GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Als ik Christelijk Historisch was..... V.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Als ik Christelijk Historisch was..... V.

31 minuten leestijd

De vraag is alzoo hiertoe herleid: als ik een Christelijk Historische was van het type-prof. Slotemaker de Bruine, hoe zou ik dan staan tegenover het Bijzonder Hooger Ondervfijs?

Ik zou natuurlijk mijn hart verpanden aan de openbare universiteiten met haar kerkelijke en andere leerstoelen.

Ik zou mijn overtuiging niet onder stoelien of banken steken.

Ik zou het goed recht der openbare universiteiten met kracht bepleiten.

Ik zou alle Christelijk Historischen opwekken, him zonen en dochteren daarheen te zenden.

Maar ik zou daarbij toch uitsluitend middelen gebruiken. geestelijke

Ik zou slechts door overreding anderen tot mijn standpunt trachten over te halen.

Nooit zou ik het Bijzonder Hooger Onderwijs willen tegenstaan door de Overheid aan te sporen geen middelen daarvoor ter beschikking te stellen, opdat het van armoe zou sterven.

Natuurlijk, indien er een universiteit verrees, welke staatsgevaarlijk was, dan zou de zaak anders staan.

Maar de konkrete feiten wijzen in geheel andere richting en met die konkrete feiten zou ik in dei allereerste plaats hebben te rekenen.

De Vrije Universiteit te Amsterdam bestaat welhaast een halve eeuw. Heeft zij ooit iets gedaan, wat het gezag van den Staat kon ondermijnen? Of heeft zij niet juist een geslacht van wetenschap^ pelijke mannen gekweekt, die tegen den revolutiegeest gehard en geharnast zijn?

En de Roomsch Katholieke Universiteit te Nijmegen? Heeft die soms bolsjewisten of zulk slag van menschen opgeleverd?

Waarom dient de Overheid dan aangezet om te zorgen, dat deze inrichtingen niet tot haar volle ontwikkeling kunnen komen?

De kwestie is daarmee niet te scherp gesteld.

Metterdaad belemmert de Overheid de bijzondere miiversiteiten in haar groei.

De voorstanders dezer universiteiten brengen ontzaglijke sommen op om haar in stand te houden.

Niet alleen de meer welgestelden contribueeren, maar ook de man met karig inkomen tot "de dienstbode toe.

Geen financiëele steun hoe gering bok kan worden gemist.

Doch daarenboven, moeten zij allen precies als andere burgers hun belastingpenningen voor de openbare universiteiten naar den fiscus brengen.

Zij betalen op die manier dubbele belasting, de eene vrijwillig en de andere gedwongen.

Als ik Christelijk Historisch was van het typeprof. Slotemaker de Bruine zou mijn rechtsgevoel daartegen in opstand komen.

Ik zou bij mijzelf besluiten: dat mag niet bestendigd blijven. Tïr moet iets op gevonden worden. - Van tweeën één: óf de voorstanders van bet Bijzonder Hooger Onderwijs moeten naar billijken maatstaf ontheven worden van de belasting voor de openbare universiteiten, hun aanslagen moeten worden verminderd, óf het Bijzonder Hooger Onderwijs moet overeenkomstig zijn behoeften gesubsidieerd worden.

Ik zou niet willen onderdoen voor den liberalen hoogleeraar Casimir, die enkele jaren geleden in een paar artikelen in „Do Telegraaf" voor subsi, diëering van het Bijzonder Hooger Onderwijs in de bres sprong.

Want, hoezeer de eerste oplossing, n.l. vermindering van belasting, mij ook zou bekoren, er doen zich al te veel moeilijkheden voor om die in praktijk te brengen.

Alleen de tweede, subsidiëering, blijft over. En bet zou mij een eere zijn, dit onrecht uit ons vaderland te helpen.

Het is, zoo zou ik verder bedenken, meer dam onrecht, het is in zekeren zin gewetensdwang.

Want een bijzondere universiteit op te richten' en te blijven dragen kan kwalijk tot de vermakelijkheden of private liefhebberijen worden gerekend en op één lijn gesteld met bioscoopbezoek, postzegels verzamelen, roeien, aankoop van edelgesteenten of andere sieraden.

Achter het stichten van bijzondere universiteiten schuilt meei'.

Het geweten van de voorstanders dier universiteiten dringt ertoe.

Een andere onderstelling zou niet van respekt getuigen voor die kategorie van medeburgers.

Uit den ernst, welken zij aan den dag leggen, uit de offervaardigheid, welke zij toonen, spreekt een gedreven worden door een principieel móéten.

Of die voorstanders allen tot een bepaalde politieke partij behooren, doet hier niets ter zake. Of er antirevolutionairen zijn, die er geen bezwaar tegen hebben een hoogleeraarsp'ositie aan een openbare universiteit te bekleeden, raakt de kwestie niet. De bijzondere universiteiten, welke er zijn, werden niet opgericht door politieke partijen. Een bijzondere universiteit is geen partijzaak. De antirevolutionairen kunnen er dus buiten blijven. Ik heb met de voorstanders van een bijzondere universiteit te doen. Met hen alleen. En alleen in die kwaliteit. En die menschen, die verbonden zijn door één Gods-en wereld-en levensbeschouwing

— hun daden bewijzen het! — kunnen niet anders. Zij zouden hun beginsel verloochenen, hun geweten verkrachten, indien zij met de openbare universiteiten genoegen namen.

Nog iets anders zou het wezen, indien aan die universiteiten mannen arbeidden en studenten wearden afgeleverd, die beneden de maat der wetenschappelijkheid bleven.

Maar Christelijk Historisch van het type-prof. Slotemaker de Bruine zijnde, zou ik dat nóch van de Vrije Universiteit, nóch van de Roomsch-Katholieke Universiteit durven beweren.

Dat beeft, zoover ik weet, nog nooit een Christelijk Historische beweerd.

Wel heeft meer dan één liet tegenovergestelde getuigd.

Ik denk hier met name aan Dr J. Th. de Visser, die reeds in 1903 vlak na de Hoogeronderwijsrede van Dr Kuyper, de wetenschappelijke resultaten van de Vrije Universiteit in de Tweede Kamer roemde.

Waar het dan zóó gelegen is, zou ik' niet om politieke redenen het geweten van de voorstanders van het Bijzonder Hooger Onderwijs ook maar ©enigszins geweld willen aandoen, ik zou de ontwikkeling van dat onderwijs geen stroospier in den weg willen leggen, maar het integendeel a fair play, een schoone kans willen geven.

En als ik in de Tweede Kamfer zat en er wi'as een voorstel aanhangig om het Bijzonder Hooger Onderwijs een subsidie 'toe te kennen, welke aan billijke eischen voldeedj zou het mij een vreugde zijn, daaraan mijn stem te geven. Ik zou zulk ©en stuk volkskracht als er in en achter die universiteiten schuilt, niet gaarne de gelegenheid willen benemen om zich naar haar wezen te uiten.

Indien ik anders handelde, zou ik mij door en door verpolitiekt voelen.

De revolutie nivelleert en maakt alles uniform, het liberalisme ontziet zich niet als het de baas is, minderheden te onderdrukken, maar als Christelijk Historische van het onderstelde type zou ik voor zulk een minderheid, al behoorde ikzelf er niet toe, het opnemen.

Als geesteskind van Vinet, als geesteskind van Groen, zou ik mij daartoe verplicht weten.

-= Royaal is toch anders.

Op onze bereidverklaring om over de kwesties, welke „De Nederlander" opwierp inzake het karakter onzer universiteiten, van gedachten te wisselen, onder voorbehoud, dat het blad eerst zou erkennen, dat prof. Slotemaker de Bruine in zijn rede te Lunteren juist op het punt, waaraan thans de bedoelde kwesties worden vastgeknoopt, te ver is gegaan, is antwoord ingekomen.

Het artikel valt wel wat anders uit, dan we gehoopt hadden en zelfs het opschrift beloofde.

Er boven staat: „Met genoegen".

Daaruit meenden we te rnogen afleiden, dat de gevraagde erkenning met genoegen zou worden gegeven.

De inhoud echter stelde teleur.

De opmerking, welke wij maakten, wordt eerst in tweeën geknipt.

De helft van die opmerking wordt dan in de hoogte gestoken als ware zij de heele opmerking en met het onschuldigst© gezicht ter wereld zegt „De Nederlander": hierin willen we u wel gelijk geven, maar is het eigenlijk niet ©en beetje flauw om erover te praten?

Daarna haalt het blad de andere helft voor den dag en pent doodleuk: die s c h ij n t er bij te hooren, maar wij zijn zoo vrij, die er niet bij te laten behooren.

In het midden van het artikel verliest de schrijver een oogenblik zijn zin voor parlementaire uitdrukkingen en aan het eind waagt hij het met iets, dat wel als ironie bedoeld zal zijn.

Men oordeele:

Met genoegen.

Te Lunteren had Dr Slotemaker gezegd, dat anti-revolutionairen voor hun geestverwanten een hoogleeraarsplaats aan de openbare universiteiten aanvaarden.

„De Reformatie" heeft opgemerkt, dat deze uitdrukking te algemeen is en dat de A.-R. Partij ter zake geen uitspraak heeft gedaan.

Wij hebben dit onzen lezers medegedeeld en daaraan de opmerking vastgeknoopt, dat allerlei gewichtige kwesties aan de orde komen, wanneer de A.-R. Partij ter zake een uitspraak zal doen.

Wij noemden er één.

„De RefoiTnatie" is nu wel bereid, op die kwestie in te gaan. Maar thans nog niet. Want „om het debat zuiver te houden is het noodig, dat eerst de aanhangige kwesties worden afgedaan".

Eerst wanneer „De Nederlander" bekent, dat de spr. ter zake te ver gegaan is, kunnen wij verder spreken.

Nogal kinderachtig, gelijk men ziet. Want wij hebben de tegenspraak van „De Reformatie" opgenomen en op die tegenspraak nota bene onze vraag gebouwd'.

Maar als dit niet genoeg is, gaan wij met genoegen verder. Onze lezer dan wete bij dezen, dat de A.-R. Partij inzake het aanvaarden van hoogleeraarsplaatsen aan de openbare universiteiten zich nimmer uitgesproken heeft.

Hetgeen hem overigens reeds bekend was.

De redactie schijnt intusschen nu aldus te redeneeren: zoolang die uitspraak er niet is, mag uit het feit, dat anti-revolutionairen hoogleeraar — on wij . voegen er thans bij: curator — zijn aan een openbare universiteit, niets afgeleid worden.

Wij zullen zoo vrij zijn, er toch maar wel iets uit af te leiden. Namelijk dit: dat ongeacht het ontbreken van een uitspraak der Partij Anti-revolutionairen — en waarlijk niet de eersten de besten — door professor of curator te worden, hebben gezegd, dat zij de openbare universiteit in haar tegenwoordig karakter aanvaarden.

Eerlijk gezegd vinden wij dit getuigenis nog wel zoo gewichtig als een eventueele uitspraak van de algemeene vergadering, in welken geest die dan ook uitvalle.

Wij kunnen aan „De Reformatie" nog mededeelen, dat bij de uitgave der rede van Dr Slotemaker op de bedoelde plaats zal worden aangeteekend, dat een partij-uitspraak ter dezer zake ontbreekt.

Hiermee zal het gewichtig geschilpunt wel geheel zijn afgedaan, zoodat wij nu het antwoord van „De Reformatie" mogen tegemoet zien omtrent het punt, dat nog gewichtiger Is.

Uit dit stuk blijkt, dat „De Nederlander" onze tegenspraak in dezen zin wil aanvaarden, dat de A.R. Partij inzak© het aanvaarden van hoogleeraarsplaatsen aan de openbare universiteiten zich nimmer heeft uitgesproken.

Hiermee maakt het blad het zich al te g'emakkelijk.

Daarover liep het geding niet.

Hiertegen richtte zich onze tegenspraak, dat Dr Slotemaker de Bruine te Lunteren had beweerd, dat DE antirevolutionairen (niet enkel „antirevolutionairen", zooals ^, De Nederlander" thans doet voorkomen) voor hun geestverwanten een hoogleeraarsplaats aan de openbare universiteiten aanvaarden.

Dat is het scharnier van de kwestie.

En om onze tegenspraak te bewijzen, beriepen we ons op een feit, dat ook voor prof. Slotemaker de Bruine moest vaststaan.

We betoogden: indien dat waar was, da.n zou de antirevolutionaire partij een uitspraak in dezen geest moeten hebben gedaan. Op een andere wijze kunt gij er niet achter komen, wat DE antirevolutionairen bedoelen.

Wil men jets tegenover een ander bewijzen, dan moet men teruggaan op een stelling, welke ook voor dezen onaanvechtbaar is en door hem wordt geaccepteerd.

Anders mist het bewijs zijn Hem.

Stel, dat iemand de enormiteit debiteerde, dat Lohman de vader is van de Christelijk Historische partij.

Dan zou hem dit uit de hand kunnen worden geslagen door er aan te herinneren, dat toen Lohman zich van de A.R. partij afscheidde, hij de partij van de Vrij Antirevolutionairen vormde en zich niet dadelijk bij de Christelijk Historischen voegde.

Maar wat dunkt u nu van een redeneering als deze: wij moeten toestemmen, dat Lohman eerst een eigen partij vormde. En daarmee: basta. Verder geven we niets toe. Wij zijn enkel bereid om, zoodra onze redevoering in druk verschijnt, aan te teekenen, dat Lohman Vrij Antirevolutionair is geweest.

Nietwaar, dan geeft men toe, waarover reeds eenstemmigheid bestond. Maar dat kan moeilijk toegeven worden genoemd.

Toch handelt zóó „De Nederlander".

Ja, het blad trachtte zich aan het logische van het bewijs te onttrekken door er bespiegelingen over te gaan houden, wat de A.R; partij' eventueel eens zou kunnen besluiten.

Wij hielden echter voet bij stuk'.

Wij wilden „De Nederlander" nopen te bekennen: voor de bewering, dat DE antirevolutionairen voor hun geestverwanten een hoogleeraarsplaats aan de openbare universiteiten aanvaarden, bestaat geen grond.

Doch wat doet „D© Nederlander"?

Hij geeft zich een schijn van toeschietelijkheid. Wij namen, zegt het blad, de tegenspraak op en Dr Slotemaker de Bruine zal bij de uitgave der rede op de bedoelde plaats aanteekenen, dat een partij-uitspraak ter dezer zake ontbïeekt.

Prof. Slotemaker de Bruine zal dus iets toegeven, wat hij geheel met ons ©ens was.

Zulk een aanteekening beteekent voor ons minder dan niets.

Wij spreken den wensch uit, dat die achterwege zal blijven.

De rede zal er niet door winnen aan kracht.

Onze tegenspraak ging volstrekt niet tegen de stelling, dat de A.R'. Partij in deze uitspraak had gedaan.

Want die stelling had d© Lunterensche redenaar niet verkondigd.

Die konden we alzoo niet tegenspreken en böhoefden dit ook niet te doen.

Maar nu draait „De Nederlander" het zoO', alsof onze tegenspraak over een uitspraak der A.R. Partij liep en roept dan uit: nog al kinderachtig, gelijk men ziet.

Zulk een kwalificatie is den parlementariër onwaardig.

Wij willen hem hierin niet volgen, ofschoon de debatteer-methode van „De Nederlander" in deze scherpe woorden van afkeuring zou billijken ©n iden schrijver van de artikelen geen eer aandoet.

Merkwaardig is wat op dien onparlementairen uitval volgt.

„De Nederlander" schrijft: „De redactie schijnt intusschen-nu aldus te red eneeren: zoolang die uitspraak er niet is, mag uit h©t feit, dat antirevolutionairen hoogleeraar — en wij voegen er thans bij: curator — zijn aan een openbare universiteit, niets afgeleid worden."

Schijnt dat?

En schijnt dat n u p a s ?

Dan heeft „De Nederlander" toch niet nauwkeurig gelez©n.

Dat was van het begin aian juist ons betoog.

Duidelijk lieten we uitkomen: er mag niets uit afgeleid worden.

Achter het bedoelen en gevoelen van DE antirevolutionairen kan men slechts komen door een partij-uitspraak. Zoo zeiden we.

Het is verdrietig, dit te moeten herhalen. Maar er blijkt geen andere weg te z^ijn, wil men door „De Nederlander" worden verstaan.

Nog merkwaardiger is, wat het blad hierna debiteert. „Wij zullen zoo vrij zijn, er toch maar wel iets uit af te leiden. Namelijk dit: dat ongeacht het ontbreken van een uitspraak der Partij' Antirevolutionairen — en waarlijk niet de eersten de besten — door professor óf curator te worden, hebben gezegd, dat zij de universiteit in haar tegenwoordig karakter aanvaarden".

Wij "kunnen natuurlijk „De Nederlander" beletten zoo vrij te zijn. niet

We beschikken ook niet over middelen om het blad te verhinderen onlogisch te wezen.

Wij vragen alleen: is die afleiding logisch, is ze dwingend, is ze aannemelijk?

Toen Dr Kuyper minister was zorgde hij, dat Dr Hugo Visscher benoemd werd aan de Utrechtsche Hoogeschool.

Aanvaardde hij daarmee het karakter der 'openbare universiteit?

Hij heeft juist de openbare universiteiten duchtig bestreden als geen ander. Prof. Slotemaker de Bruine oreerde zelfs, dat Dr Kuyper de openbare universiteiten als rationalistisch en paganistisch brandmerkte. En zou hij dan door de benoeming van een geestverwant het „rationalistisch en paganistisch" — woorden, die we voor rekening van den /edenaar laten — karakter der openbare universiteiten hebben aanvaard?

Dat behoort toch wel tot de onmogelijkheden!

Er zijn motieven, die aannemelijker zijn.

Zoo het ook kunnen, dat Dr Kuyper, door de benoeming van een geestverwant, zijns inziens verkeerde invloeden, welke er van een niet-geestvérwanten hoogleeraar zouden zijn uitgegaan, heeft willen keeren? '

Zou hij misschien aan omzetting van de Utrechtsche Hoogeschool, althans van de Theologische Fakulteit, gedacht hebben, opdat ze juist haar indifferent karakter zooveel mogelijk zou verliezen?

En wat zegt het, dat antirevolutionairen als hoogleeraar aan een openbare universiteit optreden ?

Spreken zij daarmee uit, dat zij het karakter Her openbare universiteit aanvaarden?

Men mist alle recht zulk een konklusie te trekken. Deze antirevolutionairen spreken alleen uit, dait zij een hoogleeraarskatheder aianvaarden.

Meer niet.

Ook bij hen kan de bedoeling voorzitten om het kwaad, dat de openbare universiteiten als zoodaaig aankleeft, zooveel mogelijk te stuiten.

En dan de curator!

Als iemand curator wordt van een openbare universiteit, neemt hij daarmee haar karakter voor zijn rekening?

Als een Gereformeerde schoolopziener wordt ein gelijk hij verplicht is, ook over de openbare scholen' toezicht oefent, keurt hij daarmee He openbare school als zoodanig goed?

Als een antirevolutionair Minister of Wethouder van Onderwijs wordt, neemt hij daarmee het karakter van alle scholen, die onder zijn zorgen zijn gesteld, voor zijn rekening?

Och, kom, dit te veronderstellen zou al te dwaas zijn.

Een Gereformeerd curator van een openbare universiteit kan geen andere intentie hebben dan „to mak© the best of it". Ofschoon hij het karakter der openbare universiteit niet aanvaardt, wenscht hij toch niet, dat die universiteit zoo slecht mogelijk wordt.

De Calvinist moet niets hebben van de taktiek, om instellingen, die op een verkeerden grondslag staan, aan het grootst mogelijke bederf prijs te geven.

Dit strookt niet met zijn verantwoordelijkheidsgevoel voor heel de natie.

Aan het slot woTdt, gelijk gezegd, „De Nederlander" ironisch. Hij heeft het over „het gewichtig geschilpunt".

Bedoelt er natuurlijk het tegenovergestelde mee. Dicht ons toei, dat wij het zoo „gewichtig" vinden. Maar daarmee zet hij weer de dingen op hun kop. Wat toch is het geval?

Wij maakten eenige opmerkingen over de rede van prof. Slotemaker de Bruine.

De eerste betrof die, waarover we het nu hebben.

Wij achtten die niet van hoog belang.

Letterlijk schreven we: „ik begin dan met een van de klein© onjuistheden".

Wie hield dit punt voor gewichtig?

„De Nederlander".

Hij reageerde daarop aldus: „De redactie rekent dit punt niet tot de gewichtigste. Wij zijn haar niettemin zeer dankbaar, dat zij het aan de orde stelt. Want het breekt een aantal gewichtige kwesties open."

En nu spreekt zij weer ironisch over het „gewichtige" geschilpunt.

„De Nederlander" maakt wel wat rare sprongen. Wat ons aangaat, wij sloegen dit punt materieel niet zoo hoog aan.

Maar toen we er op aangevallen werden en ons ©en handvol kw©sties werd voorgelegd, zeiden we: „met genoegen", maar wil nu eerst terwille van een zuiver debat, louter uit formeel oogpimt dus, dit uit den weg ruimen.

De ervaring, welke wij thans op'deden, rechtvaardigt dit geheel.

Want „De Nederlander" is in zijn debat niet vrij van wispelturigheid.

En wij willen het logisch en rustig voeren.

Daarmee komt men immers het verst?

„Met genoegen" was daa niet naar ons genoegen. Zullen wij nu verklaren: wij roeren de kwesties niet aan, wijl niet aan de voorwaarde is voldaan?

Zulk een stijve houding willen wij nu ook niet aannemen.

We hebben de zaak nog maar eens uit de doekjes gedaan, en waar „De Nederlander" méénde ons tegemoet te komen, willen wij het blad inderdaad teg emoetkomen.

Misschien heeft het reeds gemerkt, dat wij in onze artikelen: „Als ik Christelijk Historisch was"... er reeds zijdelings op in gingen.

Wij hopen het straks meer rechtstreeks te doen.

-s Hel mlnderheidsrapport'Dr Ridderlios.

Toen vpij naar Amerika vertrokken, hadden wij het minderheidsrapport over de uitbreiding der belijdenis van prof. dr J. Ridderbos niet onder oogen gehad en nog minder in ons bezit.

We konden alleen maatregelen treffen om het meerderheidsrapport ter kennis van onze lezers te .brengen.

De tijd tusschen onzen terugkeer en het. samenkomen der Synode was te kort om het alsnog in zijn geheel op te nemen.

Toch zouden we niet gaarne den schijn op ons laden, het te willen doodzwijgen.

Daarom knippen we er de voornaamste stukken uit in de hoop, dat men op die wijze het gevoelen van prof. Ridderbos niet al te gebrekkig zal verstaan.

„Belijdenisschriften zijn menschelijke geschriften, maar van een zeer bijzondez'en aard. In haar belijden de kerken, die ze hebben aanvaard, als met ééne tong haar geloof. In verband hiermede dragen ze binnen den kring dier kerken een bindend karakter; het zijn „Formulieren van Eenigheid", dienende om de eenigheid des geloofs te bewaren; alle leering moet met deze geschriften in overeenstemming zijn, ieder lid wordt geacht, ze te beamen, en van de ambtsdragers wordt een uitdrukkelijke verklaring dienaangaande gevraagd.

M.i. moet hieruit volgen, dat men inzake uitbreiding der belijdenisschriften de uiterste voorzichtigheid moet betrachten.

Allereerst met het oog op het gezag der Heilige Schrift. Het. staat onder ons vast, dat de Heilige Schrift de eigenlijke en eenige autoriteit is, waaraan onze conscientiën zijn gebonden en dat de belijdenisschriften niet anders hebben dan een' afgeleid en betrekkelijk gezag. Maar daarom is het ook noodig, ervoor te waken, dat de belijdenisschriften niet voor het bewustzijn der gemeente naast de Schrift of zelfs in haar plaats treden. In dit opzicht nu brengt m.i. elke noodelooze uitbreiding gevaar met zich.

Hoe meer men er naar staat, den inhoud van het geloof der gemeente volledig uitgewerkt in de belijdenisschriften op te nemen, hoe meer de gedachte (thans wel reeds hier en daar opduikend) gevoed wordt, dat men eigenlijk alleen gebonden is aan datgene wat in de belijdenisschriften tot uitdrukking is gekomen. En hieiTuede zou toch metterdaad de Schrift als hoogste en eenige autoriteit zijn losgelaten.

Aan de andere zijde kan ook het gezag der belijdenisschriften zelve door noodelooze uitbreiding licht worden verzwakt. Het is een algemeen verschijnsel, dat een zaak door overdrijving niet gebaat, maar geschaad wordt. Hoe grooter het getal der belijdenisschriften, hoe grooter de kans, dat ze niet of onvoldoende bekend zijn; hoe grooter het aantal formuleeringen, hoe grooter het gevaar, dat er aan de volledige instemming met dit alles bij sommigen iets ontbreekt.

Ook staat de kerk met een verder doorgevoerde formuleering der waarheid volstrekt niet altijd sterker dan met eene, die dichter bij het centrum blijft: het centrale heeft altijd de meeste geestelij k-bindende kracht: en ook: hoe verder de formuleering wordt doorgevoerd, hoe grooter het gevaar, dat de kerk zelve in voorkomende gevallen niet de volle consequentie eruit kan of durft trekken; wat dan weer den Indruk wekt, dat men de woorden der belijdenisschriften niet al te zwaar moet wegen — iets wat aan het confessioneel besef slechts schade kan toebrengen.

Ér is nog een punt, waaraan vrij als Gereformeerden, die het kerkelijk dogma hoogstellen, onszelf en elkander in deze dingen wel mogen herinneren. Het is dit, dat wij, ijverend voor de waarheid, ook in de wijze, waarop wij dit doen, teederheid moeten betrachten ten opzichte van de conscientiën der geloovigen. Is een belijdenisschrift eenmaal aanvaard, dan moet men verwachten, dat het voor eeuwen van kracht blijft, en dat het in al dien tijd in kerkdijken zin bindend zal zijn voor allen, die lid zijn van eene der kerken, die het erkennen. Nu bevatten de belijdenisschriften menschelijke formuleeringen; en ieder, die wel eens getracht heeft, zulk eene formuleering met anderen gezamenlijk op te stellen, weet hoe moeilijk het reeds in een kleinen kring kan zijn, de bewoordingen te vinden, waaimede allen zich gemakkelijk kunnen vereenigen. Ieder onzer stemt het dan ook toe, dat we tot het opstellen van zulk een geschrift alleen vrijmoedigheid kunnen vinden met het oog op de beloften des Heiligen Geestes, die de gemeente in alle waarheid leiden wil. Maar ik meen, dat de Heilige Geest, ook in de geschiedenis der kerk, ons óók dit wil leeren, dat we het getal der kerkelijk-bindende menschelijke formuleeringen (waarvoor toch aan de kerk geen gave der onfeilbaarheid is geschonken), niet zonder groote noodzaak zullen vermeerderen, opdat we niet aan de conscientiën der geloovigen lasten opleggen, die te zwaar zijn om te dragen.

Uit het bovenstaande zal duidelijk zijn, dat ik mij niet beroep op onmachtsoverwegingen. Hoe onbekwaam onze kerken in zichzelve ook tot dezen arbeid zijn, en hoever wij ook achterstaan bij de geloofshelden der 16e eeuw, wanneer hier een Goddelijke roeping voor ons zou liggen, dan zouden wij mogen gelooven, dat Hij, die roept, ook zal bekwamen; en als wij dan, met het oog op Hem, in eenvoudigheid dezen arbeid verrichtten, zouden wij ook op ons gebrekkig werk Zijn zegen mogen inwachten.

Maar de zaak is deze, dat ik van de noodzakelijkheid, doelmatigheid en wenschelijkheid van dezen arbeid, en in verband daarmede van de Goddelijke roeping daartoe, niet overtuigd ben.

Daarom meen ik ook niet, dat onze kerken, wanneer het tot deze vermeerdering der belijdenisschriften niet zou komen, een gevoel van teleurstelling behooren te hebben, noch dat ze daarin een bewijs van haar zwakheid en armoede zouden hebben te zien. Vooral hier geldt, dat niet elke vermeerdering een verrijking is, niet iedere stap een schrede voorwaarts, noch elke uitbouw een waarborg voor beter en veiliger wonen; en wie in den strijd grijpt naar een nieuw, maar ondoelmatig wapen, terwijl hij met doelmatige is toegerust, geeft daarin geen bewijs van kracht, maar wel van zwakheid, althans van een gebrekkig inzicht en in den strijd is dit toch óók een vorm van zwakheid.

Het komt mij echter voor, dat deze vraag voorloopig op den achtergrond moet worden gesteld; en dat eer we hierover met vrucht kunnen spreken, de veel belangrijker vraag aangaande de uitbreiding der belijdenisschriften moet worden beantwoord. En deze vraag moet zelfstandig worden beoordeeld; het ja of neen hierop mag ook niet afhangen van de vraag, of men een anderen weg kan vinden, waarop er toch iets „gedaan" wordt. De zwaarwichtige maatregel van het in het leven roepen van een nieuw belijdenisschrift kan — dit zullen we allen eens zijn — niet worden verdedigd met het zeggen, dat er toch wat gebeuren moet, en dat men niets anders dan dit heeft kunnen vinden. Bij gewichtige zaken geldt de regel, dat men ze moet doen, omdat ze in zichzelf noodig of gewenscht zijn, niet omdat men toch het een of het ander moet doen. Het is m.i. een zeer vanzelfsprekende regel; maar ik herinner er hier aan, omdat ik meen, dat hij juist in de zaken van het publieke leven meermalen wordt overtreden.

Natuurlijk zou ik aldus niet kunnen spreken, indien het zóó stond, dat onze kerken door in dezen niet iets te „doen", tegenover de vragen en de dwalingen van onzen tijd inzake het Schriftgezag werkeloos bleven. Maar: zóó staat het immers niet. Of de kerken in d e z e n zin iets „doen", dat hangt niet af van het wel of niet opstellen of aanvaarden van eenig geschrift; veeleer blijft de groote hoofdvraag altijd deze, of de kerken haar roeping verstaan om, ook tegenover de hedendaagsche vragen en dwalingen ten opzichte van het leerstuk der Schrift, in de ambtelijke bediening des Woords, in het onderwijs van het zaad der gemeente en door de oefening der tucht, werkzaam te zijn, met de middelen, die Christus zelf haar heeft geschonken.

'i Hij biedt de volgende konklusies aan:

lo. dat voor een uitbreiding der belijdenisschriften inzake het leerstuk der Heilige Schrift geen genoegzame grond aanwezig is;

2o. dat hetzelfde geldt van een kerkelijke uiteenzetting, die geen belijdenisschrift zou zijn;

3o. dat de vraag, of de kerken iets zullen doen om het tot stand komen van een particulieren arbeid in dezen te bevorderen, eerst dan met vrucht kan worden besproken, als over de voorafgaande punten een beslissing is genomen.

Natuurlijk laten we alle kritiek hierop achterwege.

Waar schrijver dezes zelf het meerderheidsrapport onderteekende, mag dit niet anders.

In hoofdzaak voert prof. Ridderbos dezelfde argumenten aan, welke de meerderheid der Synode van Groningen niet konden overtuigen.

Alleen zijn zij nu breeder uitgewerkt en met enkele andere vermeerderd.

De wacht is thans op de Synode van Arnhem.

-s Rapporten over rapporten.

Vroeger bespraken we, op welke manier de werkwijze onzer Synode kan worden verbeterd en oeconomischer gemaakt.

Onder de punten, toen door ons opgesomd, behoorde ook: de rapporten over de rapporten dienen zoo beknopt mogelijk te zijn, ze dienen alle herhaling te vermijden en bekendheid met de rapporten te onderstellen.

Nu wij de binnengekomen rapporten overzien, dringen wij des te sterker op zulk een maatregel aan.

Indien b.v. het commissoriale rapport over het promotierecht al wat daarover inkwam ging rapporteeren en uitpluizen, zou daarvoor een brochure .van belangrijken omvang vereischt zijn.

Nu kan men in een nacht heel wat schrijven.

Het is geen kunst, om in dien tijd een tamelijk lijvig geschrift saam te stellen, indien men daarin eigen gevoelens kan weergeven.

Maar zulk een commissoriaal rapport vergt, dat daarin de meeningen van de commissieleden worden verwerkt.

Hoeveel tijd daarmee heengaat, laat zich zelfs niet gissen.

Wij kiezen de zaak van het promotierecht als voorbeeld, omdat daarover het meest ter Synodale tafel zal worden gedeponeerd.

Men leze er geen aansporing in om deze kwestie in alle haast af te werken.

Wij willen juist, dat de discussie daarover op de Synode in alle vrijheid zal worden gehouden en dat geen stem zal worden gesmoord.

In die discussie ligge het zwaartepunt.

Het rapport geve richting door enkele groote lijnen.

Hetzelfde geldt van alle andere rapporten. Met name ook van het rapport over het Zendingsrapport.

^ In reformatorische Ujn.

Als dit blad verschijnt, zal over enkele dagen D.V. de Synode worden geopend.

Dat zij voor een reuzentaak staat, zal door ieder worden gevoeld.

Zal zij zich bewegen ia reformatorische lijn als die van Leeuwarden, of zal zij den toestand grootendeels laten, gelijk die is?

Dat is de vraag, die velen bezighoudt.

Het is onze hartelijke wensch, dat onze kerken: bewijzen te willen voorttrekken.

Worde a.s. Zondag op geen kansel de voorbede voor de Synode vergeten.

Als de Synode zonder het licht des Heiligen Geestes moest arbeiden, zou zij in de kerken verwarring stichten.

Men zij dit zich diep bewust.

-= Kalenderhervorming.

De kwestie der kalenderhervorming wordt ook. de Synode voorgelegd.

Of de aanleiding konkreet genoeg is om een Synodale behandeling te rechtvaardigen, laten we hier rusten.

Slechts merken we op, dat het feit, dat Synodes van andere kerkengroepen zich in deze uitspraken, nog geen voldoende reden voor onze Synode biedt om het ook te doen.

Maar wat nu de kalenderhervorming zelf betreft.

Voorzichtigheid in de beoordeeling is hier wel eisch.

Natuurlijk is zij, wanneer het Goddelijk rhythme der zeven dagen verbroken wordt, voor ons onaannemelijk.

Hoewel die vorm de 'eenvoudigste is, kan hij nimmer worden aanvaard.

Maar er zijn andere vormen denkbaar, die niet zooveel ingewikkelder zijn.

Men kan b.v. de zoogenaamde blanco-dagen opsparen, tot men er zeven bij elkander heeft.

Dat zou nu eens om de vijf, dan weder om de zes jaren geschieden.

Na zulk een periode kan men het jaar met een week verlengen.

Misschien zou de Juli-maand, de vakantie^maand bij uitnemendheid, er zich het best toe leenen om zulk een vermeerdering te ondergaan.

Daarbij zou men met de invoering van de kalenderhervorming kunnen wachten, tot het jaar juist op een Zondag aanvangt.

De praktische voordeelen zouden slechts weinig geringer zijn dan in den vorm, waarin die thans wordt voorgesteld.

En het christelijk beginsel zou er zich niet tegen verzetten.

Met een eenvoudig „veto" over da kalenderhervorming is men niet klaar.

Indrukken van den dag.

Philadelphia, 6 April 1930.

In de echt Amerikaansche kerken moet de preek kort zijn. Een half uur is wel de uiterste grens. Dan, zoo zeggen psychologen, wordt de geest van den Amerikaan vermoeid. Hij kan niet langer luisteren. En de predikant, die met die psychologische wijsheid spot, drijft zijn gehoor de kerk uit.

Ik geloof, dat er op die psychologie wel wat valt af te dingen. In Europeesche landen redeneert men evenzoo, al zet men het niet zoo kwasiwetenschappelijk in elkaar. Nederland vormt met Schotland wel de eenige uitzonderingen. En in de kerken, wier leden van Nederlandschen oorsprong zijn, duurt in Amerika de dienst niet zooveel korter. dan bij ons.

Ook Dr Campbell Morgan preekte niet extra kort. We stonden tenminste niet bimien het uur op straat. Ongeveer vijf kwartier nam de dienst in beslag. Toch bespeurden we bij het gehoor geen teekenen van vermoeidheid. Voor mij zaten een paar bejaarde dames, die tot het laatst toe bij tusschenpoozen tegen elkander loiikten van „wat zeit-ie het weer goed." Dr Campbell Morgan wist dan ook zijn gemeente te boeien. En dat niet volgens het Amerikaansche recept: een story (vertelling) aan het begin, een in het midden en een aan het eind. Van stories inweven in zijn preek onthield hij zich streng. Wel was hij soms fijn geestig.

Zijn preek zal ik maar niet navertellen. Even haalde hij de democratie over den hekel. Hij liet er op volgen: gij zult zeggen, dat ik' zoo spreek, omdat ik een Engelschman ben. (Ofschoon reeds lang in Amerika, heeft hij zich nog niet laten naturaliseeren. Hij is trotsch op zijri Engelsche nationaliteit en maakt daarop naar ik vernam in zijn preeken gaarne toespelingen). Toch stelde hij zijn Amerikanen gerust, door in een tusschenzin ook nog iets goeds van de demokratie te zeggen. Zwaar orthodox was hij niet. Maar bepaalde ketterijen vielen ook niet te ontdekken. Niet zonder stichting

hoorde ik hem aan, al prees ik ook ia mijn hart den inhoud van de gemiddelde Hollandsche preek. Dr Campbell Morgan ging niet gelijk in vele Amerikaansche kerken gebruikelijk is, bij den uitgang van de kerk staan, om ieder in de gelegenheid te stellen, hem de hand te drukken en een paar woorden niet hem te wisselen. Wel kwam hij van het podium. Dat is althans een minder koude geschiedenis. Want dat staan aan de deur onmiddellijk na de preek lijkt mij niet bevorderlijk voor de pastorale gezondheid. Velen traden op hem toe. Voor ieder had hij een genoeglijk woordje. Blijkens het bulletin stonden er een vijftal spreekbeurten op andere plaatsen in die week op zijn program. Voor zijn leeftijd een heele prestatie. Het spreekt vanzelf, dat hij van een groot deel van het gemeentelijk werk is vrijgesteld. Want dat gaat zoo week in week uit. Maar dat hebben 'Amerikaansche kerkeraden gaarne voor een dominee van naam over. Welk traktement Dr Campbell Morgan geniet, weet ik niet. Maar er zijn predikanten, die vermaard zijn om hun welsprekendheid en die een inkomen hebben, waarnaar de hoogs tgeplaatsten in ons land kunnen watertanden. Bovendien een vakantie, die hen in staat stelt om verre buitenlandsche reizen te ondernemen.

's Avonds kwam Billy Sunday aan de beurt. Hij zou spreken in de Baptist Temple. Predikanten of kerkeraden staan gaarne hun gebouw aan "hem af. Zij benutten dat om reklame voor hun kerk te maken. Zoo werd mij een kaart in de hand gestopt, waarop te lezen stond:

De groote evangelisatie-zang-diensten van deze meetings zullen worden voortgezet door de

BAPTIST TEMPLE

iederen Zondagavond om 7.45 onder leiding van Dr J. Marvin Hanna en het tempelkoor. •Opwekkende evangeliepreeken door den predikant

Dr M. JOSEPH TWOMEY,

die zijn ambt aanvaardt op 6 April. Breng uw Billy Simday-Rodeheaver gezangboek mee. Ga iederen Zondag naar een kerk.

Om half acht zou de dienst beginnen. Maar als gij een goede plaats wilt hebben, moet ge zorgen, er pm zes uur te zijn. Dat lange wachten moet verschrikkelijk zijn, denkt ge. Maar dan rekent ge niet met den praktischen Amerikaanschen geest. 'Om zes uur was het een geweldig geroezemoes. Ik kreeg een plaats vooraan. Er was net nog één ledige stoel. In mijn nabijheid zat jong goed verdiept in een novel (roman). Ouderen waren gewikkeld in drukke konversatie. Maar lang hield dat niet aan. Het koor werd voltallig. Daar verscheen een soort opperzangmeester. Nu eens liet hij d© geheele vergadering, dan weder het koor liederen zingen. Een maatstok had hij niet noodig. Hij dirigeerde met de hand. Ondertusschen vond hij gelegenheid, gesprekken met den een of ander te houden. Hij haalde een koperen instrument voor den dag en begon daarop met ware virtuositeit te spelen. Daarna riep hij een damie voor het front, die, als ik het goed verstaan heb, zijn zuster was en stelde haar met een paar humoristische woordeai aan het publiek voor. Zij bleek een soliste te zijn en zong niet onverdienstelijk. Weer noodigde de opperzangmeester koor en vergadering uit om liederen te zingen. Dat alles wisselde hij af met korte speeches, waarvoor hij met een lachsucces werd beloond. Eindelijk kwam Billy Sunday met gevolg binnen. Wie onder hen nu Billy Sunday is, kunt gij niet raden, ook niet al hebt gij vroeger weleens een portret van hem gezien. Gij kijkt er stellig een verkeerden op aan. Maar de opperzangmeester geeft de leiding nog niet uit handen. Deze deelt mede, dat dit op één na de laatste vergadering is, waarin Billy te Philadelphia dit jaar optreedt. Hij gewaagt van de gezegende campagne, waardoor vele zielen zijn gewonnen. Onder luid applaus spreekt hij den wensch uit, dat Billy elk jaar Philadelphia zal bezoeken. Op echt Amerikaansche manier beveelt hij de kollekte aan. Dat vormt in zulke meetings niet een onderdeel, maar een hoofdbestanddeel van den dienst. ^, Steekt", zoo riep hij op zeVer oogeablik uit, „eens wat dollarbiljetten in de hoogte, die mag ik zoo graag zien." Ik keek rond. Geen dollarbiljet was te bekennen. Hij had het gehoor niet onder suggestie. En met daling van stem ging hij verder: „doet ze dan in de kollekte"

Men vergunne mij hier af te breken en een volgende week voort te gaan.

HEPP.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1930

De Reformatie | 8 Pagina's

Als ik Christelijk Historisch was..... V.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1930

De Reformatie | 8 Pagina's