1943 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 102
§ë aanraking komen, en, in hoever we ook den leerlingen deze correlatie kunnen bewust maken. Ik begin dan met de vraag naar de betekenis van het experiment, want dit is wel het meest verwikkelde knooppunt, waarin denken en ervaring samen komen. Een formalistisch ingesteld leraar zal de proef nooit anders zien dan als illustratie van de theorie, bij hem ligt het zwaartepunt in de begrippen en de definities, m.a.w. m het denken; de ervaring vormt een onzelfstandig, soms interessant, soms niet interessant aanhangsel van de theorie, en kan hoogstens de nuttigheid van de theorie bewijzen. Even eenzijdig is echter de tegenovergestelde mening, als zou het experiment een enkelvoudig gegeven uitgangspunt van onze kennis zijn. De eigen aard van het denken wordt hier miskend, en de gedachte gewekt, als zou het denken niets anders zijn dan het aanvaarden van allerlei waarheden, die we voor ons uitgespreid zien liggen, op een dergelijke manier als de bij de honing uit de bloemen puurt. Kennis begint echter niet met inductie uit enkelvoudige gegevens, evenmin als ze aanvangt met deductie uit willekeurig opgestelde theorieën Kennis knoopt steeds bij aanwezige kennis aan, van hoe rudimentair karakter deze laatste ook moge zijn Kennis kan nimmer uit iets ongelijksoortigs worden afgeleid, noch tot iets ongelijksoortigs worden herleid. En zo staat het nu ook met de experimentele kennis. Aan het experiment gaan allerlei onderstellingen en vermoedens vooraf, en een proef kan met worden verzonnen en uitgevoerd dan op grond van een min of meer belangrijke hoeveelheid aanwezige kennis Het lijkt me dan ook van groot belang om in ons onderwijs iedere proef voor te bereiden: we zullen daarbij moeten aanknopen aan wat bij den leerling reeds min of meer bewust geweten wordt op grond van dagelijkse waarneming, of we zullen zijn sluimerende kennis bewust maken door het richten van zijn opmerkzaamheid W a t bij den natuuronderzoeker aan vermoedens en vraagstellingen onuitgesproken blijft, maar daarom niet minder de drijfkracht vormt bij zijn denken, zullen wij als 't ware voor den leerling moeten vóór-leven en vóór-denken. Dan alleen zal hij gaan beseffen, dat alle ware kennis levende kennis is, en menselijke kennis W e mogen dan ook de voor-theoretische kennis, zoals die bij ledercn leerling aanwezig is, niet vervangen door wat wij dan de échte, dat 18 de theoretische kennis, noemen, maar moeten de laatste als een verrijking aan de eerste toevoegen en laten zien, dat ze door het denken een verdieping ondergaat Daarom lijkt het me en wetenschappelijk èn practisch noodzakelijk, om ook de gevoelswaarde
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1943
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 138 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1943
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 138 Pagina's