Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van de Voleinding

18 minuten leestijd

CCXIX.

ZESDK REEKS.

XLII.

Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniel, den profeet, staande in de heilige plaatse (die het leest, die merkc daarop). Matth. 24 : 15.

Thans moet nader terug gekomen op wat we in een der machtige profetieën van den Christus zelf over het verder verloop der eindgebeurtenissen vinden opgeteekend, met name in Mattheus 24 : 21 en 22, en daaraan voorafgaande in Mattheus 24 : 15. Slechts zijdelings zij er bovendien nog op gewezen, dat Markus en Lukas ons ten deze schier gelijkluidend bericht gaven. Nemen we eerst dan den rijken tekst, gelijk we dien . bij de Evangelisten voor ons vinden. In Mattheus 24 ontvangen we de mededeeling, dat Jezus op een der laatste dagen die aan zijn gevangenneming voorafgingen, tegen het einde van den dag, met zijn discipelen den tempel verliet, en dat de discipelen toen, terugziende op de pracht waarmede de tempel van Herodes zich aan hun oog vertoonde, er met bewondering op staarden. Naar aanleiding' hiervan nu deed Jezus hun de aangrijpende vraag, of ze er ook maar het flauwste begrip van hadden, hoe de algeheele verwoesting van deze tempelpracht voor de deur stond. «Ziet gij niet al deze dingen? « vraagde Jezus hun, en voegde er toen als in één adem bij: Voorwaar, zeg ik u, hier zal niet één steen op den anderen gelaten worden, die niet_ afgebroken zal worden«. Hierbij liet Jezus het voor het oogenblik, wandelde toen met zijn discipelen de stad uit, en ging met hen op den Olijfberg, waar nietjezus begon, maar de discipelen hem de vraag deden: Zeg ons, wanneer zullen deze diwgen geschieden? en welk zal het teeken zijn van uw toekomst, en van de voleinding der wereld«? Op die vraag ontvingen toen de discipelen van Jezus een antwoord, dat strekte, om hen te doen verstaan, dat het einde nog verre ligt; dat nog eer dat einde komt, o, zoo velerlei gebeuren móest; en dat eerst ten slotte het einde aller dingen te komen stond. De discipelen liepen gevaar zich in hun blik op de toekomst ten eenenmale te vergissen, en reeds voor het einde aan té zien, wat nog niet anders zijn zou dan een eerste stadium in het groote proces der dingen die te komen stonden. Vandaar Jezus vermaan tot zijn jongeren: Ziet toe, dat u niemand verleide, want er zullen er velen komen, die voorgeven dat ze de Messias zijn, en dat alzoo het jongste oordeel reeds staat in te treden. Doch al deze dingen zijn nog volstrekt het, einde niet, ze zullen veeleer nog slechts - ^lecn begin zijn der komende smarten". Toch, zoo voegt Jezus er aanstonds aan toe, zal reeds vooraf een groote verv^olging van mijn getrouwen plaats hebben. sZe zullen u overleveren in verdrukking en zullen u dooden«, en »gij zult gehaat worden van alle volken qm mijns naams vville«.

Het zal er dan maar van afhangen, wie ten einde toe getrouw zou blijven, en dit drukt Jezus uit in het krachtige zeggen: Wie volharden zal ten einde toe, die en die alleen zal zalig worden." Dan echter zal de loop van het Evangelie allengs heel de wereld doorgaan. »Dit Evangelie toch, zegt Jezus, zal in de geheele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken*. En dan eerst, als de prediking van het Evangelie aldus zijn loop zal volbracht hebben, dan zal het einde, komen. En in verband hiermede nu wijst Jezus terug op Daniel. Met het oog daarop toch heet 't dan in vs. 15 : »Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniel, den profeet, staande in de heilige plaats (die het leest, die merke daarop), dat alsdan die in Judea zijn, vlieden op de bergen«. En dat «vlieden op de bergen« wordt dan in vs 21—22 nader toegelicht en aangedrongen, door een terugslag op wat Daniel in h. 12 : 1 neerschreef, en zulks wel in dezer voege: Want alsdan zal grdote verdrukking wezen, hoedanige niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal«. Een uitspraak waarop dan de nadere verklaring volgt: En zoo die dagen niet verkort werden, geen vleesch zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil, zullen die dagen verkort worden*. Hieruit mag natuurlijk niet afgeleid, dat de Christus de kennis van wat te *komen stond, ook voor zich zelf uit Dan. 9 : 27 en 12 : 1 geput had. maar wel volgt er uit, dat Jezus zijn discipelen op deze uitspraken wijst, en zulks wel als op uitspraken van profetisch karakter. Jezus noemt toch Daniel niet enkel als den schrijver van het boek, maar voegt er uitdrukkelijk bij, dat deze Daniel een profeet des Allerhoogsten was, en dat deswege zijn - woord beslissend gezag ook voor de discipelen had.

De Evangelist Markus geeft ons van dit moment in Jezus leven en van w; at Jezus toen sprak, een bijna geheel gelijkluidend bericht. In Mark. 13:14 toch heet het: Wanneer gij d^n zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan door den profeet Daniel gesproken is, staande waar het niet bchoof-t (die het leest, die merke daarop) dat alsdan die in Judea zijn, vlieden naar de bergen«. Doch al geeft de uitdrukking: staande waar het niet behoort", hier een anderen klank, zakelijk verschir is hier toch niet aanwezig. Alleen bij Lukas (zie h. 21 : 20) vindt ge wel de zaak, maar niet het citaat. Daar toch heet het: Maar wanneer gij zult zien dat Jerusalem van heirlegers omsingeld wordt, zoo weet alsdan, dat hare verwoesting is gekomen" en dan volgt er op: Want deze zijn de dagen der wraak, opdat alles vervuld worde, wat geschreven is«. «Bij dit laatste verwijzen nu onze kantteekenaren' van zelf naar Daniel 9 : 26 en 27, om aan te duiden, dat ook wat Lukas schreef naar Daniel verwees, alleen met dit onderscheid, dat de naam van Daniel bij Lukas hier niet genoemd wordt. Dit niet noemen van Daniel hangt dan weer saam met de lezers die de Evangelist Lukas zich voorstelde, en die, gelijk uit Lukas 1 : 1—4 blijkt, met name onder de niet-Joden te vinden waren. Zakelijk is er niet 't minste verschil; ook Lukas toch geeft aan, dat Jezus bij het uitspreken van dit getuigenis zich beroepen heeft op de aloude profeten, en daar nu de woorden die Jezus citeert, niet anders dan in Daniel te vinden zijn, kan er niet de minste twijfel bestaan, of ook Lukas bedoelt, dat de Heere zich hier beriep op het profetisch getuigenis van Daniel. Uit dit drieledig betuigenis der Evangelisten nu is door alle uitleggers van geloovige zijde steeds de conclusie getrokken, dat hiermede elk pogen der critici om het boek Daniel tot een pseudo-product van een Jood, die 3 a 4 eeuwen later leefde, te verlagen, te niet is gedaan.

Wie eenmaal goedvindt een geheel subjectief ongeloovig standpunt in te nemen, voelt in deze uitspraak uiteraard niet de minste klem. Men vraagt dan, welk bewijs er bestaat, dat Jezus metterdaad zoo gesproken heeft als in Matth. 24 : 15, 21 en 22 staat opgeteekend. Waarom zou de Evangelist, deze uitspraak niet geheel eigenmachtig aan Jezus in den mond kunnen gelegd hebben? En gesteld al, dat Jezus metterdaad zich zoo heeft uitgelaten, welk bewijs, zoo vraagt men u dan, ligt er dan nog in voor de waarheid en geldigheid van wat ge bewijzen wilt? Jezus moge in idealenzin nóg zoo hoog hebben gestaan als , ge 't onderstellen wilt, toch was en bleef Jezus niensch, en als mensch kon hij niet uit zichzelf weten, wat vier, vijf eeuwen vroeger al dan niet gebeurd was. Met alle geloovige Joden, zegt men u dan, zal Jezus natuurlijk diepen eerbied voor de schriften van Daniël gekoesterd hebben. _ En al blijkt nu van achteren, dat in het boek van Daniel geen woord, geen lettei-van Daniel zelf staat, en dat't al van hoofdstuk 1 tot en met 12 puur verzonnen is, Jezus wist dit niet, ]ezus had geen critische studie gemaakt, hij ging alzoo mee met 'het volksgeloof in de traditie, en die traditie zag nu in de eeuw waarin Jezus leefde, zonder aarzeling of twijfel in niemand anders dan in Daniel den sdhrijver van dit boek, en nam voor waaraanal wat er in stond. Had Jezus in onze dagen geleefd, zoo gaat men dan voort, dan ware er geen de minste twijfel, of ook Jezus zou heel dit geschrift, als een onwaar verzinsel ter zijde hebben geworpen. Nu echter koii Jezus niet anders doen dan met de traditie, die hij vond, meegaan , en zoo sprak dan, ook Jezus van Daniel als den profetischen schrijver van dit boek, maar zonder dat hieruit ook maar voor 't minste volgen kon, dat 't waar was. Jezus toch, zoo durft men dan beweren, kon zich.even goed vergist hebben als Petrus of Paulus, als Mattheus of Markus. Aan Jezus stonden geen andere gegevens ten dienste om achter de historische waarheid te komen, dan waarover zijn tijdgenooten te Jeruzalem of in Galilea beschikten. Daar nu zijn tijdgenooten wel dupen van de traditie zijn moesten, kon ool< Jezus zich aan de onwaarheid der traditie niet onttrekken. Jezus' tijdgenooten verkeerden in dwaling en Jesus dwaalde met hen. Maar juist daarom kan aan Jezus uitspraak ten deze niec 't minste beslissend gezag worden toegekeid-Hoe hoog Jezus' ook staan mocht, Jezus was en bleef/«««jr/? en de grenzen, der men.'jchelijke beperktheid kón ook Jezus niet overschrijden.

We gaven dit betoog, hoe stuitend het ook zij, en hoe pijnlijk het ook aandoe, in onbenevelden vorrïi weer, en aarzelen niet te erkennen, dai de modernen, op hun ongeloovig standpunt, tot geen ander betoog komen kondeii. Men versta wel, wat we hiermede bed«)elen. Het ongeloof heeft het gezag der ..Heilige Schrift niet met één stoot omvergeworpen. Onder hen die allengs afdoolden van het voorvaderlijk geloof, bestond vooral in den aanvang verschil. De één ging zooveel verder dan de ander. Dé ernstigste mannen onder deze twijfelaars begonnen met eerst eukèl het al te sterk wonderbare op zij te zetten, en namen voorshands hetgeen dan overbleef, nog voor waar aan. Aan Jezus' geboorte uit een maagd werd aanvankelijk nauwelijks getornd.^ Jezus' opstanding uit de dooden werd tot zelfs in de vijftiger jaren der vorige eeuw nog aan de Leidsche Universiteit verdedigd. Het Volle geloof boette wel reeds veel van zijn kracht in, maar toch hield ook niet weinig nog lange jaren stand. Toch was dit uiteraard niets dan inconsequentie. Er moest hier eenmaal gekozen of gedeeld worden. Neemt men het wonder nog aan, of verwerpt men het principieel? Ziet men in Jezus nog «God geopenbaard in het vleesch«, of enkel den, hoogerstaanden, idealen giensch ? Gelooft men aan openbaring van Godswege in 't woord en in 't visioen, of acht men dit .alles .z.elfbedrog? H'> r..^.; '-r.f rcii slolfp een besliste keuze gedaan worden. Men kan wel eerst met de supranatureelen, en eerste Rationalisten, nog iets, nog veel zelfs van het bovenmenschelijke in Jezus en in de Schrift vasthouden, maar dit-is niets dan een quaestie van tijd. Wat men dan nog vasthoudt, neemt al af en mindert, van het eene tiental jaren op 't andere; van het geslacht dat voorafgaat, is het in mindering bij het geslacht dat daarna komt. Wat men in deze kringen een kwart eeuw geleden nog niet zou hebben durven zeggen, stoot nu reeds een iegelijk in deze kringen o zoo geheel vrij en onbelemmerd uit. We hebban er daarom niets aan, of we ons al bij deze halfheden ophouden. We hebben ook hier naar de consequentie van het uitgangspunt en naar de drijfkracht van het beginsel te vragen, en dan natuurlijk komt het er ook in het nu door ons besproken geding op neer, dat hetgeen in de Schrift voor ons ligt, ten eerste eiken afdoenden waarborg mist, dat hetgeen Jezus zou gesproken hebben, ons juist en precies zou zijn meegedeeld; dat in de tweede plaats, al kon men voor de juistheid van deze mededeeling instaan, toch elke waarborg ontbreekt, dat Jezus zich niet kan vergist hebben; en dat in de derde plaats ook bij Jezus altoos met den tijd waarin hij leefde, moet gerekend worden, overmits de, traditie ook voor Jezus een gegeven was, waaraan hij zich niet kon onttrekken. We geven daarom zonder voorbehoud toe, dat wie elk wonder afwijst, in de Schrift niet anders dan menschelijk product ziet, en in Jezus niets boven het menschélijke aanbidt, tenslotte tot de conclusie die we aangaven, moet komen, ja, dat zoo een dergenen; die tot dezen kring behoorden, het nog zoo half voor de oude traditie blijft opnemen, hij een onklare geest is, die de consequentie van zijn eigen uitgangspunt niet doorziet.

Voor een iegelijk daarentegen, die met den apostel van Tarsen belijdt, «dat de Christus is het beeld des onzienlijken Gods, de eerstgeborene aller creaturen, door wien alle dingen geschapen .zijn, die in den hemel en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, die er vóór alle dingen was, zoo dat alle dingen tezamen bestaan door hem, zoodat hij dan ook is het Hoofd des Lichaams, hij die 't begin is, en de eerstgeborene uit de dooden, opdat hij in alles de eerste zou zijn"; — vooreen iegelijk die dit met Paulus belijdt, is het aanvaarden van al zulk beweren uitgesloten. Natuurlijk wordt zonder voorbehoud toegegeven, dat Jezus zich niet in tekstcrïtiek verdiept heeft, geen handschriften hééft vergeleken, en geen inleiding op de boeken der H. Schrift bestudeerd heeft. Maar hieruit af te leiden, dat derhalve Jezus op é.én lijn stond met een pas beginnend theologisch studeijt, is een voorstelling welke den denker onteert, die ze ook maar een oogenblik in zijn beweren op durft nemen. Onder de geloovigen werken hier twee motieven, het ééne intellectueel en het ander mystiek-geestelijk, en wie tot de Schrift eeniglijk met zijn intellectueele hulpmiddelen komt, zal ze nooit verstaan. Zoo min als iemand zonder artistiek gevoel het schoone weet te waardeeren, even onbekwaam is, om op heilig gebied tnee te spreken, al wie stomp in het geestelijke is, en oog en oor mist om 't geestelijke te verstaan.

Al belijdt ge nu met de Kerk aller eeuwen, dat ook de menschélijke natuur iU; den Christus niet schijn, doch wezen was, zoodat Jezus als mensch niet over elke grens van het menschélijke kon heengrijpen, toch spreekt 't wel vanzelf, dat wat "aan onze menschélijke*natuur als geestelijk vermogen is toebedeeld, in den Christus tot de hoogste, de rijkste en de rijpste ontwikkeling was gekomen. Hing 't ook hier aan de intellectueele factoren, zooal niet uitsluitend dan toch in hoofdzaak, zoo zou hier dóór ons niet te' vorderen zijn, daar het intellectueele bijna geheel aan het persoonlijke inzicht hangt. Nu 't daarentegen bij geheel dit vraagstuk allereerst en allermeest op de geestelijke voelhorens, als We ons zoo mogen uitdrukken, aankomt, nu spreekt 'tvan zelf, dat hetgeen de geestelijke voelhorens uit kunnen wijzen, bij Jezus tot een zoo vaste en ruime conclusie moest komen, en is gekomen, als dit bij niet één eenig mensch ooit te vinden was geweest. Reeds in het gewone leven spreekt het onderscheid zoo duidelijk tusschen het hoogere en het lagere geestelijke standpunt. Neem humor en scherts, en ge doorziet 't aanstonds, hoe er op dit spelend terrein een laffg, minne spot kan heerschen die . u weerzin inboezemt, maar hoe ook anderzijds op datzelfde terrein zoo hooge, fijne .geestigheid zich kan uiten, dat .ge ze den man benijdt, die ze al spelend Voortbracht. En zoo nu is het op elk gebied van het leven des geestes. Niet al wat geestelijk zich aandient, staat op gelijke trap. Eer integendeel'is op elk geestelijk terrein een sterk sprekend verschil der gaven heerschend, die zich duidelijk gevoelen doet. Onder de lager staande geesten geniet men in het ordinaire ert soms zelfs in het lage. Op hooger terrein daarentegen en in nobeler kring heerscht een zooveel machtiger geestesformatie, dat men 'er het laffe en slappe en lage als vanzelf uitbant, en dat alleen ten volle mee kan doen, wie ook zelf van hooger geestelijken aanleg is, en dien aanleg wist te ontwikkelen. Ten slotte kwam 't dan neder op ó& persoonlijke hooge vlucht die de scheppende geesten konden nemen, en zoo schitterden dan een Michael Angelo en Rembrandt, een Vondel en Goethe en Shakespeare, - een Beethoven en een Handel. Geheel ditzelfde nu gasXAoor op't heilige gebied, dat van boven tot ons nederdaalt, maar toch evenzoo, in het menschélijke een aansluiting vindt. Het feit dat God den mensch naar zijn beeld schiep, dringt nog in alles door. Doch ook hier is het een graadversckfl, ja meer dan dit, ook het nog sterker sprekend verschil tusschen het geniale in den aanleg en het ordinaire. Altoos weer hebt ge met het onderscheid in het alphabet' te doen. Er zijn op elk terrein, jen zoo ook op het heilige erf, enkele klinkers en vele medeklinkers, een onderscheid, dat hier vooral sterk spreekt. Dit onderscheid zou mèegesproken hebben, ook al ware er geen breuke tusschen God en ons gekomen, maar nu die breuke kwam, spreekt dit verschil zelf seer sterk meê. Ge merkt 't nog gedurig om u heen. Ge vindt om en bij u broeders, die o, zoo warm geestelijk van aanleg zijn, dat er nauwelijks een heiliger toon behoeft te worden aangeslagen, of er vlamt iets op in hun oog en ze genieten meê. Bij anderen daarentegen kan dit gevoel wel werken, maar gelukt 't u Slechts enkele malen het krachtig op te wekken. En dan nog weer zijn er de vele nog lager staande naturen, die nimmer wakker kun­ z nen worden dan door een treffend sterfgeval in eigen kring of door een hangen druk die hun leven komt benaüw, en. Wat men O da» bij een epidemie die invalt, of gelijk nog onlangs bij 't opkomen van den bangen oorlog waarneemt, toont u, hoe zelfs in D de meest ongevoelige harten nog altoos zekere snaar aan 't trillen is te brengen.

Doch neem nu op dit terrein het hoogst denkbare, en ge nadert onwillekeurig de eminentie van dea Christus., Bij hem geen breuke uit den val in het Paradijs, maar een nabij God sijn in de vol­ g komenheid, en een nabij God zich gevoelen en bevinden, waarbij nooit en nimmer stoornis kon intreden, dan alleen op dat ééne oogenbHk aan het Kruis, toen het ging om den vloek die van ons n'ioest afgewenteld, en het Eli, Iqma Sabachtani! over Jezus stervende lippen sloop. De inwerking van den Geest was daarom bij Jezus een bestendige. Doch in de tweede plaats was het in'Jezus een wérking des Geestes j die noch verslapping noch afmatting kende, 'en zich steeds naar het Zenith bewoog. Daarbij kwam dan in de derde plaats, dat in Jezus het geestelijk mensch-zijn een centraal karakter droeg. Dit verschil kunt ge ook onder de geloovigen bespeuren. Ge zult een vader of moeder vinden, die persoonlijk en voor zich zelf sterk leven, maar de overige leden van het gezin meest aan zich zelf overlaten. Elders daarentegen zult ge een moeder ontdekken, die geheel haar gezin op 't hart draagt, zoodat ze minder voor zich zelf, maar meer voor haar gezin leeft, en heel haar gezin centraal in zich opneemt. Dit nu is de volkomenheid geweest van het centraal-menschelijk karakter dat in Jeziis uitblonk, en nog steeds uitblinkt. Als mensch, en met ons deelgenoot van de menschélijke natuur, is Jezus niets voor zich zelf; maar als met heel zijn wezen uitstralend in het Lichaam der uitverkorenen. Het is alles in hem centraal. Hij voelt niet alleen voor zich zelf, maar doorvoelt het geestelijk zijn van heel het Lichaam, waarvan Hij 't Hoofd is. En dan in de vierde plaats kon Jezus zeggen: Eer Abram was, ben ik. Zijn duur was niet de levensduur van drie en dertig jaar, maar zijns was een terugleven, en een meeleven en een vooruit leven. Een terugleven tot in het Paradijs, een meeleven met de geloovigen in elk tijdperk, en een vooruit leven tot in de zalige voleinding.

Hieruit nu vloeide van zelf voort, dat, zoó 't niet te pneerbiedig is, om deze, uitdrukking ook van onzen Heiland te bezigen, de geestelijke voelhorens bij Jezus volmaakt^ in aard en graad waren. Het heilige in Jezus droeg een gestalte van de hoogst denkbare artistieke ontwikkeling. In hem zooals in niemand buiten hem, en nooit anders dan door hem. Hoe ter wereld wil men ons dan de valsche en onhoudbare voorstelling opdringen, dat het Boek dat Daniels naam draagt, niet.anders dan verzonnen verhalen zou bevatten, geheel leugenachtig en gefantaseerd zou zijn, en dat Jezus de g; eestelijke gave zou gemist hebben, om dit onwaarachtige in dit verzonnen product, onmiddellijk te voelen, gewaar te worden, te brandmerken en te veroordeelen. Was het boek van Daniel metterdaad het geschrift van onware verdichting en brutale speling tnet het - heilige, gelijk de critici sinds Michaëlis, en vooral sinds Bleek, voorgaven, zoo zou het geestelijke waarnemingsvermogen en hét geestelijk bevattingsvermogen bij Jezus, zoo hij dit niet ontwaard en niet gemerkt had, op zeer laag peil, in stee van op 't hoogste . peil, hebben moeten staan, en zou onze Hejland van zijn geheel eenige hoogte, ook voor wat zijn menschélijke natuur aangaat, tot een peil dalen, dat op artistiek terrein onder onze corypheën slechts verachting zou inboezemen. Als heel het boek Van Daniel verzonnen en valsch ware, en het geestelijk bevattingsvermogen van Jezus had dit «zV/ontwaard en niet gevoeld, zoo zou Jezus o'ok binnen de grenzen onzer menschélijke natuur niet meer 't Hosannah aan ons hart kunnen ontlokken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 1916

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 1916

De Heraut | 4 Pagina's