Van de Voleinding.
CC.
ZKSDE REEKS.
XXIII.
De groote%ag de!#HKEREN is nabij; hij is nabij, en zeer haastende; de jtemme van den dag des HEPKEN; de held zal •-ildaar bittertü - schreeuwen. Zlphanja 1 : 14.
Van Zefanja merkten we reeds op, dat hij uit koninklijken bloede was. - De aanhef van zijn profetie is toch aldus: »Het Woord des Heeren, hetwelk geschied is'tot Zefanja, clen zoon van Cuschi, den zoon van Gedalja, den zoon "van .. \marja, den zoon van Hizkia, .in de dageiï^Van Josia den zoon van Amon, den Koning van Juda«. Daarnaast ontmoeten w». dan' Habakuk, met jeremia en Ezechiël, als vermoedelijk van l.-eviefische afstamming. Van daar de tegenstelling met Amos, waarop we reeds wezen. Deze toch was een. eenvoudig landman. En al werkte nu ook in den lan^Jman de heilige inspiratie van den Geest, zoodat ook Amos' Godsspraak schier even aangrijpend karakter draagt, zoo ligt hieJ'toch verschil. De hoogst ernstige gebeurtenissen, die ten slotte den ondergang van de twee koninkrijken in Palestina na zich sleepten, droegen een veelzijdig karakter. Het waren toch deels de binnenlandsche toestanden, die zoowel op godsdienstig als burgerlijk terrein het volk in opstand tegen Jehovah hadden gebracht, maar ook deels internationale verwikkelingen, die ten slotte het vol)c (jods tT? et sch*er nlle ."^tiiter/ en steden en stammen van rondsom in doodelijk conflict brachten. Beurtelings waren het Egypte, de macht der Philistijnen, Tyrus, Assur en Babyion, ja zelfs de Arabieren, die zich invallen in het Heilige Land veroorloofden, tot ten slotte eerst de Assyriërs onder Salmanassar Samaria, en niet zoo lang daarna de Babyloniërs, die onder Nebucadnezar Jeruzalem innamen en zoo aan het zelfstandig bestaan van beide koninkrijken een einde maakten; aan dat van Samaria voor goed, aan dat van Jeruzalem voor een tijd. Nu ligt het in den aard der zaak, dat bij deze conflicten op internationaal gebied, een gewoon landman als Amps minder goed beslagen ten ijs kwam, en dat omgekeerd een uitstekend man van priesterlijken of van koninklijken ' bloede, gelijk Habakuk en Zefanja, in den regel beter over zeker inzicht in deze internationale aangelegenheden beschikte, dan een vrome landman in Israel, vooral in den toennialigen tijd, toen er natuurlijk geen • sprake van was, dat een pers, die nog niet bestond, met haar correspondentiën de bewoners van het platteland op de hoogte kon houden. En al is 't nu volkomen waar, dat de inspiratie ten slotte ook een bijna letterlijk dicteerend karakter kon aannemen^ gelijk dit met name bij Jeremia, Ezechiël en Daniël vaak zoo sterk uitkomt, toch neemt dit niet weg, dat het letterlijke dictaat allerminst de gewone vorm van de profetische' Openbaring was, en dat de Heilige Geest, gemeenlijk zelfs, zich meer aansloot aan de gcmeene kennis, die in den profeet, eer zijn profetische roeping tot hem kwam, reeds gevonden werd.
Hieruit» nu verklaart het zich van zelf, dat ten deze met standsverschil te rekenen valt. Een Leviet en een jong man van Koninklijken bloede ontving een geheel andere opleiding, dan een gewoon burger of landman. Mozes' opleiding aan het ^'gyptische hof to(^t dit zoo duidelijk. Omdat Mozes zijn opleiding ontving onder de goed^zorg van Pharao's dochter, die hem 't leven redde, beschikte Mozes daardoor over , , alle wijskeid der JEg)-ptenaren". Ongetwijfeld lag hierin ook, dat de aanleg en het persoonlijk talent van Mozes zeer hoog stonden, doch dit pleit slechts voor zijn vatjaaarheid. De veelheid van kennis daarentegen die Mozes in het paleis der Pharaönen in zich opnam, werd hem van Eg}ptische zijde' aangebracht, en het was deze veelzijdige kennis, zoowel van algemeenen als van internationalen aard, die onder de bewerking des . Geestes, Mozes bekwaamd heeft, om in de tweede periode van zijn leven Israels grootste .Staatsman en Leermeester te zijn. ICn zoo nu was het ook onder de latere profeten. De mannen die onder Hiskia, Achaz en Josia als getuigen des Heeren onder het volk optraden, konden niet volstaan met bestrafling van de ontredderde volkszeden, nóch rnet vermaan tot terugkeer van htui doolpaden. De eeuwenlange worsteling tusschen Jehovah en zijn volk moest eindelijk tot beslissing komen. Niet alsof de Goddelijke lankmoedigheid op zichzelf ooit kon worden uitgeput, maar kwaad, dat niet gestuit wordt. verergert zich van geslacht tot gesl.ach!. Zoo moest er ten slotte een _^beslissing komen. Reeds eenmaal was dit gezien, toen Noach's vermaan in den wind was geslagen, en de zondvloed ten slotte kwam, en verdierf het alles. En al was nu, na den zondvloed, onder de heerschappij der Gemeene Gratie, zulk een op eenmaal alle genade afsnijdend oordeel afgesneden, toch nam dit niet weg, dat elk vernieuwd proces van de tegen God inwoelende zonde, na zeker tijdsverloop, tot een catastrophe moest leiden. Zoo is het dan ook feitelijk met alle wereldrijken toegegaan. Op AssNrië zou Bab)-lon, op Babyion Ferzië, op Perzië Griekenland, op Griekenland Rome's keizerrijk volgen. Telkens de machtige golfslag in _ het woelen der volken die eerst opsloeg, maar dan ook weer even onverbiddelijk neervlijde. YA\ daar het nu in Israel niet mogelijk was, buiten die wereldconflicten te blijven, te minder daar Palestina juist zulk een breed stuk van de door allen begeerde zeekust besloeg, kon het niet anders of ook Israel moest in de groote internationale worsteling worden opgenomen, en juist dit moest tep slotte aan zijn profetieën wel een internationaal karakter leveren. ICn ter beoordeeling nu van een juist inzicht in de verhoudingen van deze worsteling was het van zeer groot belang, dat er ook profeten zouden opstaan, die dank zij huq herkomst en opvoeding, over genoegzame internationale kennis beschikten. Gewone personen in Israel mochten van T\'rus en P2dom-op de hoogte zijn, en alzoo zich als geschikte instru«ienten aanbieden, om voor deze meer beperkte verhoudingen de profetie in zich op te nemen en te verwerken, dit ging niet meer waar het de groote wereldproblemen gnïg' i^k, i^-iv, .i. x..a Lv, i is daii uuk in üvereeiistemming met die latere toestanden, dat we in de Godspraak ten slotte mannen van een hoogere sociale positie zien optreden, en wel zulken, die evenals Mozes, eer ze optraden, reeds voor hun levenstaak waren voorbereid.
Vooral ook Zefanja's Godspraak doet zich in dit hooger ontwikkeld karakter voor. Stipt de jaren der profetische werkzaamheid van zulke Zieners aan te geven, blijft altoos moeilijk. Vrij algemeen echter neigt men er toe, om Zefanja's optreden onder koning Josia te stellen, en den duur er van te gissen als vallende tusschen 628— 62.3 V. Chr. Tijdgenoot van Habakuk, zou Zefanja dus met dezen machtigen Ziener in Juda en meer bepaaldelijk ook in Jeruzalem zijn opgetreden, en derhalve ook persoonlijke gemeenschap met hem hebben gehad. Toch stuit men hier, bij oppervlakkige beschouwing, op" een in het oogloopende moeilijkheid. Reeds onder Hizkia was de sterk voortschrijdende afval in Juda ten deele gestuit; en wel was die onder Manasse's eerste bewindsjaren weer op verontrustende wijze uitgebroken, en door den koning zelf in hooge mate bevorderd, maar reeds in zijn tweede periode was Manasse zelf ten deele van zijn afval teruggekomen, en met name onder zijn opvolger Josia was er te Jeruzalem een geheel andere toestand ingetreden. Josia was irf vollen ernst een vrome Israëliet. Geen moeite spaarde hij, om den tempeldienst te Jeruzalem weer Van alle onheilige insluipsels te zuiveren. Het terug vinden van het Wetboek in den tempel, en de viering niet lang daarna van het groote Paaschfeest tè Jeruzalem, gaven aan zijn koninklijk bewind van meet af een krachtig reformatorisch karakter.-En juist hierdoor is men zoo licht geneigd, om Jt zieh voor te stellen, alsof niet lang daarna te Jeruzalem een geheel ander volksleven viel waar te nemen, zoodat 't zélfs allen schijn kreeg, alsof de ernistige zeden der vaderen waren teruggekeerd.
Hiermee, zoo merk-t men nu óp, valt het niet te rijmen, dat op zulk een reformatorisch moment in Zefanja een profeet zou zijn opgetreden, die heftig den afval van het volk bestreed. Reeds de aanhef van Zefanja's Godsspraak beantwoordt niet aan zulk een toestand. In dien aan^ hef toch spreekt Jehovah aldus: gt; lk zal vvegrapan, - ganschelijk alles 'wegrapen uit dit land. Ik zal \yegrapen menschen en beesten. Ik zal de menschen uit het land uitroeien", spreekt de Heefe. (1:2). Dit is dan o.ok zoo, en indien men de verandering die onder Josia intrad, op moest vatten als een wezenlijke' volksbekeering, zoodat metterdaad een geheel andere staat van • zjiken onder Josia ware ingetreden, dan is Zefanja's optreden hiermede niet te rijmen, en zou Zefanja alleen onder Manasse te begrijpen zijn geweest. Intusschen doorziet men het historisch proces te Jeruzalem, zoo men aan zulk een opvatting vasthoudt, stellig niet juist. Let slechts op wat de profeet iti 1; 14 omtrent den in Jeruzalem heef.'-.henden geest betuigt.' .Aldus toch spreekt hier Jehovah: gt; Ik zal Jeruzalem met lantaarnen doorzoeken, en Ik zal bezoeking doen o\jer de mannen, die in hun hart zeggen: e Heere doet geen goed en Hij doet geen kwaad". Beide hierin uitgesproken gedachten toch teekenden ons den toestand die in Jeruzalem heerschte. De schijn had zich gebeterd, maar achter dien schijn school het eer zich nog steeds verslechterende wezen. Vandaar dat Jehovah nu „met lantaarnen" den toestand gaat doorzoeken. En in. de tweede jilaats toont dit zeggen: e Heere doet geen goed en de Hecre doet geen kwaad, dat men te Jeruzalem feitelijk om Jehovah niets meer gaf. Vormelijk Hem zijn eere geworden liet, ook onder Josia's reformatie, maar in zijn hart zich verloor in volstrekte onverschilligheid. Ook uit ot; s eigen land kennen we dien toestand, l^erst is ook ten onzent een periode doorleefd, dat booze afval schier woedde tegen alles wat nog aan God vasthield, om 't tegen te staan, het van macht en invloed te berooven, en het zoodoende werkeloos te maken; doch daarna is ook ten onzent een onverschilligheid ingetreden, die nu ook de fijnere elementen tegenlacht. Ze kunnen, zoo beeldt men zich dan in, j, toch, geen kwaad meer doen. En waartpe dat felle ingaan tegen den dienst van God? Die dienst heeft toch niets meer te beteekenen. Wat toch is die God, waar van men getuigen wil. Wat anders dan een naam-God, die geen goed meer kan doen en geen kwaad. Laat het zich nu niet zeer wel verstaan, dat Josia als Koning zeer wel den uitwendigen sciiijn in' den tempeldienst herstelde, en dat een kleine kring van waaracticig vromen zich bij hem aansloot, maar dat hij als Koning toch te weinig het eigenlijke volksleven kende, om ook maar te vermoeden, hoe schromelijk de innerlijke afval nog altoos voortsloop. Kende nu, Zefanja den fatalen toestand onder het volk zooveel beter, omdat hij er persoonlijk zooveel meer mede in aanraking kwam, wat is dan natimrlijker, dan dat juist die schijn van reformatie hem ergernis gaf, èn dat hij juist door die ergernjs gedreven, nog te scherper tegen de volkszonden uitvoer. Wie aan het Hof zich inbeeldde, dat nu ook metterdaad het doodelijk gevaar voor den volkstoestand geweken was, bedroog zich ten eenenmale. Veeleer was de dag des Heeren nabij, en ook daarom was de niets ontziende boetprediking thans meer dan ooit de roeping van den Ziener geworden.
Op dien tdag des Heerem. moet hier nadruk vallen. Tot twee malen toe wordt deze uitdrukking in het eerste kapittel herhaald. Eerst staat er in vs. 7: Zwijgtvoor het aangezicht des Heeren HKKRKX, want de da^ des Heeren is nabij< .. YM dan volgt er zeven verzen later in datzelfde kapittel de nog krassere uitspraak: De groote dag des Heeren is nabij. Hij is nabij en zeer haastende. De stem van den dag des Heeren. De. held zal alsdan bitterlijk schreeuwen«. Hoe is nu deze zegswijze en deze uitdrukking te verstaan? Het spreken van den dag des Heeren« onderscheidt dien éénen tlag, die komt, van de andere dagen die voorafgingen en die nog voortduren. Gezegd er mee wordt, dat dusver de lieden op aarde doende zijn geweest op hun manier, zoodat als 't wai-e zij alleen aan het woord waren, en gedurig zelve de beslissing in handen namen. Doch dat dit niet alzoo zou doorgaan voor altijd. Eer integendeel, dat dit woelen onder de kinderen der menschen onderling en saam tegen hun God, straks een eind zou nemen. Dan zou God het woord nemen. Dan zou van Hem •het oordeel uitgaan. P".n dan zou Hij aan alle volken doen ondervinden, dat niet zij de beslissing in handen hadden, maar dat de groote beslissing, de eindbeslissing, de alles beheerschende uitspraak van Hem, alle volken ten spijt, komen zou. Dat zij dan hun jaren en eeuwen zullen gehad hebben. En dat ten slotte die ccne groote, machtige, alles beheerschende dag zou aanbreken, waarop God .Almachtig aller voUven lot in zijn hand zou nemen, om over aller toekomst vogr eeuwig uitspraak te doen. Hel scheen nu alle. deze eeuwen alsof God niets en de mensch alles te zeggen had. Doch dan zou dit uit hebben, zou God zijn-hand weer aan het roer slaan, of wilt ge, de teugels weer in zijn hand nemen, en dit zou dan de dag, de groote dag de^ Heeren zijn. Dit nu wijst op de Voleinding. Zefanja spreekt 't dan ook zelf uit: ehovah »zal de Voleinding maken, gewisselijk en haastelijk, met al de inwoners dezes lands" (1:1< S). Nu is de moeilijkheid die zich hier voor doet, deze, dat Zefanja ziet en doelt op den aanstaanden afloop van het proces, dat destijds tusschen' het volk des Heeren en de afvalligen hangende was: fvalligen in tweeërlei zin, ten eerste alle Heidenen saam, en ten tweede de afvalligen in Israel zelf die in de zonde der Heidenen waren uitgegleden. Wat destijds gekomen is, was de toenmalige voleinding van de worsteling in Israel zelf en de worsteling van Israel met de Heidenen. Dit echter zou nog slechts voonspel en aankondiging zijn van de eindbeslissing, die eens heel het drama van het wereldleven - zou be-.sluiten, als liet einde van het leven hi-èr op aarde gekomen was, ' en het heerlijk Koninkrijk van den eeuwigen vrede zou ingaan. Die beide nu, die voor ons van zélf .scherp, en nu reeds bijna vijf en twintig eeuwen, van elkander gescheiden zijn, vloeiden in Zefanja's profetisch vergezicht nog ineen. Die vole'iding van den toenmaligen strijd tegen het booze in Israel en het booze in de Heidenwereld dacht hij zich als één. Vandaar zijn zoo hevige taal en hooge toon, met name in het eerste Kapittel, waarin hij de aankondiging van het oordeel geeft. Zoo toch staat er in vs. 10: En het zal te dien dage een stem des gekrïjts zijn van de Vischpoort af, en een gehuil, een groote breuke van de heuvelen af. Huilt dan gij, inwoners, want de koophandel is uitgehouyven en de gelddragers zijn uitgeroeid. Hun vermogen zal tót roof worden, en hun huizen'tot verwoesting, en al bouwen ze dan nog huizen, ze zullen ze niet meer bewonen. Wat nadert en straks komt, is een dag der verbolgenheid; een dag der benauwdheid en der angste; ^cen dag der duisternis en der donkerheid. Ja, Ik zal de menschen bang maken, dat ze gaan zuilen als blinden, want ze hebben tegen den Heere gezondigd, en hun bloed zal vergoten worden. Noch hun zilver noch hun goud zal hén kunnen redden ten dage van de verbolgenheid des Heeren, en door het vuur zal het gansche land' worden verteerd". (1:10 V.V.). • Alleen voor wie vroom voor God wandelde, zou op dien hangen dag uitkomst denkbaar zijn. Vandaar de oproeping tot zelfaangrijping die de profeet nu volgen laat: Doorzoekt uzelve nauw, ja doorzoekt u nailw, gij onder het volk die niet meer door bangcn lust bevangen zijt. Er blijft nog een tijd der bekeering. P'n daarom zuivert u en reinigt u, »eer dat het besluit bare, en pu de hittigheid van den toorn des Heeren over u nog niet komt, terwijl de dag van den toorn des Heeren nog toeft. Zoekt den Heere, alle gij zachtmoedigen des lands, die zijn recht werkt. Zoekt zachtmoedigheid, zoekt zachtmoedigheid. Misschien zult gij verborgen worden in den dag van den toorn des Heeren".
Groot zal althans aanvankelijk de schare der geredden niet zijn. Wat Jehovah zal •doen overblijven, zal zijn ^een ellendig en arm volk", maar lieden, , ^die op den naam des Heeren zullen betrouwen". Een voorspel schier op wat de apostel in het begin van zijn eersten Corintherbrief betuigen zal: »Niet vele wijzen, zijt ge, niet vele machtigen, niet vele edelen, maar het dwaze der wereld lieeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen, en het zwakke der wereld, opdat Hij de sterken beschamen zou. Wat God uitverkoor is , , het onedele en het verachte der wereld* en hetgeen niet is, opdat Hij hetgeen iets is, te niet zou maken, en opdat geen vleesch zou roemen voor Hem" (I Cor. I ; 25 v.v.). Altoos weer de kle\-ne hiyden van den Zwijger. Reeds hieraan gevoelt men hoe Zefanjajs Profetie algemeene beduiding heeft voor geheel het 'wereldleven der vojken. Tegen .\ss\"rië of Bab\lon niet alleen, maar tegen alle Heidenen gaat het oordeel. Het is de zake Gods die onder alle volk tegenover den afgodischen afval en de miskenning van Gods majesteit zal triomfeeren. »Daarom verwacht .Mij, spreekt de Heere, want mijn oordeel is, de Heidenen te verzamelen, de koninkrijken te vergaderen, en over hen mijn gramschap en dé gansche hittigheid mijns toorns uit te gieten", (vs. 8). - Doch dan zal 't ook alles op dit benedenrond omgaan. «Gewisselijk toch, zoo staat er, zal Ik dan tot de volleen eene rein« spraak wenden, opdat ze allen den naam des Heeren ..aanroepen, en opdat alle natiën Hem' dienen ' mogen met een eenparigen schouder. Zelfs uit Moorenland zullen mijn ernstige aanbidders komen en mijn offeranden brengen"; (vs. 9). Onder die .volken zal dan Sion den toon van hetiied aangeven : • Zing vroolijk, gij dochter Zions, en juich Israel en wees blijde en spring op van vreugde van .ganscher harte, gij dochter Jerusalem. Want de Heere heeft uw i oordeel van u weggenomen. De Koning Isr-aels, /de Heere, zal dan in uw midden zijn, en gij zult geen kwaad meer zien. Te dien dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, o Sion en laat uw handen niet slap worden. De Heere God is in het midden van u. Hij zal over u vroolijk zijn met blijdschap. Hij zal niet zwijgen van zijn liefde. Hij zal zich over u verheugen met gejuich» (vs. 16, 17). En dan komt dit slot: »Zekerlijk, Ik zal ulieden zetten tot een naam en tot een lof onder alle volken der aarde, zegt de Heere« (vs. 2ü).
Uit dit alles blijkt, hoe Zefanja's vergezicht niet beperkt is tot de verlossing uit de Babylonische ballingschap van het Israelietische volk. De Voleinding waarin Zefanja van verre gluurt, roept voor zijn profetischen blik een toestand op, waarin „alle volken der aarde" hun eeuwig lot tegen gaan, en ziet dus op den toestand niet ' voor, maar na het laatste oordeel. Hij blijft niet staan bij wat de voorloopige uitkomst van de toen ophanden zijnde worsteling zou zijn; Dat voorloopige geeft aan zijn zienersblik geen rust. Daarom ziet hij door dat voorloopige door naar wat, wie weet hoe vele eeuwen daarna, de volstrekte voleinding van heel het bestaan van dit aardrijk zal brengen. Na den einduitslag, na het oordeel Gods' waarop Zefanja doelt, kan geen nadere worsteling meer komen. Onder één machtig gezichtspunt trekt hij geheel het verloop der • nog toekomende dingen tot op den jongsten dag saam. De strijd, die 't toen nog gold tusschen Israel en de volken, zal blijven doorgaan tusschen alle onheilige machten hier op aarde en de Kerk van Christus. Er zal een zending uitgaan, om de volken der gansche aarde tot den Koning Israels te roepen. De meesten zullen voor het woord van die Missie het oor sluiten, maar uit alle volkenzullen er toch zijn, die dit Evangelie in zich opnemen. En zoo zal die einddag, de groote dag des Heeren, worden ingeluid, om eens de scheiding finaal te maken, al wat tegen God zich keert, te verdoen, maar dan ook al wat voor Jehovah kiest en roept, te zaligen. Juist door dit telkens uitgaan van het vergezicht over heel deze aarde, en tot alle volken die dit aardrijk bewonen, heeft Zefanja's Godsspraak een beduidende en algemeene beteekenis voor alle eeuwen. .Zijn Godsspraak sluit aan de historie-aan, maar gluurt door alle historie heen in de eeuwigheid. Het gaat Zefanja niet alleen om 't Israëlitische in 's Heeren volk, maar om het Volk des Heeren dat straks uit Israel onder alle volken zou opkomen.
-Zeer zeker moet daarom erkend, dat Zefanja's vergezicht de Voleinding ip zich sluit, want aller eeuwen eeuw^heid is er in besloten. Ook staat het vow hem vast dat de Koning Israels den eindtriomf ons brengen zal. Dat roerend schoone zeggen in III : 17 s> Hij zal zwijgen in zijn liefde" wordt zelfs in de Evangeliën door geen machtiger zeggen overtroffen. Alleen maar, wat ook bij Zefanja uitblijft, is het grijpen van het Kruis van Golgotha, en dus ook de Verrijzenis met de straks daarop naderende Parousie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 5 maart 1916
De Heraut | 4 Pagina's