Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Zij zagen, dat de smart zeer groot was”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Zij zagen, dat de smart zeer groot was”.

9 minuten leestijd

Alzoo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten ; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen dat de smart zeer groot was. Job II : 13.

Uit oude dagen komt ons nog telkens het bericht toe van een geheelen leyensomkeer, die met het intreden van een sterfgeval in den huislijken kring intrad. Vooral bij de heidensche^ volken kwam dit sterk uit, maar toch ook in Israel bespeuren we gedurig, hoe in het heilige lan(| gebruiken van rouw in zwang waren, die óns geheel vreemd zijn, en die we nauwelijks meer verstaan. Onder de Ameiikaansche volken uit den ouden tijd en zoo ook op de Zuidzee-eilanden gingen deze rouwgebruiken veelal zoover, dat er zelfs berooving van het leven by was ingevoerd. Doch al was van zulk moordend gebruik bij Israel geen sprake meer, toch ontwaren we bij het lezen, van het Oude Testament vooral, nog gedurig, hoe er ook in Israël bij het sterven vooral van hooggeplaatste personen nog rouwgebruiken in zwang waren, waaraan bij ons niemand zelfs meer denken zou. Om ons nu tbc de meest alge meene gebruiken te bepalen, zoO; was het ook in Israël vrijwel vaste gewoonte, dat men bij rouw zijn kleed scheurde, zijn haar afsneed, en niet een» rouwkleed aantoog, maar zich in een jak van ruwe stof inschoof, en aldus ontoonbaar zijn rouw voleindde. Ook werden treurders en klaagsters in huur genomen, om ten minste zeven dagen lang de rouwusantiën stipt na te komen. .Een sterfgeval in de familie was dan ook een gebeurtenis, die heel het huiselijk leven uit zijn voegen lichtte, en op alles een stempel van rouw en smart afdrukte.

Bij ons is, vooral in later jaren, vlak het a tegendeel almeer in zwang gekomen. Niets is thans gewoner, dan dat men zelfs geen rouwbezoek afwacht. Het dragen van het rouwkleed kwam óf in onbruik óf werd omgetooverd in een prachtkleedij van zwarte tint, die niet zelden 't overige gewaad in aantrekkelijkheid te boven ging. In het algemeen daarentegen kan men zeggen, dat 't Oosten en het Westen almeer op het punt van den rouw vlak tegenover elkaar komen te staan. In het Oosten schier allerwegen rou w-usantiën, die lang gerekt, die op alle manier uitgebreid worden, en waaraan een ieder de hoogste waarde toekent, en daarentegen in 't Westen, en zoo ook in ons land, een neiging, om allen rouw te laten zwichten, tegen alle rouwbezoek in te gaan, en ten slotte niets over te houden, dan 't over en weder toezenden van een kaart of rouwbrief. Of ook, want ook dit komt nog voor, dat men wel rouwbezoek afwacht, maar dat er bij dit bezoek van den overledene nauwelijks gerept wordt. Stellig werkt hier het ongeloof onder mede. Waant men toch eenmaal, dat het met den dood uit is, dan laat het zich begrijpen, dat men van den dood, waar die intrad, liefst zoo weinig mogelijk gewag en drukte maakte. Alleen blijft het een vraag, of de Christenen niet een verkeerden weg inslaan door zich naar zoo ongevoelige gewoonte te voegen.

Gelijk onderscheid nu doet zich eyenzoo bij ernstige zieken voor.

Job blijft nog altoos van ernstige zieken het aangrijpende type, en het laat zich daarom zoo verstaan, hoe de dusgenaamde vrienden van Job schier stemmeloo* op hem staarden, zijn bange smart aanzagen, er indrongen met hun gevoel zoover ze konden, » maar dan ook door 't zien van Job's lijden zoo bang werden aangegrepen, dat ze bij de aanschouwing van lijn bange smart verstomden, en dagen lang met hem verkeerden, zonder' nog het woord te vinden, om met zijn diep ingaande «mart een sprekend medegevoel in hun eigen hart te voelen opkomen. Ze voelden zich verbijsterd. Bij wat ze van Job zagen, en van hem hoorden, verstomde hun uitingsvermogeh. Ze zwegen niet een enkel oogenblik, maar uren, dagen lang, en dat alleen, ïooals er staat, omdat ze zagen, ^dai xijn smart zeer groot was". En hierom, zoo staat er dan bij, «sprak niemand een woord tot hem". Ze zaten er bij en op Job was aller oog gericht, ze luisterden naar wat Job's vrouw hun te kennen gat. En wat meer nog zegt, ze kenden Job van voorheen, toen hij de rijke, gezegende Job was, de vader van heerlijk opbloeiende kinderen, de bezitter van groote landouwen en rijke veekudden, over heel 't land door als een der meest gezegende inwoners bekend; — en nu was alles hem ontvallen. Zijn knechten, zijn land, zijn kinderen en al zijn huisgenooten, en ten slotte was hij ook persoonlijk aangetast, en werd hij getroffen door een zoo bange krankheid dat hij als - een verlorene op den aschhoop nederzat.

Dit alles wisten Job's yrienden, die tot hem kwamen, en ie waren er door verpletterd. Daarom waren ze van verre komen opdagen om hem te bezoeken en te-troosten. Doch nu ze bij hem waren, en niets vonden dan dien afschrikwekkenden aschhoop, op diezelfde eive, waarop ze eens Jobs weelde meê hadden genoten, niets meer terug vonden, dan zijn bijna verwoest lichaam, te midden van de puinhoopen van zijn vroeger geluk, toen geraakten ze geheel verbijsterd, toen vonden ze niet aanstonds woorden, om hun medegevoel uit te drukken, en toen zaten ze daar zeven dagen bij Job's aschhoop met een doodende beklemdheid in hun hart, niet wetende wat ze zeggen moesten, om Job hun medegevoel te toonen, en met de weening die van hun eigen hart uitging, hem tegemoet te komen.

Nu zijn bij ons de gewaarwordingen die bij zulke ontmoetingen door ons hart gaan, gemeenlijk heel anders, zóó zelfs dat we vaak onder den indruk verkeeren, alsof het lijden onder ons' zoozeer was afgenomen, dat van zulk een smart onder ons nauwelijks sprake meer komt.

Dit nu is ongetwijfeld een vergissing. De zorge voor de kranken is bij ons heel anders geworden, en daardoor heeft het lijden een geheel ander beeld erlangd. Maar toch vergist zich, wie waant, dat er in onze maatschappij van zulk ernstig aangrijpen door nameloos lijden nauwelijks sprake meer is. Er is betere verzorging, er staan ons smartstillende middelen ten dienste, en dit alles vormt ongetwijfeld een zegen dien we van onzen God ontvingen, maar toch vergist zich wie waant, dat van al zulk'hartaangrijpend en de ziel neerslaand lijden onder ons geen sprake meer is. Men ziet 't zoo niet meer. Het gaat alles in de verborgenheid der groote ziekenhuizen toe. Het wordt niet meer zoo naar buiten uitgedragen. Maar wie van nabij bekend is njet wat er ook in onze dagen nog aan bange lichaamssmart geleden wordt, weet maar al te goed, dat de bangheid van het lijden in 't minst niet van ons week. Gestild moge veel leed kunnen worden, maar de existentie in de gasthuizen bleef maar al te vaak, wat de smart van oudsher geweest is.

Al moge 't waar zijn, dat ons Westen op alle manier verschilt van wat 't Oosten, èn van oudsher èn zoo ook nu nog, te ondergaan en te dragen geeft, in 't uitgangspunt blijft het één. En het verschil is maar, dat wij veelal stillen, wat in het Oosten èn voorheen èn nu nog, meer met zekeren aandrang naar buiten wordt uitgedragen.

En daarbij voegt ook ons de belijdenis, dat 't lijden, 't menschelijke lijden, al bepaalt ge u tot het lichaam, ook bij ons nog altoos zulk een \diep indringend en het geluk verwoestend karakter kan aannemen, dat 't ons verstommen doet, en dat we er eer sül onder worden, dan dat we in veelheid van woorden 't zouden kunnen uitmeten.

Ongetwijfeld is er velerlei lijden, dat we verstaan, deels omdat we er zelf iets van ervoeren, deels omdat we er de proeven van bij onze huisgenooten waarnamen. Doch afgezien van deze meer gewone gevallen, die we verstaan en doorzien, en waarin een woord van deelneming en liefde troost kan aanbrengen, doen zich ook nu nog telkens zoo aangrijpende lij densgevallen voor, die we aanzien, waarop we staren, maar die-ons stil maken, en waarbij 't nog letterlijk is gelijk 't hier in Jobs verzen staat, dat er geen woord over onze lippen komt, dat de smart te verscheurend en te vernietigend is, om door een woord van troost bereikt te kunnen worden, zoodat ook wij veelal in een stil aanzien van den lijder met ons oog de uitdrukking van ons-medelijden naar hem laten uitgaan, om hcpi te doen gevoelen, hoe diep we in zijn Hjden deelen.

Dat blijft dan niet zoo. Ten leste laat de rme lijder iets van zich hooren, en zijn diepe klacht ontlokt ons dan een van zelf deelnemend antwoord, Maar de eerste ontmoeting geeft voor wie gevoelig van zinnen is, toch ook nu nog geheel gelijke uitkomst. We zien dan den armen patient voor ons. We' gevoelen behoefte om eerst een oogenblik in zijn lijden in te dringen. En als we dan^de uitdrukking van diepe smart op zijn gelaat ontwaard hebben, en een indruk in ons hart opnamen van wat er in het verborgen van zijn zielsleven omgaat, dan is ook nu nog zoo vaak de eerste indruk, dat we eer verstommen, dan dat we spreken durven, en geheel als zwijgen onder den indruk van wat er in 't hart, in 't gevoel en in de gewaarwording van den armen lijder omgaat, die nureé^s dagen lang daar zoo ligt, en morgen en overmorgen dezelfde bange aandoeningen zal hebben te doorworstelen.

Straks gaan ook wij hem dan toespreken, maar de eerste indruk bij zutli een ontmoeting is toch ook nu nog maar al te vaak, dat we geen woord tot hem spreken kunnen, juist wijl we zien hoe groot de smart is die hem beklemd houdt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 juli 1918

De Heraut | 4 Pagina's

„Zij zagen, dat de smart zeer groot was”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 juli 1918

De Heraut | 4 Pagina's