Beschouwingen over het Huwelijk, inzonderheid met betrekking tot de persoonlijke verhouding der echtgenooten onderling - pagina 57
Rede, gehouden bij het overdragen van het rectoraat der Vrije Universiteit
55 echtvereeniging," als in wat het volgende artikel zegt: »De vrouw is aan haren man gehoorzaamheid verschuldigd", — is mede in den laatsten tijd met nadruk aangevallen. De heer Levy noemde laatstgemeld voorschrift «onwaardig, omdat het kwetsend is voor het eergevoel van de vrouw" ^). En een ander rechtsgeleerde, de heer Jilta, verklaarde, »dat het huwelijk, wanneer men het niet van een dierlijk, maar van een verheven philosophisch standpunt beschouwt, moet zijn een vereeniging van twee vrije wezens, steunende niet op het recht van den sterkste, maar op wederzijdsche liefde: daarom," — let wel: daarom,— „een vereeniging met gelijke rechten voor man en vrouw" ^). Dit is het verheven philosophisch standpunt. Philosophie verheven boven logica is ook verheven. Mr. Van Houten komt eveneens tegen het toekennen van het gezag aan den man als stelligen regel in verzet. En lettende op wat hij over echtscheiding zegt, kan dit ons niet bevreemden. Hetgeen de heer Van Houten ten aanzien van de maritale autoriteit in het midden brengt, is geheel in overeenstemming met zijne beschouwingen omtrent het wezen en de ontbinding van het huwelijk. Naar wij meenen, moet de gezindheid der echtgenooten steeds b e ^ woorden aan den tusschen hen geknoopten band des huwelijks, die overigens zelfstandig ^^staat. van die gezindheid niet afhankelijk. Mr. Van Houten gaat vlak omgekeerd te werk en zegt: er is in hoogeren zin alleen huwelijk, wanneer en zoolang er «samensmelting van twee levens" is; „de individualiteit — het voor zich alleen gevoelen, willen en werken — (is) opgeheven." Zoodra de toestand anders is, heeft men slechts concubinaat. En er schuilt onwaarheid in het stempelen van die verhouding tot huwelijk. Het huwelijk moet slechts de uitdrukking zijn van eene in de personen
1) Handd. der Nederlandscho Jurislen-Vereeniging. 1882. II. p. 20. Ook later in het debat sprak de heer Levy (p. 69), van het onwaardige voorschrift van onze wet, waarin gezegd wordt, »dat de vrouw gehoorzaamheid verschuldigd is aan den man." 2) Handd. der Nederlandsche Juristen-Vereeniging. 1882. II. p. 29.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1884
Rectorale redes | 102 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1884
Rectorale redes | 102 Pagina's