Twee-en-dertigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 48
XLVI
gen onder willekeurige, door den waarnemer bepaalde, omstandigheden gedaan, waardoor moeilijkheden, door de groote samengesteldheid der verschijnselen varoorzaakt, worden overwonnen. Methodische vergelijking leert de overeenstemming van gelijksoortige verschijnselen en den gi'aad van versohil bepalen en levert stof voor telkens nieuwe waarnemingen en proeven. Op deze wijze is in den loop der eeuwen de natuurwetenschap' t o t die hoogte van ontwikkeling gekoimen, die ons thans ontzag en eerbied afdwingt. De groote onderzoekers, aan welke deze ontwikkeling in de eerste plaats t e danken is, zijn bij hunnen arbeid, steeds met meer lOf minder bewustheid geleid door algemeene, fundamenteele beginselen, die echter niet voor allen dezelfde waren, veeleer dikwijls lijnrecht tegenover elkandec stonden. Deze beginselen waren -.n zijn niet het resultaat van het wetenschappelijk onderzoek, niaar integendeel de stelriegels, die aan het onderzoek richting en leiding geven. Om bij zulk eene belangrijke zaak niet in het afgetrokkene te blijven, noem ik twee groote beginselen, öie van de oudste tijden af h e t natuuronderzoek beheerschen, doch in tegengestelde richting. Het eene is het beginsel der m e c h a i u i s c h e c a u s a l i t e i t , het andere dat der t e l e o l o g i s c h e v e r k l a r i n g . De mechanische causaliteit gaat tdt van verschijnselen, die door de zintuiglijke waarneming klaar en scherp begrensd worden opgevat: duidelijk begrensde, tastbtoe lichamen, die zich bewegen en tegen elkander stootende verbindingen aangaan en nieuwe bewegingen ten gevolge hebben. Van deze, naar hij meent, volkomen duidelijke en bisgr^jpelijke verschijnselen uitgaande, t r a c h t idan de onderzoeker andere verschijnselen, die niet. rechtstreeks zintuiglijk waarneembaar zijn, n a a r analogie te verklaren ; alles wat geschiedt in de wereld, zoowel in de organische als in de anorganische, in de stoffelijke en in de geestelijke wereld,, moet volgens deze beschouwing verklaard worden uit de beweging, stoot eH druk van kleine stoffelijke deeltjes, welke beweging geschiedt naar vaste, onveranderlijke wetten. Zij, die van dit beginsel uitgaan, meenen zóó eene objectieve, niet van subjectief menschelijke opvatting'en aihankelijke, verklaring van de natuur te kunnen geven. Tegenover hen s t a a n de aanhangers van de t e l e o l o g i s c h e beschouwing der natuur. Meer of minder bewust hun uitgangspunt nemende in hetgeen door den mensch geschiedt, den mensch, die bij zijn do'en en laten oogmerken en doeleinden volgt, vatten zij ook wat er buiten hen in de natuur geschiedt op als feiten, die plaats hebben ter bereiking van t e voren gestelde doeleinden. Feiten en verschqhselen, waarbij niet rechtstreeks.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Jaarboeken | 265 Pagina's