo sterk naar voren drong, heeft den indruk alsof dit aardsche leven slechts voorbereidend en bijkomstig was, met den dood van ons scheidde, en voorts van ons sterven af geheel in .het hemelsche vergeestelijkt werd, de publieke opinie, niet alleen onder de lieden der wereld, maar ook veelszins in Christus' Kerk, beheerscht. Xu ligt hierin voorzeker dit ware, dat niet hier, maar daarboven ons Vaderland is; dat we van deze aarde; gelijk ze nu is, na ons sterven niets, meer te wachten hebben ; en dat ons aardsche aanzijn zich eens geheel zal oplossen in een zeer gewijzigd be.staan. Tegen de Schrift gaat hierbij intu.sschen in, wie 't zich nu voorstelt, alsof we na ons sterven dan ook feitelijk zoo goed als niets meer met dit zienlijke en zinlijke bestaan op dit benedenrond uitstaande zouden hebben. Waren we na ons sterven eenmaal in den hemel opgenomen, wat zou ons dan nog te wenschen, of wat zou ons dan nog hooger te begeeren blijven.? In den zaligen hemel, in het Vaderhuis, onder de uitverkorenen, en omstuwd van Gods engelen, in Gods heilige nabijheid te verkeeren, was toch immers de voltooiing van alle denkbare heerlijkheid. Wat zou men dan nog van dit aardrijk inwachten? Het is zoo, er zou nog een opstanding, er zou nog een weererlangen van het lich.-iam volgen, maar al te veel hechtte men hier niet aan. En voor zooveel men er aan hechtte, meende men nu ónze opstanding en ons dan nogmaals ingaan in den hemel, doch nu met het nerkregen lichaam, geheel met de verrijzenis en hemelvaart van Jezus op één lijn te moeten stelley. Gelijk thans de Christus lichamelijk in ''|fn hemel verkeert, zou zouden dan ook de, : ; ezaligden, na hun opstanding, in lichamelijke gestalte hun aanzijn eeuwiglijk in den hemel voortzetten.

Zóó en niet anders is metterdaad de averechtsche én tegen-Schriftuurlijke voorstelling, die zelfs onder anders warm-geloovigen rakende ons toekomstig aanzijn ingang vond. Nu ontwaart inen intu.sschen aanstonds reeds aan de onsterfelijkheidsleer, hoever geheel deze spiritualistische voorstelling van de voorstelling der Schrift afwijkt. Immers in de H. Schrift wordt, zoo men de vijf boeken van Mozes neemt, zoo goed als nimmer, en althans niet dan bij hooge uitzondering, van de onsterfelijkheid gewag gemaakt, en bijna nimmer van eene in 't hemelsche opgaande exatentie gehandeld. Hierop is dan later door de ongeloovige theologen zelfs de stel%g gebouwd, dat Israel, en vóór Israel de o^idvaders, eigenlijk van geen leven na den dood hebben afgeweten ; dat voor hen het aanzijn met 't sterven uit was; en dai eerst later uit de heidensche philosofie het onsterfelijkheidsbegrip in Israël zou zijn ingedragen. Eerst heeft men alzoo d^ voorstelling der Schrift vervangen door een averechtsche onsterfelijkheidsleer, en daarna heeft men het niet voorkomen van deze onsterfelijkheidsleer in het Oude Testament, althans in de oudste boeken ervan, misbruikt als een geheel onjuist argument om de echtheid der oudste Openbaring te bestrijden. Het is pure verzinning, te zeggen, dat in de oudste boeken van de H. Schrift het leven na den dood ontkend wordt. Waar is alleen, dat in deze boeken van de oudste periode der Openbaring zoo goed als nergens de onsterfelijkhei isleer wordtingedragen of aanbevol^'n, gr-ijk men die later, buiten de Schrift om, geheel uit eigen verzinning heeft uitgedacht. Voor de II. Schrift is het opkomen van een zichtbare schepping, en het optreden van den 'mensch in die zichtbare wereld iets van geheel eenige, blijvende en duurzame beteekenis, en wel een feit, dat van het bestaan en het leven der .engelen in den hemel om Gods troon, principieel onderscheiden is. Een ten slotte laten varen en te niet gaan van dit zichtbare en zienlijke creatuur, om ons menschen, voor zooveel we uitverkoren waren, dan schier geheel in de engelenwereld te doen opgaan, zou alzoo tot niets dan tot een verarming van Gods Schepping leiden. Immers met de schepping der engelen-en van de geestenwereld was de scheppingsmajesteit des Heeren nog allerminst op haar hoogtepunt gekomen. Voltooid en voleindigd is de rijke Schcppingsgedachte Gods niet in de geestenwereld, maar eerst in ons menschelijk geslacht, en ons menschelijk geslacht zou beroofd blijven van wat er karakteristiek bij behoort, indien het voor ons uitliep op een ons aan de engelen gelijk maken, en de zichtbare wereld van ons werd afgestroopt, als ware die zienlijke wereld niets voor ons geweest dan een eenigszins hinderlijk omkleedsel, dat toch weer moet worden afgelegd.

Geheel ten onrechte is dan ook de dood opgevat als vernietiging en het sterven als een teniet gaan. Vandaar dat men de bedreiging: , , Gij zult den dood sterven", verstond, als zou Adam op den • dag zelf van zijn val ten grave zijn gedaald, terwijl hij feitelijk daarna nog niet minder dan ruim negen eeuvi'en op deze aarde zijn bestaan heeft voortgezet. Sterven is niet een te niet gaan, maar een beroofd worden van wat men ontving en bezat. Daarom slaat 't sterven dan ook niet enkel op 't lichaam, gelijk de leeraars der onsterfelijkheid het toch eeniglijk voorstellen, maar op lichaam en ziel beiden. Ook de verlorene krijgt zelfs, als men 't zoo wil, bij het oordeel het lichaam terug, en bestaat in de rampzaligheid beide naar lichaam en ziel voort, ed^ch zonder van den dood verlost te worden. Voor hem bestaat alzoo de eeuwige dood dan ook niet in een teniet gaan, maar in een blijven voortbestaan, doch nu beroofd van wat eerst rijk maakte, en negatief straflijdende doordat in die berooving v/at hem eerst sterkte en hem kracht schonk, in zijn tegendeel omslaat, en tot 't knarsen der tanden inleidt. Wie recht oordeelt erkent dan ook aanstonds, dat ook al toeft onze dood naar het lichaam, de dood naar de ziel er van onze geboorte af is, en dat die dood inzake onze ziel eer.st van ons wordt genomen als 't Gode belieft ons weder te baren ten leven. Krankheid en allerlei lijden kan reeds, eer we sterven, ons de berooving van wat tot het volle leven behoort, hier op aarde doen ervaren, maar ten volle gaat die berooving toch eerst met het sterven in Heel die voorstelling alsof de dood onze ziel niet raakte, alsof onze ziel onsterfelijk ware, en alsof we nu na onzen dood met ons lichaam en met deze wereld niets meer uitstaande hadden, zoodat een ieder na zijn sterven heerlijk in onsterfelijkheid te midden van Gods engelen bloeide, is dan ook in lijnrechten strijd met wat de Schrift ons over het leven en sterven, naar ziel en lichaam beide, zoo thans reeds als eens voor eeuwig, onderwijst. Nergens verraadt de Schrift ook maar het minste vermoeden, alsof de oudvaders, de aartsvaders en Mozes getwijfeld hadden aan het voortbestaan na 't sterven. Reeds het enkele feit van Henoch's wegneming uit dit leven door Gods almachtige hand toont dit duidelijk. Henoch wordt ons niet geteekend als een exemplair slecht man, in 't soort van Kain of Lamech. Integendeel, Henoch wordt ons geteekend als een persoon die, op bijzondere wijze zelfs, kon gezegd worden te «wandelen met God«. Juist 't beeld vv'aarin ook de oudste Aartsvader ons wordt voorgehouden. Met dezen Henoch nu is iets bijzonders geschied, niet door menschen, maar van Gods zijde. Nu kon hetgeen God hem ervaren liet, niet een straf en niet iets ellendigs, niet een vernietiging van zijn aanzijn geweest zijn. Dit zou niet passen bij den hem gegeven lof, dat hij op zeldzaam edele wijze , , met zijn God wandelde". Dit wegnemen van Henoch kon alzoo niet doelen op een voor altoos wegnemen uit dezen tijdelijken levensvorm, gelijk die destijds aller deel was, maar moest beteekenen, dat hij van deze aarde 7iaar elders werd overgeleid. Iets wat vanzelf zijn voortbestaan onderstelt.

Jezus zelf heeft in wat Matth. 22 : 32 ons meldt, dan ook zoo beslist mogelijk uitgesproken, dat Abraham, Isaac en Jacob nog in Mozes dagen er waren en leefden. Aan Mozes toch had God zich bij het Braambosch geopenbaard als den God van deze aartsvaders, en waar God alzoo sprak, wees nu Jezus er op, dat God niet een God der dooden, maar der levenden was, zoodat uit dit zeggen van God tot Mózes vanzelf volgde, dat de drie Aartsvaders te gedenken waren, als toen nog voortbestaande Tot Isaac was, blijkens Gen. 26 : 24, gelijke verklaring gekomen. De Heere toch zeide tot hem, na Abrahams dood: 'Ik ben de God van Abraham uw vader, vrees niet want Ik ben met u«! Bij Jacob's ladder te Bethel (zie Gen. 28 : 13) was het evenzoo. Ook daarin toch wordt ons gemeld: gt; En zie, de Heere stond op die ladder, en zeide: k ben de Heere, de God van uw vader Abraham en de God van uw vader Isaac; dit land waarop gij ligt te slapen, zal Ik u geven en uw zaad na u«. Nogmaals in Gen. 46 : l, 3 heet 't van Jacob, dat hij oiTerde aan den God van zijn vader Isaiic, en dat God toen tot hem sprak: Ik ben die God, en uws vaders God«. Het is alzoo bij het Braambosch niet een vluchtig woord, dat in Gods ordinantie als tijdelijk werd ingeweven, maar integendeel een telkens eerst bij Abraham, toen bij Isaac, en ten leste bij Jacob wederkeerende gedachte, en altoos weer is het een verwijzen naar dien hoogen God, die van den nog steeds voortbestaande aartsvader de levende God is en blijft. In Gen. 49 : 18, hooren we dan ook van Jacob., dat hij op zijn sterf bed belijdt: Op uw heil wacht ik, o Heere«! In Numeri 16 : 22 lezen we van Mozes en Aüton bij het oordeel dat over Korach en zijn mannen uitging, dat ze vielen op hun aangezicht, en zeiden: o God, God der geesten van alle vleesch, een eenig man zal gezondigd hebben, en zult Gij u over deze gansche vergadering grootelijks vertoornen«. En slaat ge Deut. 32 : 39 op, dan vindt ge daar zelfs de stellige verklaring van Jehovah zelf: Ziet nu dat 'Ik, Ik die ben, en geen God met mij; Ik dood en maak levend. Ik versla en Ik heel«. Zoo stellig als't slechts hoefde, blijkt alzoo uit alle deze uitlatingen, dat er van een opvatten van den dood als een vernietiging geen sprake is; dat het voortbestaan, door den dood heen, onaangevochten blijft; en dat het sterven als een vernietiging van existentie niet gekend was.

Bestaan.svernietiging is de hoop van den zelfmoordenaar. Ze is de matte, doffe verwachting van de ongeloovigen, die niet anders kennen dan het aardsche en vergankelijke. Ze is het , dwaze uitzicht van hén die wanen, dat ons leven, ons gedrag, ons doen en laten in dit leven geen gevolgen na zich kan sleepen. Voor die-onzinnigen kan men met een prediking van onsterfelijkheid komen, als een Evangelie dat ze redden en bezielen kon, maar voor de heiligen van het Oude Verbond, voor onze Oudvaders en de Aartsvaders was zulk een prediking volstrekt overbodig. Voor hen was de enkele gedachte van een teniet-gaan de ongerijmdheid zelve. Voor hen was de vraag alleen, waar en hoe hun aanzijn zou worden voortgezet. En ook duchtten ze de Sje'ool met haar weeën, en sprak in hen soms een uitzien naar een hooger heil, dat zij toen nog niet begrepen, maar dat ons in Christus geschonken is, zoodat wie in Jezus sterft, thans met het sterven zelf in zaliger aanzijn overgaat De ouden toch kenden in de Sje'ool slechts het onderscheiden bestaan van wie God vreesde en God bestreed, maar voor beiden zou toch de einduitkomst eerst later dagen, en die einduitkomst, nu stond van oudsher voor ieders gevoel in rechtstreeksch verband met de uitkomst die aan het volk waartoe men behoorde, hier op aarde wachtte. In tweeën lag welhaast ons menschelijk geslacht gesplitst. Er was van rondsorti de wefeld der Gooim of Heidenen, en te midden van die Gooim had God zijn uitverkoren volk uit de Aartsvaders verwekt. Het verband dat hierdoor voor een iegelijk met zijn volk bestond, mocht daarom niet vergeten noch verloochend worden. De Schrift kent het valsche individualisme, dat alleen met de enkelingen rekent, ganschelijk niet. Tusschen die enkelingen of individuen en het volk waartoe ze behooren, bestond van meet af een organisch verband. Zelfs in Openb. 21 : 24 lezen we van de heerlijkheid hiernamaals, dat de volken die zalig worden, in het licht van de groote lichtstad wandelen zullen. Ook in het eind der dagen, als de nieuwe toestand ingaat, wordt nog altoos, in onderscheiding, van Israel, van de volken en de natiën gewag gemaakt. Vandaar dat bij het volk Gods steeds het uitgangspunt ligt van wat komen en eeuwig duren zal. De echte Israëlieten rekenden daarom veel minder met wat hun persoonlijk en individueel wachtte, dan met hetgeen aan het volk Gods beschoren was, en dies ook hun, als tot dat volk behoorende, te wachten stond.

Dat velen zich hier moeilijk indenken kunnen, is begrijpelijk. Men moet zich daartoe met zijn besef overplaatsen in dien geheel anderen staat van zaken, die zal intreden, als de nieuwe aarde onder dien nieuwen hemel ontsluierd zal worden, en de eeuwigheid zullen ingaan. Dan zal er niet meer worden gewaagd van een zaligheid die alleen de ziel behaagt en 't hart gelukkig gemaakt, maar van den triomf over Satan die hierin bestaat, dat de hemel èn de aarde die God Almachtig eens in het leven riep, en die Satan vallen deed en verdierf, en die daarom in een nieuwe aarde en een nieuwen hemel moeten worden omgezet, in hun eeuwige gedaante gerealiseerd voor God zullen staan. Dan toch zullen er niet stukken en deelen van onze wereld, en enkel individuen uit ons menschelijk geslacht schitteren, maar het zal zijn één majestueus geheel, waarin alle ziel samenhangt met het organisch eenzijn van Gods volk en heel deze zienlijke wereld een glans zal vertoonen, die verre te boven gaat al wat thans in onze wereld aan grootheid gezien of als luistervol gedacht is. Vandaar dat in geheel de Heilige Schrift die eenheid van het te zaligen en te verheerlijken creatuur veelal zelfs'op den voorgrond staat. Ze leert ons niet een straks verlaten en prijsgeven van de Schepping, als had dit allen voor Gods eere geen verdere beteekenis meer, zoo wij mAarpersoonli/kgereó worden. Integendeel, deSchrift gaat, voor wat het eeuwige betreft, steeds van het volk Gods uit, maar neemt dit volk Gods dan ook steeds in verband met geheel onze Schepping, waarin Gods majesteit zich verheerlijken moet. De spiritualistische eenzijdigheden zijn verzinningen van afgedoolden, die de Heilige Schrift noch op deed komen, noch bevordert en voedt. Alleen zoo verklaart het zich dan ook, dat I-srael tot op het einde toe een eigenaardige beduidenis als het geroepen volk des Heeren zal blijven behouden. Zie maar hoe zelfs in Openbaringen, als ons 't beeld van het nieuwe Jerusalem wordt geteekend, altoos weer de twaalf stammen meespreken. Het gaat altoos weer op de aartsvaders, en door de aartsvaders heen, op hel Paradijs terug. Hier, om ons heen, is dat zichtbare heelal in de Schepping waarin God zijn majesteit wilde verheerlijken. Die Schepping heeft Satan Gode pogen te ontrooven, en ze daarom geschonden en als om doen vallen. En daarom nu kan de einduitkomst geen andere zijn, dan dat in deze zelfde Schepping getoond zal worden, hoe God Almachtig, in weerwil van de schending en vernieling door Satan hier teweeggebracht, toch s/jn Naam als Schepper heiligt, sjn Scheppingsplan als onaantastbaar door zal zetten, en in 't eind aan alle' schepsel, dat zelfbewustzijn bezit, de onaantastbare waarheid openbaren zal, hoe zijn Raad niet voor onderstbovenkeering vatbaar was, en hoe 1 Satans felonie ten slotte tot niets anders

kon leiden dan tot de uitschittering van de Ontferminge en van de Majesteit van God Drieëenig op een wijze die anders nooit door eenig schepsel ware bekend.

¹) In den 17 regel kolom 1 van het voorstuk der vorige week, staat: „een formeel kamkter droeg"; dit moet zijn : „Een finaal karakter droeg".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 november 1915

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 november 1915

De Heraut | 4 Pagina's