GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Mag met een verbeterde bijbelvertaling langer gedraald ?

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

Mag met een verbeterde bijbelvertaling langer gedraald ?

19 minuten leestijd

V.

Uitgangspunt voor de bespreidng van deze urgente kwestie is liet rapport, dat in deze materie op de Synode van 1917 vrerd oitgsbracht en de konklusies, welke daar werden i aangenomen. De Synode achtte een herziening van de Statenvertaling niet beslist noodzakelijk.

Ten opzichte van de wenschelijkheid stond zg anders. Het rapport onderscheidde daarbij tus-Bohen een radikale, een beperkte herziening en een in den engsten zin. Tegen de eerste had het groote bezwaren. De laatste zou de moeite niet loonen. Het gaf de voorkeur aan de tweede. Toch meende het rapport, en de Synode sloot zich daarbij aan, dat de Synode daartoe , niet zelf het initiatief moest nemen, omdat nog te veel voorarbeid moest worden verricht.

Het bezwaar van den vóór-arbeid is thans weggenomen. Bijna een derde van heel de Schrift is door Grereformeerde Godgeleerden sindsdien opnieuw vertaald en gekommentarieerd. Dit mag voldoende geacht om met den definitieven vertalingsarbeid een aanvang te maken. Zö, die dien voorarbeid hebben verricht zijn j als vanzelf tot vertalers aangewezen.

Zij staan thans nog in de kracht van hun leven. En waar met de vertaKng een aanzienlijke tijd is gemoeid, is uitstel zeer te ontraden.

Uitgangspunt voor de bespreidng van deze urgente kwestie is liet rapport, dat in deze materie op de Synode van 1917 vrerd oitgsbracht en de konklusies, welke daar werden i aangenomen. De Synode achtte een herziening van de Statenvertaling niet beslist noodzakelijk. , Ten opzichte van de wenschelijkheid stond zg anders. Het rapport onderscheidde daarbij tus-Bohen een radikale, een beperkte herziening en een in den engsten zin. Tegen de eerste had het groote bezwaren. De laatste zou de moeite niet loonen. Het gaf de voorkeur aan de tweede. Toch meende het rapport, en de Synode sloot zich daarbij aan, dat de Synode daartoe , niet zelf het initiatief moest nemen, omdat nog te veel voorarbeid moest worden verricht. Het bezwaar van den vóór-arbeid is thans weggenomen. Bijna een derde van heel de Schrift is door Grereformeerde Godgeleerden sindsdien opnieuw vertaald en gekommentarieerd. Dit mag voldoende geacht om met den definitieven vertalingsarbeid een aanvang te maken. Zö, die dien voorarbeid hebben verricht zijn j als vanzelf tot vertalers aangewezen. Zij staan thans nog in de kracht van hun leven. En waar met de vertaKng een aanzienlijke tijd is gemoeid, is uitstel zeer te ontraden.

Daar komt nog iets bij.

Het Rapport, dat op de Synode van 1920 werd uitgebracht wees reeds op de „vaststelling van den tekst van het oorspronkelijke, waarnaar zal worden vertaald”.

Het gaf toe „Nu heeft echter sinds de 17© eeuw de arbeid aan den tekst niet stilgestaan; vooral door de ontdekking van vele vroeger onbekende handschriften zijn de ons ten dienst© staande gegevens vermeerderd, en bovendien zijn de aanwezige gegevens nauwkeuriger dan vroeger onderzocht geworden. Dientengevolge zijn vooral wat het Nieuwe Testament betreft op tal van plaatsen de juiste woorden der Heilige Schrift ons met grootere preciesheid bekend dan aan onze vaderen; en al is dit nu in verreweg de meest© gevallen voor den zin óf van geen óf van geringe beteekenis, dit neemt toch niet weg, dat hiermede een punt is aangewezen, waarin de Statenvertaling voor verbetering vatbaar is.”

Veilig kan dit nog; -rivat. sterker uitgedrukt.

We beleven in dit opzicht een hoogst merkwaardigen tijd, die met dien van de Statenvertaling veel gemeen heeft.

Toen was men over den 'öorspronkelijken tekst tot groote eenstemmigheid gekomen.

Al dagteekent de term „Textus Reoeptus" d.i. algemeen aanvairde tekst uit het jaar 1633 (hij komt voor in de uitgave Van het Grieksch© Nieuwe Testament, welk© in dat jaar bij Elsevier het licht zag) en al konden de Statenvertalers deze uitgave niet meer gebruiken, toch hadden zij bij hun vertalingsarbeid een Griekschen tekst Voor zich, waarover niet gestreden werd^ die toenmaals voor allen vast stond.

En nu doet zich iets dergelijks op.

Kon men in 1917 door den arbeid van Freiherr Von Soden nog in het onzekere verkeeren of het tekstonderzoek geen nieuwe resultaten zou opleveren, thans is men het ©r vrijw©l over eens, dat de uitgave van Nestle dit onderzoek voorloopig tot afsluiting heeft gebracht.

Aan tekstonderzoek van het Nieuwe Testament doet men tegenwoordig dan ook lang zooveel niet als tien, twintig jaar geleden.

En het valt te voorzien, dat men er zich voorshands niet meer zoo druk over maken zal ook.

Daarvoor is het werk van Nestle te voortreffelijk.

We zijn op een zeker rustpunt gekomen.

Wel is men met den Oud-Testamentischen tekst zoover nog niet. Maar hoelang dat nog duren kan, weet niemand te zeggen. Dat kan nog wel een eeuw aanloopen. Daarop valt niet te wachten.

Het is reeds een groote aanwinst, dat wij voor het Nieuwe Testament op zulk een vordering kunnen wijzen.

Aan de minder© ©©nstemmigh©id over dezen tekst kan derhalve geen argument ontleend om nog maar wat t© wachten.

Integendeel.

Thans is het psychologisch moment gekomen om een verbeterde bijbelvertaling aan te vatten.

Na lange jaren worstelens heeft men dit hoogte^ punt bereikt.

En we zouden onzen.tijd niet begrijpen, we zouden de beschikking Gods niet verstaan, indien w^' deze gelegenheid lieten voorbijgaan.

Als we ons eens mogen bedi©nen van een uitdrukking, welke we overigens liever ni©t bezigen: in dit opzicht is onze tijd „rijp”.

En „grijpt, als 't rijpt.”

Rektifikatie.

Men vestigt ©r onze aandacht op^ dat het als zouden de hoogleeraren van de Theologische Fakulteit der Vrij© Universiteit aan den kerkeraaid van Amsterdam-Zuid gemeld hebben, dat zij op een samenspre'king geen prijs stellen, niet in „De Standaard" heeft gestaan.

Wij hebben ©r onze uitknipsels op nagezien en het bleek ons, dat wij ons daarin hebben vergist, Gaarne geven we daarvan akte.

Waarom geen Interview?

Hoewel wij er totnogtoe geen gewag van maaïten, betreuren wij het toch, dat men zich onlangs in de kwestie-Geelkerken voor een vraaggesprek met ïedacteurs of redactrices van liberale of neutrale bladen liet vinden.

Eerlijkheidshalve mag ik het niet onv©rmeld laten, dat het dagblad „De Telegraaf", ten einda van meer dan één zijde voorlichting te verkrijgen, zich ook tot mij heeft gewend met verzoek om een interview.

Dat ik daarin niet kon treden, begrijpt ieder, die mij kent.

Het kan misschien ©enig nut hebben, dat ik mijn antwoord aan den desbetreffenden redakteur hier publiceer.

Hooggeachte Heer,

Wijt het niet aan minder© welwillendheid jegens de Pers, wanneer ik U bij dezen antwoord, dat ik tegen een interview als door U werd verzocht, overwegende bezwaren heb. Deze betr©ffen niet een interview op zichzelf, maar gelijk U wel vermoeden zult, een interview over d© door U genoemde kwestie.

Vooreerst toch behoort volgens mij alles wai het sensationeel karakter, dat deze kwestie helaas gekregen heeft, verhoogen kan, te worden vermeden, waartoe m.i. ook interviews, al ware het slechts om den vorm, moeten worden gerekend.

Dan acht ik het niet correct deze zaak, welke tot d© interne aangelegenheden der Gereformeerde Kerken behoort, voor het breed© publiek te b& oordeelen, aleer zij in den boezem dier Kerken zelf is afgehandeld.

Vervolgens mag ik van vele détails, welke mij bekend zijn, geen gebruik maken, zoolang deze nog niet officieel zijn openbaar gemaakt.

Voorts ben ik van meening, dat niemand over deze kwestie een definitief oordeel zich vormen kan, vóór de Generale Synode achter den rug is en dat het uitspreken van een voorloopig oordeel zeker niet in overeenstemming zou zijn met den ernst van het geval.

Bovendien deel ik, wat ik rond deze kwestie geloof te mogen en te moeten zeggen, mede in „De Reformatie" en het staat Uw Redactie natuurlijk vrij daaruit over'te nemen, wat haar goeddunkt, welke vorm mij veiliger lijkt dan ©en inter­view.

Eindelijk zij het mij vergund U op te merken, dat, indien het Uw wensch is het „audi et alteram partem" in practijk te brengen, U zich daarvoor niet tot mij moet wenden, daar de ander© partij in deze de .Classis Amsterdam en d© Particuliere Synod© van N.-Holland is, van welk© vergaderingen ik geen deel uitmaak.

Intusschen verzeker ik gaarne, dat ik voor Uw bedoeling van objektiev© Voorlichting alle waardeering heb.

Met de meeste hoogachting

Uw dw.,

V. HEPP.

A'dam, 4—11—'25.

Een Gbristelljk-Gerefornieerde stem.

IV.

Tot nu toe hebben wij gezien, dat docent v. i Schuit in zijn rede verkeerde conclusies treH aangaande de opvatting van dr A. Kuyper. Hij zeide, dal dr Kuyper's theorie is, dat de „wedeig& boorte jaar en dag in het diep der ziel aanwezig IS, zonder dat zj' tot het bewustzijn doordringt". En wij, zagen, dat dr Kuyper's gevoelen hiermee allerminst gekenschetst wordt

Er is evenwel nog meer te noemen, ten bewijze voor de bewering, dat deze christelijk-gerefornojeerde redenaar dr Kuyper op onzuivere wijze wèerg; eeft en dus evenzoo bestrijdt. Zijn polemiek vecht nog in een ander opzicht schijnbaar tegen dr Kuyper, doch in werkelijkheid tegen : windmoJens.

fWg hebben hier 'het oog op de vraag: of, en i" hoeverre volgens dr Kuyper het zaad der wedergeboorte geheel werkeloos ligt in de ziel, ja, dan neen.

Docent v. d. Schuit zegt: dr TCuyper heeft de leei uitgegeven van „de d orm ante w eder ge b oorte".

Hij noemt „de psychologische fout van Kuyper's richting de leer van de dormante wedergeboortei, waarop later de bekeering zal volgen".

„Dormant” wordt dan door hemzelf vertaald als: sluimerend.

Nu is het opmerkelijk, dat de redenaar van Apeldoorn in principe hier niets tegen heeft. E e n i g e n tijd „sluimert" ook bij hem de •wedergeboorte.

Hijzelf erkent immers ook, dat de wedergeboorte „dormant" kan zijn. Want hij geeft toe, dat „wedergeboorte en bewustz^n niet samenvallen". Zelf voegt hij daaraan toe; „Ware toch wedergeboorte aan het bewustzjn verbonden, dan zouden de zuigelingen zijn uitgesloten'. En vervolgens erkent hij ook (na enkele tusschenzinnen, die met het onderwerp niets hebben uit , te staan), dat „voor de Greref. theologie het wondere weefsel der

Hrederbarendo genade ligt" in „wat de Moderne psy-Siologie noemt: het onderbewustzijn”.

Hierna volgen deze woorden:

„In dat diep der ziel ritselen de roerselen van de levensrelatie met den Drieëenigen en Volzaligen Grod. In dien verborgen bodem leeft de wortel der zaak, waaruit scheut, stengel en vrucht der bekeering opscniet. In dat verborgen zijn van ons eigen wezen wolden wij ii gebonden in het bundelke der levenden en daar is liet, waar het stempel ligt: „God zal niet laten varen het werk Zijner handen”.”

Wij willen nu niet verder twisten over het verkeerd Schriftgebruik van docent v. d. Schuit („de wortel der zaak, het' bundelke der levenden", zijn beide termen, die niets met de wedergeboorte ' te maken hebben)., maar nota nemen van zijn verklaring, dat l^ij in dat groote principiëele geding niets tegen dr Kuyper heeft, en alzoo met hem en de zijnen voor een bepa!aldo groep van theologen, den naam „neocalvinist" gelaten dragen wil; men weet toch, hoe juist DIE opvatting voor velen dr Kuyper lot neocalvinist stempelt. (Hylkema, Oud en Nieuw Calvinisme, bl. 22.)

Maar nu begint de kwestie eigenlijk pas.

Waarin heeft dj-Kuyper zich dan ten aanzien van pn'ncipes bezondigd?

Het schijnt, dat docent v. 3. Schuit meent, dat dr Kuyper gelooft, dat het beginsel der wedergeboorte niét alleen aan het b e w u s t z ij n onttrokken „is" voor een tijd, maar ook zelf gedurende geruimen tijd geheel werkeloos daar liggen blijft. God laat dan dat zaad der wedergeboorte In de ziel vallen; legt het daar neer, precies als dat zaad in de Egyptische „steenigroeve", trekt zich dan terug, doet er niets meer aan, en komt dan na „jaar en dag" opeens dat zaad der wedergeboorte tot ontkieming brengen, zoodat er dan pardoes bekeering volgt.

Zoo ongeveer schijnt docent v. d. Schuit zich dr Kuyper's leer te reconstrueeren.

Dat hij zoo „de neocalvinistische" leer zich voorstelt, meenen wij althans te moeten afleiden uit zijn karakteriseering van de „Kuyperiaansche richting". Volgens hem is het daar „een OPSPRINGEN uit het onbewuste in het bewuste”.

Daar zit de Kuyperiaansche kneep en dus ook ds Kuyperiaansche ketterij.

„Opspringen uit het onbewuste in het bewuste.”

Blijkbaar ligt het bezwaar alleen in het woord „o p • springen”.

Want dat de wedergeboorte den weg van het onbewuste naar het bewuste leven volgen moet (we nemen nu maar de terminologie over) daartegen gaat het bezwaar niet. Wij zagen, dat óók docent V. d. Schuit dat gelooft.

Het bezwaar kan dus alleen rijzen tegen het begrip „opspringen”.

Het schijnt dus, dat de „breuke" hier ligt, de breuke, die volgens „E'e Wekker" in deze rede blootgelegd wordt

Docent v. d. Schuit stelt het zich dus zoo voor, dat de Kuyperianen het zaad der wedergeboorte jaar en dag laten liggen, zonder dat hun Deus otiosus ernaar omziet. Het ligt daar, het doet niets. Tiet werkt niet, er gebeurt niets en op een goeden dag springt het ineens naar ^ovea en ziedaar: er is scheut, stengel en vrucht ran bekeering.

Laat ons nu docent v. d. Schuit mogen verzekeren, dat ^hij duidelijk toont, dr Kuyper niet te kennen.

De gedachte van den Deus otiosus, den nietsdoenden, fferkelooB toezienden God, heeft juist dr Kuyper zoo sterk mogelijk bestreden, ook in zijn heilsleer.

Als dr Kuyper zegt, dat het zaad der wedergeboorte in de ziel kan liggen, zonder het bewustzijn van den wedergeboa'ene nog te raken, dan wil dat nog niet zeggen, dat het niet aan een werking van Gods. Geest onderworpen is.

We geven maar weer eenige aanhalingen van dr Kuyper zelf, die het tegendeel beweren.

Apeldoorn leze en zegge dan, waar ligt: de ketterij

1. „Dan waakt de Heilige Geest in zulk een ziel wel over dit zaad Gods, HOUDT HET LEVENDIG, en weert alle gevaar er van af; maar het is VOOR ONS ALTHANS niet merkbaar, dat er een bepaalde werking op uitgaat. Veeleer maakt het op ons den INDRUK, ALSOF het soms jaren lang in denzelfden toestand blijft. DIT ZAL ISü WEL ZOO NIET ZIJN, en veeleer moet ondersteld, dat de werking des Heiligen Geestes ALTIJD' DOOR­ GAAT...." (E Voto, III, 428).

2. „Feitelijk bewerkt dus de Heilige Geest den wedergeborene van twee zijden, van binnen en van buiten en wel beide TEGELIJK en in verband.” (1.1. 429.)

3. „In de wedergeboorte huwt de Heilige Geest zich voor eeuwig aan de ziel des menschen. De H. Geest keert Wj haar in om eeuwig; bij haar te wonen. En wel NIET LIJDELIJK "bij haar in te wonen... Vandaar dat de Heilige Geest, waar Hij alzoo wederbarend tot de ziel inkeert.... die ziel 'niet aan zichzelf overlaat, maar de teugels aangrijpt, dat er een geheel© ommekeer tot stand komt in haar neiging en aandrift, in haar innerlijke roerselen, in haar vermogens en eigenschappen." (1.1. 422.)

4. „Er wordt dus bij de wedergeboorte niet een leven ingeplant, dat nu voortaan, buiten den Heiligen Geest om en den Middelaar, als een geïsoleerd levenskiempje in onze ziel zou indringen en wortel schieten. Maar de levenskiem wordt van seconde tot seconde door den Heiligen Geest gedragen, gehouden, besproeid 6n gekoesterd, en alzoo tot leven gemaakt, te weten, tot leven gemaakt uit den Christus." (Werk H. G. Bottenburg, I, 201.)

Van seconde tot seconde!

Dat is wat aiiders dan de bewering, die docent v. d. Schuit dr K. in de schoenen schuift.

Ja, maar, zal men zeggen: net zaad in de steengroeve "Ml? Docent v. d. Schuit klemt zich aan dat beeld vast *" zegt, dat het niet opgaat.

iMaar we herinneren eraan, dat het citaat van die steengroeve nog niet gevonden is (wie der lezers helpt ? oeken? ), en dat wij^ het dus nog piet konden lezen "1 ppi verband. En voorts wijzen we erop, dat dr Kuy­ per nog heel wat andere beelden ook gebruikt heefts, die men niet verwaarloozen mag, wil men hemi leeren kennen. ;

Wat het verband der woorden betreft: als dr Kuyper spreekt van het zaad dat in de Egyptische koningsgraven zoo heel lang verborgen bleef en dat zifa kiemkracht toch nog bleek bewaard te hebben, dan gaat het alleen om een sterk sprekend voorbeeld, waaruit duidelijk wordt dat de kracht van nieuw! leven er i s en om'^mietigbaar b 1 ij f t, ook al wordt ze niet waargenomen, en ook al zijb. nog niet da goddelijke krachten, die de potentie voeren tot daad, in werking getreden. Dat dit allerminst een beeld is voor den normalen weg, die van de wedergeboorte overleidt tot de bekeering, hebben we reeds aangetoond.

En dan; weet men nieit, hoeveel andere beelden dr Kuyper gegrepen heeft?

Hij spreekt over een maïskorrel, die in ean lessenaar is weggeborgen, en daar dor blijft, totdat een plaats in den grond en de zonnewarmte het leven eruit haalt.

Maar ook dit beeld dient bijf hem niet tot ondersteuning van de bewering, dat het zoo nu toegaat. Integendeel : de dorre maïskorrel in den lessenaar laat zien, dat het zaad der wedergeboorte niets kan zonder de voortdurende werking van den Geest; en de ontkiemende korrel • is het beeld voor het ontluikende leven dat zich ontplooit onder de Geesteswerking (Werk H.G.I., 195/6).

Wie dus het beeld van het zaad in de steengroeve aanwendt op de manier van docent v. d. Schuit, maakt er misbruik van.

En in ieder geval gebiedt de eerlijkheid, dat men ook nJelding make van die overige, toch overbekende, beelden van dr Kuyper, als daar zijii: huwelijk, mystieke unie, aanbinden van ^meenschap met Gj> d, en vooral: de enting op een wilden boom, en —• het zaad, niet in de steengroeve, maar in een heel gewonen akker.

Zoowel bij aanwending van het laatste als bij gebruik van het voorlaatste beeld laat dr Kuyper uitkomen, dat de werking van het zaad, of, van het entsel, wel niet te zien is, maar toch aanstonds er i s. (E Voto, lil, 384, Werk H. Geest, I, 149 v.) Zoodra er werking komt in den boom (bij den mensoh de psychische function zioih doen gelden), „dan gaat het naar den nieuwen, nu ingeënten aard!' (Werk H. G., I, 153). Vg. Diet. D'ogm. De Regeneratione, 70, 82/3).

Op grond van een en ander meenen wij te mogen concludeeren, dat docent v. d .Schuit en met hem allen, die hem de eer van breuk-aanwijzing toekennen, tegen windmolens vecht, als hij tegen dr Kuyper het argument keert: „God ontsteekt geen lichtpunt in het donkere zielehuis om het onder een korenmaat te zetten, maar om het op een kandelaar te plaatsen".

Leg dat eens naast deze uitspraak van dr Kuyper uit zijn Dictaten Dogmatiek (en dan wel dat gedeelte van de paragraaf, waarvoor hij zich verantwoordelijk stelt):

„Zoodra het geestelijk licht in zijn bewustzijh schijnt en zrjn wil omgebo|jen is, drijft hem de H. Geest om zich zelf te willen bekeeren en zich feitelijk om te keeren op zijln levensweg". (De Gonversione 93.)

Ik kies juist deze woorden, omdat hier van het geestelijk „licht" gesproken wordt. Docent v. d. Schuit spreekt ook over een „lichtpunt", om dan daarmee te opereeren tegen dr Kuyper. Hij vergeet daarbij evenwel, dat de kwestie niet loopt over het fichtpunt, maar over het .1 evens-b egins el. En dat het leven s-beginsel er eerst 'is, en pas daarna het 1 i c h t-punt wordt ontstoken, dat heeft hij zelf erkend.

En daarom redeneert hij langs dr Kuyper heen, als hij zegt, dat zoodra „het zieleleven tot bewustheid is gekomen en de mensch zich dus rekenschap kan geven, wat rondom hem en wat in hem omgaat, die ziel in al haar functies zich uiten moet". Het is niet zoo'n heel klein beetje, wat daar gezegd wordt: dat cfë mensch zóóver is, dat hij zich rekenschap kan geven van wat rondom en In hem is. Maar heel • het geding loopt juist over de vraag, hoe het staat met den mensch, die zich nog niet rekenschapkan geven van hetgeen in hem is. En daarom gaan al de pijlen van Apeldoorn dr Kuyper voorbij.

En het is ons heelemaal een raadsel, hoe iemand op zulk een oogenblik, als waarin docent v. d. Schuit voor 'de tribune van een wetenschappiehjken kring spreken wilde, zich van deze ingrijpende kwestie afmaken wil met het woord „Zou iemand vuur i n zijn boezem dragen, dat hij niet bran de? "

Hier is toch een Schriftgebruik van uiterste machteloosheid.

Want de spreker bedoelde te citeeren Sp'reulcen 6:27.

Doch dit tekstgebruik is totaal verkeerd. Er is reeds in het Christelijk Gereformeerde Jongelingsblad op gewezen, "dat docent v. d. Schuit geen teksten verkeerd citeeren mag; daarbg werd verwezen naar bl. 21 der rede waar "de redenaar Ps. 141:5 en 139:24 op niet geheel juiste wij'ze weergeeft. Maar dat baalt niet bij den op bl. 19 genoemden tekst uit Spr. 6:27. Moet die nu dienen om dr Kuyper af te maken?

Dan staat de zaak van Apeldoorn toch vpel hopeloos zwak. Want er staat niet: Zou iemand vuur in zijn boezem DRAGEN; maar: al iemand vuur in zijb. boezem NEMEN? Het is hetzelfde woord als in de uitdrukking : vuur uit den haard nemen, Jes. 30:14. De voorstelling is ontleend aan een man, die vuur o p-neemt en draagt: ier is dus al vast buiten beschouwing te laten het diepste zieleleven, dat „diep der ziel", waarin docent v. d. Schuit, mèt dr Kuyper, de wederba, rende werking van den Geest zich ziet voltrekken.

En die „boezem", waarin het vuur dan komt, is weer niet het diepe hart, en niet „dat verborgen zijln van ons eigen wezen", maar heel gewoontjes: e vouw in het kleed, waarin men zijln hand steken kan Ex. 4:6, Ps. 74:11) of waarin men een lot bergen kan (Spr. 16:33) of ook wel zijn geld kan bewaren (Spr. 17:23). Dat de „boezem" die het „vuur" opneemt, niets met het zieleleven te maken heeft, maar eenvoudig weg iemands kleed is, een gedeelte van zijn costuum, blijkt wel hieruit, dat het gevolg van zijn vuur-deportatie is, niet, zooals docent v. d.Schuit zegt, dat h ij z e 1 f in brand komt te staan, maar dat, zooals de tekst aangeeft, zijn kleeren in brand vliegen. Men ziet, dat' met verborgen zielsroerselen de tek^ niets heeft uit te staan.

Ja, zóóver ligt hij buiten de sfeer van "het geweldige onderwerp, dat docent v. d. Schuit zich koos, als ontucht en zedeloosheid ligt buiten d.e wederbarenda daad van Gods Geest. Lees den tekst na, en < gq zult zien, dat het beeld van den man, die vuur in zijin kleeren neemt, wordt toegepast op den echtbreker', die in vleeschelijken hartstocht de vrouw van zijn naaste zich toeeigent. Maar docent v. d. Schuit tracht uit het beeld van dien schroeienden hartstocht van weUustelingen argumenten te halen tegen .... de leer van dr Kuyper, die handelt over wat Gods Geest doet in de zielediepten, als Hij het zaad der wedergeboorte erin legt.

Het verbij'sterende in de rede is dan, dat dit tekstwoord het .EENIGE bijbelsche argument is, waarmee dan de „Schriftuurlijk(!)-confessioneele richting wordt op het schild geheven tegenover de nieit-schriftuurlijfce Kuyperiaansche of neocalvinistische. Dat ééne tetetwoord is al genoeg om „af te rekenen" (zoo staat het er) met de „Kuyperiaansche richting”.

Kan het lichtvaardiger, tenminste (nog eens!) als iemand breuken aanwijzen wil? En dan geen woord over de aan den Bijlbel ontleende argumenten van dr Kuyper zelf....

Maar we zijn er nog niet. Er is meer te noemen.

K. S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 november 1925

De Reformatie | 8 Pagina's

Mag met een verbeterde bijbelvertaling langer gedraald ?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 november 1925

De Reformatie | 8 Pagina's

Bladeren