Beschouwingen over het Huwelijk, inzonderheid met betrekking tot de persoonlijke verhouding der echtgenooten onderling - pagina 61
Rede, gehouden bij het overdragen van het rectoraat der Vrije Universiteit
59 ons derde bezwaar, — de natuur hem daartoe aanwees, als gemeenlijk krachtiger naar geest en lichaam, en zoo meer dan de vrouw geschikt voor het huisgezin te werken. Over wat hier als de taak van den man in zijn hoedanigheid van hoofd der associatie wordt gezegd, straks nader. Thans zij slechts de aandacht er op gevestigd, hoe de heer Borret, in gelijken trant als de heer van Houten, de plaats, door hem aan den man toegewezen, alleenlijk rusten doet op de natuurlijke qualiteiten, waarmee hij begiftigd is. De man heeft het gezag, omdat hij uitnemend is, zoo wordt ons ook hier geleerd, waartegenover wij de stelling plaatsen: de man is uitnemend, omdat hij het gezag heeft. Telkens stuit men op dezelfde doling. Niet het huwelijk de grondslag der liefde, maar omgekeerd, de ,wederzijdsche liefde der echtgenooten de hechte grondslag waarop hunne verbindtenis is gegrondvest" etc. ^) En zoo wordt in gelijken trant de basis van het gezag gezocht in de gaven, waarmee men is uitgerust; het gezag gemaakt tot de uitdrukking, het natuurlijk gevolg der hoogere volkomenheid, in stee van het gezag zelf als eene bijzondere gave te erkennen, zij het ook van anderen aard dan het talent van lichaamskracht en geestelijk doorzicht. Bezien we intusschen nader, waartoe de man als hoofd van den echt door den heer Borret geroepen wordt. Zoowel deze als de heer van Houten leggen bijzonderen nadruk op het krachtiger physiek gestel, dat men gemeenlijk aantreft bij den man. En zeker niet vreemd, althans bij den heer Borret, die het uitdrukkelijk de eigenaardige taak van het hoofd der echtverbindtenis heet, voor het gezin te werken. Maar ligt dan waarlijk daarin eene van de voornaamste openbaringen van het maritaal gezag? Wordt dan ook de zoon der weduwe, door voor zijne moeder te werken, eenigermate haar hoofd in den hier genoemden zin? Naar mij dunkt, hebben beide praeadviseurs zich aan eene niet onbelangrijke begripsverwarring schuldig gemaakt. Onze vierde bedenking toch is deze, dat van maritale ') Handd. der Nederl. Juristen-Vereeniriing, 1882. I. p. 80.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1884
Rectorale redes | 102 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1884
Rectorale redes | 102 Pagina's