Twee-en-dertigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 53
LI
doch de natuur is niet het Goddelijke Wezen zelf; dat is transcendent, is buiten en boven de natuur. Hij k a n steeds al harfe krachten en werkingen, al de h a a r verleende energie, leiden naar Zijnen wil, ook tegen de gewone haar voorgeschreven orde. Dit is de inhoud en strekking van het derde door mq genoemde beginsel, d a t tegen het monisme, het pantheïsme, het deïsme en dergelijke philosophische bespiegelingen ingaat. Het vierde be,ginsel eindelijk ziet op den onderwerpelij ken ksjit van de natuurwetenschap. B.et houdt in, «iat wij werkelijke kennis van de natuur, van den aard en het wezen der dingen kunnen verwerven, doch binnen zekere grenzen: het werk, d a t God gemaakt heeft, uitvinden van h e t begin tot het einde, kan een mensch niet, en onae kennis blijft altijd m e n s c h el i j k e kennis, d. w. z. afhankelijk van de materieele en geestelijke middelen, waardoor wq tot bennis komen. Kennis is altijd het resultaat van de werking van subject en object beide. AV^' zien h e t licht en de kleuren door o n z e oogen, wij hooren door o n z e ooren, wij tasten en voelen weerstand en druk naar de mate van o n z e kracht. Welke voorstelling'en wij zouden hebben van de diAgen, indien wij bijv. de oogen van een adelaar, het reukorgaan van een politiehond, de kracht van een olifant hadden, is ons onbekend. Zoo kunnen wij ook alleen' kennen naar de mate en de . cherpte van het redelijk oordeel, dat ons is gegeven. -Wel trax'ht de wetenschap verschillende persoonlijke factoren, die ongelijkheid in het proces van ons kennen ten gevolge hebben, zooveel mogelijk te elimineeren of te compenseeren, maar van het algemeen menschelijk kenvermogen blijft ook zij steeds afljankelijk. Daaruit volgt echter niet, d a t onze kennis geen werkelijke kennis zou zijn. Wie gelooft, dat do mensch door God geschapen is en van Hem zijn vermogen om te kennen ontvangen heeft, bezit daarin den waiirborg; da.t die kennis geen misleidende schijn kan wezen, een waarborg, die versterkt wordt door den innerlijken drang, welke den mensch tot onderzoeken en weten drijft.; door dien prikkel wordt het verwerven vaai wetenschap als een aangename plicht gevoeld. Het bennen en weten geeft, afgezien van het nut voor de practijk des levens, op zich zelf den menschelijken geest genot, ofschoon ook in d a t genot, als zoo dikwijls, de angel der smart niet ontbreekt, want die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart, omdat dan het gebrekbige en onvolbomene van ons weten blijbt. Dit alles toont, dat, niet minder 'dan bijv. de aandrift t o t voortplanting, ook de zucht om t e kennen en t e weten in de natuur des menschen zelf gegeven is en daarom niet dwaas
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Jaarboeken | 265 Pagina's