Twee-en-dertigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 46
XLIV
deel kan trekken. Dat echter, tenzij diaai w^elliclit in enkele bijzondere gevallen, de tvs'ee universiteiten van eenzelfde laboratorium en dezelfde hulpmiddelen voor de natuurkunde en de scheikunde • gebruik zouden kunnen maken, is yrijwel ondenkbaar. Het groote aantal studenten, dat aan de gemeentelijke universiteit studeert, zal plaats noch tijd overlaten voor de studenten eener andere universiteit; het torszicht op gebouwen en instrumenten en hulpmiddelen kan niet gedeeld worden, de eene hoogleera^a' zal somtijds andere eischcn stellen dan zijn collega, en daarom andere hulpmiddelen verlangen. De Vrije Universiteit. zal derhalve, wanneer zij eene' natuurkundige faculteit inricht, er oj) moeten rekenen, d a t zij een eigen gebouw, eigen assistenten, eigen instrumenten en marter ifüen noodig zal hebben. Maar, M. H., wat ik tot dusver besproken heb, betreft niet de hoofdzaak, het wezen der Yrije Universiteit, de onmisbare voorwaarde van haar bestaan; al deze doode middelen, die in elk geval nog voor geld te krijgen zijn, baten niets, wanneer de levende krachten ontbreken, wanneer geen bekwame mannen te vinden zijn, die als hoogleeraren kunnen en willen optreden. De Vrije Universiteit heeft thans reeds moeite om voor de bestaande faculteiten zulke mannen op t e sporen; Zial zij er later wel kunnen ontdekken, die voor de wis- en natuurkundige faculteit geschikt zijn? Wij hebben mannen noodig, die niet alleen de Gereformeierde beginselen kennen en van harte belijden, maar die pok gezind en in s t a a t zijn, op den grondslag van die beginselen h u n onderwijs en hunne wetenschap op te bouwen. Zullen wij die vinden? Zij zullen dan van de openbare universiteiten of uit het buitenland moeten komen. Dit laatste heeft in 't bijzonder groote bezwaren van allerlei aard, zooidat we die bron vr^wel als gesloten mogen beschouwen. Blijft dus alleen over, 'dat wij mannen zullen moeiten nemen, die aan de openbare universiteiten gevormd zijn, maar natuurlijk niet in dë richting, die de Vrije Universiteit wil inslaan. Wat die richting eischt, naar mijn inzicht althans, op het gebied der wis- en natuurkunde, w-il ik trachten in groote trekken uiteen te zetten. Voo]-af een woord over wat men de prealabele quaestie zou kunnen noemen. Is het geoorloofd, bij wetenschappelijk onderzoek en onderwijs van bepaalde algemeene beginselen uit te gaan? Om een redelijk antwoord op die vraag t e kunnen geven, moet men tweeërlei in h e t oog houden: in de eerste plaats, d a t het menschelijk geslacht en dus ook de wetenschap eene geschiedeniB heeft doorloopen, en in de tweede plaats, d a t de ziel des menschen in h a a r wezen, h a a r wetrken en hare behoeften: dezelfde bl^ft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Jaarboeken | 265 Pagina's