Beschouwingen over het Huwelijk, inzonderheid met betrekking tot de persoonlijke verhouding der echtgenooten onderling - pagina 40
Rede, gehouden bij het overdragen van het rectoraat der Vrije Universiteit
38 indissolubilitas matrimonii non proficiscitur ex ratione sacramenti, quia matrimonium, ut est sacramentum, non habet effectum indelebilem, ut characterem, nee significationem vinculi indissolubilis" ^). Zij zullen tot één vleesch zijn. Daarin ligt de onontbindbaarheid des huwelijks uitgesproken. De echtgenooten vormen eene eenheid, in die maar al te zeer vergeten waarheid, niet in utiliteitsargumenten, schuilt de kracht ter bestrijding van wie meenen, dat de huwelijkspoort, waardoor men binnen is getreden, steeds geopend blijven moet. Volgens Mr. Levy heeft ons burgerlijk wetboek het beginsel aanvaard, dat het huwelijk ook in zijn voortbestaan blootelijk op den wil der echtgenooten berust. Ik betwijfel, of hij voor die uitspraak vele rechtsgeleerden aan zijne zijde vinden zal. Maar ware het alzoo, dan zouden metterdaad in dat stelsel alle belemmeringen der echtscheiding, voorzooverre zij nog iets anders zijn dan waarborgen voor een' ernstigen wil, moeten worden prijs gegeven. Het wezen van het huwelijk zou mogelijkheid tot echtscheiding eischen. Tot eene vlak tegenovergestelde conclusie leidt echter de eenheid, waarin het wezen des huwelijks bestaat. Het huwelijk rust in zijn voortbestaan niet op den wil der beide echtgenooten, maar, omgekeerd, is het de bodem, waarop, waarboven zich hun wil voortaan slechts bewegen kan. In beginsel laat begeerte naar ontbinding des huwelijks zich even weinig denken als het uiteenvallen van den menschelijken wil met een innerlijken drang naar verscheuring des Hchaams. Het haten van elkander is voor echtgenooten even onnatuurlijk als het haten van zijn eigen vleesch. Het is daarom niet vreemd te achten, maar met het verband der dingen gegeven, dat in het tweede hoofdstuk van den Bijbel, vóór den zondeval, over echtscheiding niet één woord wordt gerept. Het eerste menschenpaar hadde er niets van begrepen; het zoude hun als ongerijmdheid in de ooren hebben geklonken. Zoo wordt de waar-
') Aangehaald bij Roedenbeck, t. a. p., p. 57. Cf. ook Friedberg, Lehrbuch des Kalholischen und evangelischen Kirchenrechts, Zweite Auflage 1884, p. 359.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1884
Rectorale redes | 102 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 20 oktober 1884
Rectorale redes | 102 Pagina's