Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

HET BOEK VAN DE WEEK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET BOEK VAN DE WEEK

10 minuten leestijd

H. S. S; Kuyper, Van Frankrijk voorheen en thans. — J. H. Kok N.V., te Kampen, 1930.

Het reizen is in dezen tijd van reisvereenigingen en gemakkelijk toerisme vrijwel algemeen. Een buitenlandsche tocht behoort tpt de herinneringsinventaris van vele, zoo niet de meeste menschen van tegenwoordig. En bij kieken en prentbriefkaarten weet men allerlei bijzonderheden van heinde en ver te vertellen.

Maar het is niet ieders werk, van zulke reizeii mededeeling te doen in het geregeld verband van een boek. Dat is een kunst op zichzelf, die andere eigenschappen vordert, dan de doorsnee-toerist bezit; want een reisverhaal is geen dagrapport (tenzij in bijzondere gevallen, als het gaat over expedities O'f exploratietochten e.d.), noch ook een opsomming van alles wat men gezien heeüt en genoten.

Er zijn echter menschen, die deze kunst uitnemend verstaan en daarvan bij iedere nieuwe proeve de bewijzen afleggen.

Tot hen behoort zeker Mejuffrouw H. S. S. Kuyper. Zij weet een reisverhaal te schrijven, dat reis-verhaal is, maar tegelijk van het bijzondere van haar persoonlijke ervaringen zich verbreedt tot het algemeene van historie-beschouwing, sociaal, economisch, politiek, artistiek leven. Dat beteekent niet, dat haar reisboeken geografische of historische verhandelingen zijn, maar dat ze de bezienswaardigheden van een streek of stad, de typische verhoudingen, de karakteristieke toestanden doen zien in hun cultureel verband, waarbij natuur-en reisimpressies de kleur-aanbrengende effecten zijn.

Onze lezer kent wellicht een van deze reisverhalen. Na de „Brieven uit Rusland", dat, als ik mij niet vergis, het eerste werk in dit genre was, gaf Mej. Kuyper de beschrijving van „Een half jaar in Amerika", „Brieven uit de Bergen", „In het Land van Guido Gezelle", „Lentedagen in Italië", „Hongarije" en een „Tweede Reis naar Amerika". Alle zijn dit boeken van de juist aangegeven samenstelling : reisindrukken, maar dan, laat ik het samenvattend mogen zeggen, van didactische strekking.

Thans heeft ze aan deze serie een nieuw deel toegevoegd: „Van Frankrijk voorheen en thans", uit dezelfde gedachte ontstaan, blijkens het motto: „dit boek bedoelt te zijn oen eenvoudige gids voor reizenden, die Parijs willen zien en daarna gaan uitrusten in Frankrijk's hooggebergte". De stof is voor dat doel uitnemend geschikt, want, aldus vangt het boek aan, „onder de landen, die met luider stemme tot reizen lokken en met volle handen gaven bieden van natuurschoon en kunstgenot beide, neemt Frankrijk zeker een eerste plaats in".

Geheel in aansluiting bij haar bedoeling begint de Schrijfster haar boek met te spreken over Panjs. „Want Frankrijks leven van voorheen en thans concentreert zich in Parijs. Parijs is het belangrijkste deel van Frankrijk. Parijs is de lieveling, het troetelkind van het Fransche volk; en van zijn groote koningen, die het vergroot en versierd hebben. Frankrijks geschiedenis — ook zijn kunstgeschiedenis — ligt in Parijs gespiegeld. Wat Frankrijk in den loop der eeuwen gepresteerd heeft, ook wat het misdaan heeft, zijn glorie en zijn schande

— van dat alles vindt ge in Parijs de herinneringen terug. Want van dat alles was of is Parijs de hoofdzetel. Van alle kanten stuwt het Fransche leven óp naar Parijs. En in Parijs staat de geestelijke fontein, die met haar stralen — ten goede of ten kwade — heel Frankrijk besproeit"... „Het spreekt dus wel vanzelf, dat wie iets van Frankrijk voorheen en thans wil begrijpen, beginnen moet naar Parijs te gaan. Daar klopt het hart van Frankrijks leven. Daar is het hoofdtooneel, waarop zich Frankrijks geschiedenis heeft afgespeeld, daar is de lusthof waarin Frankrijks kunst het weelderigst gebloeid heeft".

In deze inleidende woorden ligt duidelijk besloten de methode, die de Schrijfster volgen gaat. Ze zal Parijs doen zien „aan de hand der historie". De eenig juiste manier! Want „wie Parijs alleen maar beschouwt .als een mooie stad, waar men veel kan genieten en meteen aan sightseeing doen, zal Parijs nooit leeren kennen, omdat hij, zóó doende, nooit de ziel van Parijs benadert.

Een wereldstad van zoo hooge beteekenis, die meermalen hoofdstad der wereld geweest is en van zoo eerbiedwaardigen ouderdom als Parijs, schrijft als het ware zelf haar „mémoires" in haar monumenten. In de chronologische volgorde dier monumenten leest, wie geschiedenis lézen kan, de autobiographie van Frankrijks hoofdstad. Meer nog. In Parijs heeft in groote trekken het Fransche volk zijn autobiographie uitgebeeld. Ja, meer dan eens stelde de wereldgeschiedenis er haar lot^gevallen te boek".

De Schrijfster zal dus met haar lezers kerken en musea, paleizen en pleinen gaan bekijken, maar dan in chronologische orde (zooveel mogelijk althans), door zich „in te denken de historische tijdperken, waarin Parijs' monumenten ontstonden en die alleen ons verklaren kunnen, waarom ze in dien vorm en op die plaats ontstonden"... „„'tHoudt meer op", zeker. Maar die meerdere moeite zal ruimschoots beloond worden doordat de groei en de bloei van Parijs, die zoo nauw samenhangt met Frankrijks geschiedenis en met de leiding, die Parijs vaak aan 't wereldleven gaf, zich als één geheel voor ons geestesoog ontrollen zal"."

Naar dit systeem begint Mej. Kuyper dan haar rondgang door Parijs, welks beschrijving 200 bladzijden van haar boek in beslag neemt.

Eerst beziet ze het Parijs onder Romeinschen schepter, waarvan het „Palais des Thermes" de herinnering bewaart, een bouwval nu, maar die nog eeii duidelijke voorstelling geeft yan wat deze echt-Romeinsche amusementsplaatsen geweest zijn (badplaats, leeszaal, restaurant, alles tegelijk); voorts de Gallische altaren in de Notre Dame en het standbeeld van Juliaan den Afvallige, die in de vierde eeuw na Christus over het Romeinsche wereldrijk heerschte. Dan volgen chronologisch de Romaansche Middeleeuwen, de jaren, toen de eerste Christenkoning, de Frankische Clovis, Parijs kerstende en de Romaansche bouwstijl opkwam als „'t begin der emancipatie van den christelijken bouwstijl". In de muurschilderingen van het Pantheon, in de grondlijnen van de Notre Dame is nog deze Romaansche periode terug te vinden. De 13e eeuw brengt een gedaante-verwisseling met den opbloei der Gotiek. Nog zijn er de Gotische Kerken, de Saint-Germain des Prés, de Eglise Saint-Séverin, de Eglise Saint-Juhen-le-Pauvre. De Schrijfster beschrijft deze kerken en toont aan, hoe „in een Gotische kathedraal een loflied van vreugdevolle bevrijding (juicht) uit den druk der Romaansche bouwkunst" en hoe daarin gesymboliseerd wordt de macht der Roomsche kerk, „die toen heel het menschelijk leven onder haar bewind had". In den breede spreekt Mej. Kuyper in dit verband over de Nötre Dame, de ^.architectonische uitbeelding der Roomsche Maria-vereering", „een lofzang van steen aan de „Koningin des Hemels"."

Haar chronologische orde volgend komt de Schrijfster dan toe aan het Parijs van den tijd der Renaissance en der Reformatie. De Renaissancestijl leeft in de paleizen (Louvre, Tüilerieën); de Reformatie komt daarnaast, aanvankelijk als bondgenoot van de Renaissance in het verzet tegen Rome, straks ook tegenover haar, als die Renaissance streven gaat naar de vrijheid van den autonomen mensch.

Uiteraard brengt dit beschouwen van het Parijs der Reformatie tot een spreken over de ontwikkeling der Reformatie in Frankrijk: over de eerste reformatoren (Lefèvre, Farel, straks Calvijn), over de eerste martelaren (Jean Vallière b.v.), over den neergang van het Reformatorische leven in den Bartholomeusnacht en den moord op De Coligny, maar ook den opgang door het Edict van Nantes, onder Hendrik IV tot stand gekomen. En zoo volgen vanzelf de verdere perioden der Parijsche historie: de tijd van Lodewijk XIV, van de Revolutie, van het Napoleontisme, van de Restauratie en de 19e-eeuwsche Revolutiewoelingen, die alle hun sporen hebben nagelaten in de Parijsche bouwwerken en naar aanleiding daarvan worden bezien.

Zoo wordt dan Parijs bekeken „aan de hand der historie", dat is, op een ongemeene en tegelijk instructieve wijze, die ook voor dengene, die Pargs zelf niet heeft gezien, haar waarde heeft.

Een tweede deel van het boek brengt den lezer naar Frankrijks Alpenland, naar Savoye en de Dauphiné.

In dit stuk komen meer do reisherinnering en de natuurimpressie naar voren, als de Schrijfster vertelt .yan haar ervaringen in hotels en treinen, in dorpjes en steden, en van haar genieten van berggezichten en dal-aspecten, van bloemen en vogels — van het grootsche en schoone der Alpennatuur. Ook vinden we telkens fragmenten als die we kennen uit de vorige boeken van dit soort: over de leefwijze der menschen, hun cultureele ontwikkeling, hun gewoonten en opvattingen.

Maar achter het persoonlijke staat toch ook hier weer het historische. Want èn Savoye èn de Dauphiné hebben hun geschiedenis. Hier hebben zich in de middeleeuwen afgespeeld de conflicten tusschen Italië en Frankrijk, hier is het terrein van de barre, maar toch ook aantrekkelijke Waldenzenhistorie. De Schrijfster, getrouw aan haar bedoeling, te doen zien het Frankrijk van thans, maar ook van voorheen, haalt deze historische tafreelen op in het verband der locale verhoudingen, waardoor de eerste levendiger, de laatste belangrijker worden voor den lezer van het boek.

Eindelijk is er nog een derde afdeeling, een hoofdstuk over „Fransche vrouwen van voorheen en thans", dat wel vooral staat in het teeken van de didactische strekking, waarover ik boven sprak. Het is de Schrijfster te doen om een pleidooi voor de Fransche vrouw: „de Frangaise staat in ons brave, degelijke Holland nu eenmaal niet in goeden reuke. De doorsnee-Hollander kan zich de Francaise haast niet anders denken dan: ijdel, wuft, lichtzinnig. En toch is dit een vooroordeel... Een fiendaagsch verblijf in Parijs, gevolgd door een zomervacantie in het Fransche hooggebergte, kennismaking met enkele degelijke, vrome, doodeenvoudige Franpaises en het ons herinneren van beroemde, godvreezende en hoogstaande Francaises uit de geschiedenis, doet wel begiijpen, hoe dwaas het is, alle Francaises over één kam te scheren, en inzien, dat er naast vele wufte, ijdele en Uchtzinnige Francaises óók Franpaises zijn, die den toets van vergelijking met onze beste en degelijkste Hollandsche vrouwen veilig kunnen doorstaan."

Ik schrijf dezen zin (die overigens niet staat op de stilistische hoogte van het boek) over, om te doen uitkomen, wat de Schrijfster met dit aanhangsel beoogt. Ze wil vooroordeel wegnemen en dat doen, door te wijzen op voortreffelijke vromven uit Frankrijks verleden (Louise de Coligny, Charlotte de Laval, Renata van Ferrara, Margaretha van Navarre, Angéhque Arnauld) en uit Frankrijks heden, (vrouwen die de Schrijfster zelf ontmoette in Parijs en Chamonix). Een loffe-Igke, sympathieke bedoeling, maar die toch weinig effect sorteert. Want afgedacht nu nog van het feit, dat het heel gemakkelijk zou zijn uit Frankrijks verleden en heden de tegenbeelden van de genoemden ten tooneele te voeren, wordt door een verwijzen naar eenige bijzondere historische figuren en naar enkele vrouwen, die de Schrijfster, verkeerende uiteraard in een bepaalden kring, en dan slechts een tiental dagen, heeft ontmoet, niets bewezen ten aanzien van den geest der Fransche vrouw in 't algemeen en nog minder weggenomen de bijgedachte, die het woord „francaise" in de gangbare taal verkregen heeft. Ik geloof met de Schrijfster gaarne, dat het onjuist is de Fransche vrouw als ijdel, wuft en lichtzinnig te qualificeeren, maar dat te bewijzen vordert andere argumenten dan Mej. Kuyper aanvoert en geheel andersoortige gegevens. Ér zal wel niemand zijn, die ontkent, dat er èn in het verleden èn in het heden hoogstaande Fransche vrouwen zijn geweest en zijn, maar dat is niet het punt in quaestie bij de bewering, die de Schrijfster zelf als inzet van haar betoog memoreert. Daarom is het slothoofdstuk eenzijdig van instelling en staat het niet op het plan van het geheel. Bovendien hoort het ook in zgn behandeling van een geheel opzichzelf staande zaak, niet thuis in een boek, dat algemeene indrukken en beschouwingen geeft.

Intusschen, met dit minder geslaagde slothoofdstuk is het boek zeker niet gestempeld. Den hoofdinhoud vormen de beide eerste gedeelten en die zijn aantrekkelijk en getuigen van inzicht en eruditie. Iemand, die Parijs heeft bezocht en de monumenten, "paleizen, musea, pleinen heeft gezien, zaJ met belangstelling lezen, wat Mej. Kuyper hem vertelt van hun historie en hun beteekenis. En voor dengene, die een reis naar Frankrijk in petto heeft, geeft het boek een alleszins aanbevelenswaardige voorbereiding, om te doen weten, wat hij aioet gaan zien en hoe hij het moet bezien. Bovendien vormt het voor een ieder onderhoudende en leerzame lectuur. Verschillende voetnoten bewijzen, dat de Schrijfster van haar onderwerp studie heeft gemaakt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 april 1931

De Reformatie | 8 Pagina's

HET BOEK VAN DE WEEK

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 april 1931

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken