GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„het is volbracht”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„het is volbracht”

8 minuten leestijd

Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide hij: Het is volbracht. En het hot)fd buigende, gaf den geest. Joh. XIX : 30.

Er moet in het lijden van onzen Heiland onderscheiden worden tusschen de smart van de Kruisiging, en zijn plaatsbekleedend dragen van der uitverkorenen doodschuld. '^l bestaat er toch tusschen deze twee smarten samenhang, en vooral geestelijk verband, toch mag daarom het principieele onderscheid dat tusschen deze beide bestaat, geen oogenblik uit

het oog worden verloren. Toen de Christus aan zijn Kruis den zoo bitteren uitroep deed hooren van het Eli^ Lama Sabachtatii, trad hij in onze plaats op, en droeg hij onze schuld. Hij verzonk in de schuld van Gods uitverkorenen. Met de schuld van Gods uitverkorenen als overkleed, werd de gemeenschap tusschen den Christus en zijn Vader afgebroken. Zijn verlatenheid van God was niet een schijninbeeldiog, maar volle werkelijkheid. De Vader liet den Zoon los, opdat hij, in onze stee, onze plaats bekleedend, de bange wiake Gods over de zonde dragen zou, en in de oogehblikken, waarin hij plaatsbekleedend deze onze schuld droeg, was er niet-maar in schijn, doch in volle werkelijkheid een scheiding tusschen den heiligen God en den Middelaar ingetreden. Dat hierbij ook tijdsonderscheid intrad, spreekt van zelf. In de eerste ure na de Kruisiging trad de verlatenheid van den Vader nog niet aanstonds in. Men merkt dit aan Jezus bezig zijn met degenen voor wie hij bad. Doch daarna kwam de donkere ure, een bange donkerheid, die tegelijk èa geestelijk èn natuurüjk intrad. Er trad, door zonsverduistering, een duur van enkele uren in, waarin het licht van den dag niet slechts beneveld, maar geheel in donkerheid was ondergegaan. En niet aanstonds na zijn Kruisiging, maar toen eerst trad de bange verlatenheid van den Middelaar in, toen de Vader hem begaf en losliet, en het was bij het intreden van die bange ure, dat de Middelaar het uitritp: > Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten ? " Dat Eli, Lama Sabachtani was volstrekt niet het opkomen van de heugenis van een woord uit het Oude-Testament.'Ge moogt 't u geen oogenblik voorstellen, alsof die verlatenheid van zijn God eeniglijk in Jezus verbeelding intrad. Integendeel, die verlatenheid van ziJLGod was de kern van het ons reddende, plaatsbekleedend lijden. Het is in die ure der donkerheid, dat de Middelaar in zijn zielsbestaan vaiv den Vader als werd afgescheiden. Toen week uit hem het Goddeüjk licht en werd hij als overtogen door een demonische donkerheid. Het was in vollen en in ernstigen zin een van zijn God verlaten zijn, en een overgegeven worden aan de Satanische bitterheden.

Hiermede is-in 't minst niet gezegd, dat ook het overige lijden, dat Jezus door en aan het Kruis droeg, niet rechtstreeks met onze redding en verlossing in verband zou hebben gestaan. Van Bsthlehem af was er, als we het zoo mogen uitdrukken, een lijden dat de Christus plaatsbekleedend voor ons droeg, en allerminst moogt ge vergeten, hoe ook de kruisiging op zich zelf een bang en bitter lijden bracht.

Niemand twijfelt er aan, of de Christus was ook in zijn menschélijke natuur van zeer fijne en teedere gevoeligheid. Ge ziet dan ook, hoe reeds het uitwendige Kruislijden Jezus zooveel meer dan de twee medekruiselingen aangreep, als gevolg waarvan uitdrukkelijk vermeld wordt, dat Jezus door zijn kruissmarten stierf^ terwijl den beiden medekruiselingen, die nog niet dood waren, de beenen moesten gebroken worden. Denkt ge u in, wat 't voor Jezus moet geweest zijn, dat door beide zijn handen de dikke kruispinnen moesten gedreven worden, en dat onze Heiland toen urenlang aan die ijzeren pinnen gehangen heeft, dan voelt ge aanstonds wat bange smarte dat Jezus moet hebben aangedaan. En voegt ge daarbij wat onze Heiland te lijden kreeg door den hoon en den smaad dien de priesters en pharizeën hem toeriepen, dan verstaat ge het ten volle, hoe, ook afgezien van de Godverlatenheid, die uren aanhoudende kruisiging van Jezus het ondergaan van het smartelijkst lijden moet geweest zijn.

Maar toch, hoe volle nadruk hierop ook te leggen zij, de volle plaatsbekleeding trad in het lijden van Jezus toch toen eerst in, toen de Godverlatenheid hem innerlijk overviel, en hij den toorn Gods, gelijk die tegen de zonde van heel ons geslacht trilde, tot in de diepste gewaarwording van zijn zielsleven te doorworstelen had. Ge ziet dan ook in het Evangelieverhaal, hoe in de eerste ure van de Kruisiging van deze Godverlatenheid nog geen sprake was, hoe ze daarna met het > Eli, Lama Sabachtani* intrad, maar hoe ze daarop dan ook ten einde liep, tot het Volbracht van Jezus' lippen mocht glijden, en hij 't »In Uwe handen beveel ik mijnen geest» zijn Vader weer mocht toeroepen.

De toon van Jezus' woord, en de stemming van het innerlijk bewustzijn, die in dien toon zich uit, is dan ook rechtstreeks tegenover gesteld. In het: «Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten f« werd de Heiland op dit eigeu oogenblik niets meer gewaar van de zaligheid die er in de gemeenschap met den Vader lag. Die gemeenschap was op dat oogenblik afgebroken. In ónze plaats onze schuld op zich nemende, en onder die schuld verzinkende, greep de bangste foltering heel Jezus' wezen aan. Dieper dan één onzer het ooit zou kunnen, moest de Middelaar op dit oogenblik in ons zondewezen indalen^ en den jammer en de volle ellende over zijn zielsbewustzijn laten komen, en, zoo aan zichzelf vervreemd, als ganschelijk van zijn God afgescheiden en verlaten worden. Dit was hei bangste oogenblik dat Jezus aan het Kruis doorleefd heeft. Ook de lichamelijke smart aan het Kruis was bang en pijnlijk, maar toch, die lichamelijke smart kon zich nauwelijks meer doen gelden, toen de geestelijke vertwijfeling intrad, en die heeft voortgeduurd, tot Jezus zelt in zijn uitroep: > Het is volbracht», het einde er van dankend kon uitspreken.

Het is dezelfde Jezus, dezelfde Middelaar, die zoo pas nog in de donkerheid van de verduistering der zon het Eli, Lama Sabachtani uitriep, en die nu jubelend en dankend zijn: > Het is volbracht» daarop volgen laat. Die uitroep: iHetisvolbracht!" weerklonk in geheel anderen toon. Door de geestelijke smart, dieindeGodverlatendheid voorafging, was Jezus zoo uitgeput in zijn kracht, dat hij behoefte had, al was 't aan edik, om zijn stemgeluid weer de oude kracht te hergeven. Doch toen dan ook de stem zich weer uiten kon, bleek op eenmaal hoe alle bekleradheid van de Godverlatenheid nu geweken was, en hoe de Christus, weer in zelfgpmeenschap met den Vader getreden, het Volbracht over Golgotha kon doen weerklinken. Met dit Volbracht is de geestesitemming van den Christus in den klank van zijn woord geheel teruggekeerd, gelijk die aan vèmkelijk was. De gemeenschap met den Vader is weer de kracht van zijn innerlijke bezieling geworden. En nu gaat 't klimmend in heilige innigheid van het Volbracht schier onmiddellijk in de betuiging van zalige herwonnen gemeenschag over. „Vader, in Uwe handen beveel ik mijnen geest!”

Uiteraard beduidt dit in 't minst niet, dat het reëele sterven, dat alsnu te volgen stond, niet vernieuwing van lijden was, maar toch Jezus doet 't zoo klaar uitkomen, dat hij het sterven voor zijn verlosten geheel willig en zonder tegenkanting onderging. Dat uitwendige lijden en sterven had hij op zich genomen, en daaraan onderwierp hij zich met de volle overgegevenheid van zijn wil. Vanzelf overkwam ook hierin aan onzen Heiland een bitter lijden, het lijden van 't sterven, om in den dood in te gaan; doch dit kon gedragen en ondergaan, omdat bij dit alles de zalige gemeenschap met den Vader genoten eo. gevoeld werd. Doch juist dat heilige en zalige was hem onthouden, toen 't Eli, Lama Sabachtani! hem innerlijk verscheurde. Toen was de breuke tusschen zijn innerlijk zielsbesef en zijn Vader intreden. De toorn zijns Vaders had zich toen tegen hem als drager van der menschen zonde gekeerd, en dit kon niet doorgedacht, niet doorleefd, en niet doorgezet worden, of in Jezus eigen ziel en in Jezus eigen gewaarwording moest de gemeenschap met den Vader in Godverlatenheid, en de verkwikking van Gods liefde in een afstooting door Gods heiligen toorn worden omgezet. Dit hield niet aan. Het vormde veeleer een overgang in het lijden van den Messias. Hij verzonk in de diepte van Gods toorn, droeg dien, en doorleefde er al 't bittere en bange van. Maar dit bleef niet. Straks, toen de Christus tot op den diepsten bodem met z^jn eigen menschelijk zielsbesef de bange benauwing van Gods toorn gevoeld en doorworsteld had, en hij uit de diepte der zelfverzinking zich weer mocht opheffen, keerde aanstonds de zalige gemeenschap met zijn Vader terug, en kon zijn: liet is volbracht! schier juichend door hem beleden worden. En van dit alles omkeerend oogenblik af ziet ge dan ook, hoe de donkerheid van het Lama Sabachtani aanstonds in zijn tegendeel omslaat, in het Volbracht de juichtoon mag weerklinken, en met het: Vader, in Uwe hand beveel ik mijn geest! het Gode toegewijd en ons reddend sterven intreedt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 april 1919

De Heraut | 4 Pagina's

„het is volbracht”

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 april 1919

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken