GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Wees gegroet, gij begenadigde !”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Wees gegroet, gij begenadigde !”

10 minuten leestijd

[KERSTFEEST 1918.]

En de engel, tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet, gij benadigde; de Heere is met u; gij zijt gezegend onder de vrouwen. Lulcas I : 28.

De ongelijke bedeeling die van Godswege ons, kinderen der menschen, toekomt, spreekt wel in niemand sterker dan in Maria, de moeder des Heeren. Slechts aan één vrouw kon het geheel eenig voorrecht te beurt vallen, om het heilig Kindeke in haar schoot te dragen en aan haar moederborst te verkwikken; en ook nu nog mag gezegd, dat er geen vrouw onder alle vrouwen der volken geweest is, aan wie hoogere eere werd toegekend.

Van Roomsche zijde is dit zelfs op eenzijdige wijze overdreven, terwijl omgekeerd allicht van ons kan gezegd worden, dat we, in reactie tegen Rome's overdrijving, de Moedermaagd te zeer naar den achtergrond drongen. Zij 't toch al, dat de Christus zelf, toen 't niet anders kon, zijn moeder terugwees, aan het Kruis is toch de hooge genade over haar uitgesproken, en om Jezus wille voegt 't toch ook ons, een vrouw te eeren, die van Godswege onder alle vrouwen in alle geslachten, tot de hoogste eere verkoren was.

Niet natuurlijk alsof het hooge in den Christus door hem van zijn Moeder zou ontvangen zijn; het hooge in den Zone Gods was in het Zoonschap zelf en in de heilige ordinantiën Gods gelegen. Maar al is 't dan ook, dat niemand de hooge en heilige eigenschappen van den Christus uit Maria zal pogen af te leiden, alsof deze eigenschappen eerst in Maria waren, en uit haar in den Christus zijn overgegaan, toch gevoelen we allen, dat Maria een eenig hoog staande vrouw moet geweest zijn, dat haar de eere is toebedeeld de moeder van den Christus te mogen zijn.

Reeds onder de vooraanstaande persoonlijkheden onder de kinderen der menschen gevoelt men, hoe de moeder van een Petrus, de moeder \aa een Johannes, en zoo veel meer, rijke genieting moeten gesmaakt hebben, toen ze ontwaarden tot wat heilige roeping heur zoon was uitverkoren; doch hoe hoog men de vreugde die hier in spreken kon, ook schatten moge, toch valt 't alles schier in 't niet weg, zoo ge, met de moedervreugde die deze ons onbekende vrouwen genoten, vergelijkt de geheel eenige genade die aan de Moeder-maagd ten deel viel.

Den Zone Gods in zich te mogen ontvangen, hem negen maanden lang m haar schoot te mogen dragen, uit zich als eigen kind te zien geboren worden, hem aan haar borst gezoogd, en als eigen lieveling omhelsd te hebben, het is zulk een geheel eenige heerlijkheid geweest, dat we ons op aarde nauwelijks een andere zielevreugde denken kunnen, die met wat Maria ten deel viel ook maar te vergelijken was.

Te meer grijpt dit geheel eenig voorrecht, dat aan Maria ten deel viel, bij alle nader indenken u aan, omdat 't zoo uit alles spreekt, hoe Maria zelve hieraan niets toebracht, en hoe het louter en eeniglijk een uitverkiezende genade van haar God is geweest, die haar tot deze gansch eenige en met niets anders te vergelijken heerlijkheid riep. Eer Gabriel haar de heilige boodschap bracht, was er niets dat haar over wat te komen stond, kon doenzinnenofpeinzen.Inden volsten in des woords bespeurt men dan ook, hoe de genadige boodschap die Gabriel haar bracht, voor Maria in ieder opzicht een onnaspeurlijke verrassing is geweest. Zij leefde in Nazareth als maagd onder de andere vrouwen in haar omgeving. Ze stond niet hoog in aanzien door haar maatschappelijke positie. Ze rekende mede onder den kleinen burgerlijken stand. En niets wees er op, dat zulk een geheel eenige en verrukkelijke eere haajr zou te beurt vallen.

Ook bij Maria werkte niet.anders dan verkiezende genade. Het was God Almachtig die onder de honderd en meer jonge maagden, die in Nazareth onderling verkeerden, geen der andere, maar juist haar tot deze hoogste eere riep en tot deze geheel eenige bestemming gekozen had. Zij verstond 't dan ook zelve niet, wat ze zoo plotseling hoorde dat haar te beurt viel, en toen ze straks naar Elisabeth toog, wijl ze vernomen bad wat aan deze bejaarde vrouwe overkomen, was, kon ze zich bij Elisabeth hiet anders dan in de zalige gedachte bevonden hebben, dat, hoe hoog ook de genade was, die aan Elisabeth ten, deel viel, toch de haar beschoren gelukzaligheid boven wat aan Elisabeth ten deel viel, zoo verre uitging.

Zoo kennelijk komt 't in de onderscheiding tusschen Elisabeth en Maria dan ook uit, hoe 't onze God is, die geheel onafhankelijk van ons wenschen en begeeren, over de plaats die we in het leven zullen innemen, beschikt. Er is voor een jonge maagd geen hooger eere denkbaar, dan hetgeen in Nazareth door den engel Gabiiël aan Maria als haar straks intredende eere werd aangekondigd. Er zullen allicht ook onder de andere jonge maagden in Nazareth, of in Bethlehem en-Jerusalem, geestelijk hoogstaande personen geweest zijn, die op zichzelf in niets beneden Maria stonden. Waarom is nu Maria tot die hoogste eere verkoren, en rijn 't die andere niet ? Van zelf kan hierin niet anderi spreken, dan Gods onderscheidende verkiezing en-genade. Het zijn niet Maria's ouders geweest die haar uitverkoren. Aangenomen mag natuurlijk, dat haar geslacht hoog stond, en dat de erfenis, uit haar geslacht haar toegekomen, haar met geestelijke gaven verrijkt had. Doch dit was evenzoo het geval geweest met tal van jonge maagden uit Davids geslacht, die in de voorafgaande eeuwen het geslacht voortplantten. Maar hier is een keuze uit de vele gedaan. Hier is één eenige jonge maagd uit de honderden van haar geslacht uitverkoren, en die uitverkiezing rustte niet op wal in Maria, krachtens haar eigen natuur, school, maar eeniglijk op de verkiezende waardschatting en hoogstelling, die haar van Godswege toekwam.

Ja, hier bleef het niet bij.

Wie als jonge maagd tot zulk een eere verkoren wordt, om moeder van den Zoon des menschen te moge worden, staat van zelf bloot aan ongemeene verleiding, om zich op die eere te verheffen, er eigen grootheid in te zoeken, en zich hoog onder de vrouwen van ha, ar omgeving te gevoelen. Nu leert ons het Evangelie-verhaal ongetwijfeld, dat .Maria een enkel maal haar juiste-positie niet geheel doorzien heeit, en zich over den Christus als haar zoon zekere machtsbeschikking toeschreef, die minjuist was opgevat. Het sprak dan ook van zelf, dat Maria aanvankelijk niet het volle inzicht had noch in de beteekenis van den Christus, noch in de juiste verhouding die haar tegenover den Zone Gods en den Heiland der wereld voegde. Vandaar de terechtwijzing die haar wel ten deel moest vallen. Maar dit daargelaten, is en blijft toch de geheele verschijning van Maria tot zelfs aan het Kruis van Golgotha u op alle manier boeien en aantrekken.

Zoo ontwaart ge het in Maria's wondere leven, dat het God niet belieft, alle kinderen der menschen op één lijn te stellen, opdat ze zelve door eigen gedrag en eigen keuze zich den levensweg bepalen zouden. Zoo ooit bij iemand, dan ontwaart ge 't bij Maria, hoe 't onze God is, die voor ons kiest, en het pad onzes levens bepaalt. Het is niet alzoo, dat alle kinderen der menschen voor God op één lijn zouden staan en onderling gelijk zouden wezen, tot ze straks zelve de keuze deden die voor hun toekomst besliste. Ook die eigen keuze telt mee, en kan niet buiten rekening blijven. Maar achter die eigen keuze ligt toch de keuze die God voor ons doet. We zijn zijn creaturen. Hij beschikt over ons. En waar Hij ook een menschenkind van bijzondere gaven voor een bijzondere levenstaak van noode heeft, daar wacht Hij niet op wat er naar aard en ontwikkeling zich aan zal bieden, doch daar grijpt Hij zelf in, daar doet Hij als God de keuze, en naar zijn keuze is, verleent Hij dan de gaven, en de gelegenheden, waaruit vanzelf de bereiking van het door Hem gestelde doel zal voortkomen.

Ten deele merken we dit gedurig. Reeds wezen we er op, hoe dit evenzoo uitkomt in 't Apostolaat. Doch nergens spreekt deze vrijmachiige keuze van Gods zijde zich zoo eenig en alles beheerschend uit als in de roeping van Maria door den Engel Gabriel. Waarom wendde zich Gabriel tot haar, en niet tot een andere maagd, waar er toch bij honderden en bij duizenden jonge maagden in Palestina en in de verstrooiing onder de maagden Israel's gevonden werden? En op die vraag nu is geen ander antwoord te geven, dan Gods vrijmachtig bestel. Hij was het, die Maria uit het heilig geslacht had doen geboren worden. Hij was 't, die in haar een natuur en aard inschiep, gelijk die aan de Moeder van het heilig Kindeken voegde. Maria is hier in alles lijdelijk. Zij ondergaat het. Haar wordt 't beschoren. Zij is de onder alle maagden uitverkorene. En die haar verkoos en haar 't heilig Kindeken schonk, was de Heere, haar God.

scheidt ons steeds meer af van onzen z hemelschen oorsprong en hemelscheroeping. Als straks, als vrucht van uitgeputheid, de vrede weer mag keeren, zal er in heel 't samenstel van ons menschelijk leven zulk een achteruitgang, zulk een geestelijke mindering te betreuren zijn.' Vooral thans hebben we daarom aan het getuigenis, dat van 't Kerstwonder uitgaat, zoo dubbele behoefte. Zelfs op het slagveld is dit ervaren. Dan verlokte het Kerstfeest tot een gevechtspauze. Er werd op 't slagveld weer van Bethlehem gezongen, en op meer dan één plek van den wereldstrijdis 't beleefd, dat men van weerszijden dien dag elkander naderde, eh dat.men 't zwaard opstak om saêlm den jubelzangvan Bethlehem aanteheffen. Thans schreed de wederzijdsche verbittering-zoo pijnlijk voort, dat er bijna niet meer op zulk een Kerst-intermeizo te hopen valt. Doch juist daarom moet in ons de drang te sterker zijn, om in ons. God zij dank, nog neutrale volk, den jubel voor Bethlehem met te inniger dank en te warmer bezieling ook op het nu naderend Kerstfeest aan te heffen. Het is zoo, we zijn nog neutraal, maar ontsluit er daarom toch het pog voor, wat eenzijdigen hartstocht de oorlog buiten onze grenzen ook ten onzent in zoo menigen kring heeft aangevuurd. Wie neutraal mag blijven, ziet zich steeds een kans op geldelijk gewin geboden, die wel niet allen ten goede komt, maar toch duizenden geluk belooft. Het daardoor geboden gewin veroordeel ik daarom niet, maar gevoeld en beleden moet dan toch worden, dat zulk grof gewin zoo licht het hart aan de materie bindt, zoodat bijna angst velen bekruipt als de vrede te naderen schijnt, angst dat met den terugkeer van den vrede allicht dat ongewone profijt hun ontvallen zou. Diep zondig is de daardoor in ons gewekte trek van 't hart, en ook daarom spreekt de nadering van het Kerstfeest ons met zoo heiligen ernst toe. Met vertroosting voor wie door den ontzettenden oorlog achteruitgang leed, maar ook met bestraffing voor wie er door won en zich verrijkte, en er den band met zijn heiligen God door verslappen liet. Kon men de schare van deze met schat en geld verrijkten op den komenden Kerstdag naarBethlehem leiden, om hen op die heilige plek den Kerstjubel te doen beluisteren, vanzelf zou het egoïsme zijn hoogen toon verliezen, en zouden ze in het Engelenlied zicb pogen te verzoenen met hun God. Doch al valt hier niet aan te denken, in heiligen ernst mag toch ook uit onzen kring de bede opgaan, dat onze God ons van het aardsche los moge maken, om ons aan het hemelsche onlosmakelijk te binden. Ook tot ons hart, ook al ware het schuldig geworden, moet van den Kerstjubel een heiliging uitgaan, die ons van de wereld weer losmaakt, en ons in het Kindeke van Maria weer voor eeuwig bindt aan den God van alle genade.

Dr. A, K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 december 1918

De Heraut | 4 Pagina's

„Wees gegroet, gij begenadigde !”

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 december 1918

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken