Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Twee-en-dertigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 35

2 minuten leestijd

XXXIII

zien worden in de vacature, ontstaan door de periodieke aftreding van den heer" J. Balhuizen als lid van de commissie van, toezicht op h e t geldelijk beheer. De aftredende was niet herkiesbaar. De Voorzitter vraagt, of men ook namen wenscht t e noemen van leden, die men in deze vacature zou wenschen te zien optreden. Prof. Dr. r . L. Eutgers noemt den naam van. den heer W. H. van Schaick te Amsterdam. Andere namen worden niet genoemd. Thans wordt h e t woord gegeven aan den heer Prof. Mr. P . A. Diepenhorst, die op zich had genomen, een onderwerp voor d e jaarvergadering te behandelen. Door den spreker was als onderwerp zijner inleiding gekozen: „Universiteit en Maatschapp'ij.'' Eerst behandelde hij de vraag, of in de historie verschijnselen zijn te ontdekken, die de juistheid staven van de klacht, d a t de Universiteiten zich zelve meermalen buiten h e t maatschappelijke leven plaatsten en in koude onaandoenlijkheid zich daarboven stelden. In h e t tweede deel zijner rede Stelde Prof. Diepenhorst zich ten doel, te onderzoeken, in hoeverre van de Vrije Universiteit mag verwacht, d a t zij ten deze a a n hare roeping beantwoorde. Wat h e t eerste punt aangaat, toonde de spreker met een beroep op onderscheidene historische gegevens aan, hoe telkens weer in ruimen kring de zeden en opvattingen van hen, die aan de Universiteiten waren verbonden, botsten met den gewonen gang van h e t maatschappelijk leven. Universiteit en Maat-schappij stonden menigmaal, zoo al niet vijandig, 'dan toch vervreemd en liefdeloos tegenover elkander. Zoo kon geen sprake zijn van een waarachtig pogen a a n de hoogescholen om in de sociale worsteling met hare vele benauwende vraagstukken uitkomst te brengen. Nog eene omstandigheid dreef t o t die werkeloosheid en d a t lijdelijk toezien. Toen de volkshuishoudkunde zich ontwikkelde tot een aparte wetenschap, die ook onder de Universiteitsvakken werd opgenomen, geraakte zij aanstonds onder verderfelqken deïstischen invloed. Droomead van een harmonieuze orde, di© zich bij ongebreidelde werking van 's menschen eigenbelang zou openbaren, werd het laat-mriar-waaien-stelsel niet slechts voor den wetgever, maar voor elk hervormer t o t hoogste wijsheid verheven. Aldus ging van de Universiteit geen wezenl^ke kracht u i t op den gang der maatschappelijke ontwikkeling.' Spreker deed 3

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Jaarboeken | 265 Pagina's

Twee-en-dertigste Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag - pagina 35

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Jaarboeken | 265 Pagina's