GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

PERSSCHOUW

15 minuten leestijd

Kerstliedje voor 1935.

In Het Algemeen Weekblad voor Christendom en [•ultuur" schrijft P. Minderaa onder dezen titel een vers, Vaarvan wij hier den aanhef citeeren:

Ach kindje, dat uit den hemel zijt, om wie ons bitter verlangen schreit, die stralend in onze aiTaoe leit, geef ons op Kerstmis allemaal samen een beetje hemel van binnen. Amien.

Ach kindje, dat uit den hemel zijt, wij maken op aarde veel onderscheid: voornamen en nullen, oprechten en boozen diep-religieusen en goddeloozen. Ach kindje, neem ons vandaag maar samen en geef ons een beetje heiligheid. Amen.

Ach kindje, dat uit den hemel zijt, breng vanavond een glimlach zaligheid in ziekenhuizen en hospitaaltenten, bij t.b.c- en kankerpatiënten. Laat de werkeloozen een liedje zingen en denken aan lichte en warme dingen. Laat een beetje gloed in de oogen schijnen van moede kerels in donkere mijnen. Kom met je handjes een beetje streelen de schunnige meisjes in de bordeelen. en ga, o kindje vol medelij' vanavond ook de kerk niet voorbij!

De „deemoed" van den laatsten regel lijkt ons uiting lan „hoogmoed" (geen persoonsbeoordeeling, natuurlijk). Een kerk, die in haar belijdenis van schuld niet alleen [ichzelf, maar ook den Vader (we zullen dat kerstbannetje nu maar laten schieten) zich ziet „instellen" bp alles en nog wat, behalve het verbond met zijn immigen ernst, maakt haar eigen kwaad regiemem ir; d.w.z. handhaaft het op de geraffineerdste manier, be men denken kan.

Kerstfeest-revolutie?

„De Groene Amsterdammer" geeft een Kerstnunamer. let nummer opent met een artikel van Prof. Dr Adolf Keller, van wien het orgaan het volgende opmerkt:

Prot. dr Adolf Keller, de schrijiver van dit Kerstartikel, is een der voornaamste leiders van de oecumenische bevraging; misschien na den dood van bisschop Söderblom de voornaamste. Prof. Keiler is de leider van het sociale studiecentrum van de Stockholmbeweging en van het instituut voor kerkelijke hulpacties.

De schrijver handelt over „heilige revolutie" (in een Keretnummer!) en merkt op:

Revoluties, dat zijn niet de straatgevechten, de schoten in den nacht of het bloedvergieten, hetwelk plaats heeft als: een regeering omvergeworpen of een koning onthoofd wordt.

Revolutie is met evolutie samen eigenlijk de beweging van den geest. De geest is niet statisch maar dynamisch van karakter, want de geest is een scheppende kracht. Waar deze scheppende kracht in een mensohenleven gaat werken, ontstaat beweging, hetzij de geleidelijke der evolutie, hetzij' de plotselinge en gewelddadige der revolutie.

Het is karakteristiek voor onzen tijd, maar ook voor ODze ongeduldig geworden generatie, dat wij geneigd zijn tot revolutie. De revolutie zit ons allen in het bloed, den verstokten conservatief evenzeer ais den communist, alleen in tegengestelde richting. Wie heden twee stevige vuisten heeft en daarbiji hongerig en dakloos is; wie heden geestkracht, moed en hoop bezit, wil de wereld veranderen. Dat willen de diotar^ toren evenzeer als de oproerlingen; de vurige profeten van een nieuwe samenleving evenzeer als de in stilte biddenden.

Maar revolutie is geen schepping uit het niet; saj is veeleer een ommekeer, een verschuiving van de krachten en waarden in het menschelijk bewustzijn en veelal slechts een verandering van standpunt eener minderheid, die de meerderheid haar wil oplegt.

Hoe gemakkelijk echter de schrijver zich met behulp van wat lyriek tot het schrijven van onzin laat verpiden, leert het volgende:

De maan wendt ons beurtelings haar lichte en haar donkere zijde toe. Deze revolutie aan den hemel brengt slechts het verborgene, het nog niet geziene in ons gezichtsveld. Een dergelijke onamekeer kan ook in den mensch zelf plaats vinden. Ook hij' heeft een lichten en «en donkeren kant, een boven en een onder, zijn dag en zijn nacht. "Wijl leefden eeuwenlang in het heldere daglicht van het bewustzijn. Sedert de Grieksche geest begripsvorming leerde, sedert Plato en Socrates, sedert Descartes en Kant veroverde de ratio, de menschelijke rede, steeds uitgestrekter levensgebieden. Wiji werden gerationaliseerd. Deze rationaliseering strekte zich tot ver over de grenzen van ons bewustzijn uit, zij trachtte ook door te dringen in de geheimzinnige gronden en afgronden van het onbewuste. En de moraal is de grootsche poging, het geheele menschelijk handelen, dat voortkomt uit een mengsel van rede, gevoel en instinkt, te rationaliseeren.

^^ Het woord „revolutie" verliest onder deze bedrijven

•ijn affreuze beteekenis: Op het schaakbord van den geest zijn de onaanzienlijke pion en het o^rdDerekenbare paard opgerukt, terwijl te voren de machtiger stukken het spel beheerschten. De revolutie is eigenlijk slechts plaatsverwisseling, accentverschuiving. Het is die eeuwige maskerade ™n den geest, die iets ouds als nieuw uitgeeft en het in deze vermomming niet meer herkent. Bij deze accentverschuiving zijtn geen nieuwe letters of lettergrepen geschapen: maar men herkent in de nieuwe uitspraak het oude woord niet meer.

, ^-Én nu het woord „revolutie" zijn affreuzen klank verloren heeft, behoeft dit behaaglijk woordenspel ook Bethlehem en Kerstfeest slechts „revolutie" te noemen, om het van zijn verschrikkelijkheid te ontdoen:

Eens was er sprake van een Heilige Revolutie. Zijl werd niet uitgebroed in menschelijk© hersenen. Zij' brak niet over de menschheid los als bij een dijkbreuk. Zijl was ook niet een revolutie van vernuftige nieuwe ideeën, of een revolutie der harten, hoezeer ook verstand en hart er bijl betrokken waren. Verstand, hart en bloed, hieruit is de mensch opgebouwd en hiji verandert in wezen niet, ook al worden zijn atomen vervangen. De drang tot deze revolutie stamde niet uit het constructieve denken van philosophen, zooals de Fransche Revolutie, of uit de duistere wereld van het bloed, of uit den daemonischen roes van den menschelijken waan, met onrechtvaardige middelen een dijk der gerechtigheid voor allen te kunnen scheppen. Deze drang stamde in het geheel niet uit de wereld, noch uit een bovenwereld, noch uit een onderwereld der menschen, noch uit de helderheid van het bewustzijn, noch uit een verwachtend schouwen van het onbewuste.

Laat ons voorzichtig zijn, en hier slechts met groote bescheidenheid zeggen, dat zij' stamt uit een andere wereld, uit een wereld buiten alle mensohelijke overleggingen, verlangens en droomen.

Zoo wordt Kerstfeest het (niet meer absolute) revolutiefeest:

Hier gaat het echter om een revolutie van God uit, i n de menschheid. God zelf maakt revoluties en breekt een zieke en stervende wereld binnen met nieuwe en genezende kracht. Deze revolutie was al voltrokken vóór een mensch er van wist. Het goddelijke binnendringen in de wereld vond plaats in de eeuwige Nacht der goddelijke Gebeurtenis, nog vóór de engelen zongen in de velden van Bethlehem en vóórdat een eenzaam Mensch in een meditatie van veertig dagen in de woestijn het spoor van het goddelijk handelen had O'ntdekt en zich daarvan bij' zijn doop in de Jordaan bewust werd. Sindsdien wist hij', dat hiji zelf als een revolutioneerend element, als een heilig ferment aan het lichaam der menschheid werd toegevoegd, aan den menschelijken geest. De Christelijke Kerk noemde dit binnendringen van het goddelijke in het menschelijke „incarnatie".

Daarmee werd de grootste revolutie aangeduid die wijl kennen, namelijk dat de Geest vleesch wordt. Dat is de heilige Revolutie van den Kerstnacht. Hier is iets gebeurd tusschen hemel en aarde, waarvan wij slechts door de Kerstboodschap kennis dragen: „Heden is uwer de Heiland geboren!"

Tenslotte wordt dit alles uitgewerkt in déze Kerstmeditatie:

De mysticus Angelius Süesius riep ons eens toe: „Mensch wordt wezenlijk!" In dezen zin wezenlijk te worden vril niets anders zeggen dan gelooven. En gelooven is niets anders dan het besef van de heilige revolutie Gods, als het vertrouwend overgegeven medespelen en medewerken in het groot© goddelijke drama, in het opnemen en vormgeven van Zijn h©iligen Zin.

Dit is een revolutie, waardoor de mensch werkelijk anders wordt. Hij verandert niet in de chemische samenstelling van zdjh moleculen. Hij' wordt niet grooter, verandert niet van huidskleur. Hij' wordt ook niet van een domkop en genie, of van een misdadiger ©en heilige. De revolutie, die in hem plaats vindt, voltrekt zich niet in zjjn physiologie of in zijln verstand, maar in zijii wezen, dat wil zeggen in de nieuwgeschapen betrekking van den mensch tot God, in zijn geloof. In het geloof ligt het nieuwe menschelijk© wezen, dat door de heilige revolutie aan den dag komt.

Hier heeft een revolutie plaats gehad en van hier uit moet de menschheid gerevolutioneerd worden. De verandering der menschen geschiedt niet van de politiok, van de sociologie of eenigerlei ander© ideologie uit, maar van daar, waar God z©lf in de menschenwereld heeft ingegrepen. Dat is Kerstmis, dat is heilige, scheppend© revo'lut^©.

We zien er van af, dit te ontleden. Voor onze lezers achten we het onnoodig.

Wel vragen we ons af, hoe het toch eigenlijk mogelijk is, dat een blad als „De Groene Amsterdammer" een artikel van Prof. Dr Adolf Keller opnemen kan, terwijl in denzelfden tijd gereformeerd© volksvoorlichters de theologie, die deze man (blijkens zijn boek „Der Weg der dialektischen Theologie") voorstaat, in wijderen zin „gereformeerd" durven noemen (Calvinistencongres 1934)? Het schijnt, alsof, als dézen zwijgen, de steenen roepen!

Het orgaan „Woord en Geest" (komende onder redactie van Dr K. H. Miskotte) schrijft, dat ondergeteekende Barth dingen laat zeggen, die de man heelemaal niet beweerd heeft. Blijkbaar beteekent dat, dat ik consequenties uit Barth haal, die de heeren van „Woord en Geest" nog niet uit hem afgeleid hebben. Maar dat bewijst alleen, dat de heeren Barth niet begrijpen, hem niet lézen. De redactie van „De Groene" is beter op de hoogte dan die van dit z.g. „gereformeerde Weekblad".

^ Een zeer verstandig woord over polemiek en ireniek.

In „Westlandsche Kerkbode" schrijft Amandi: Het wordt steeds duidelijker, dat er in onze Kerken tweeërlei opvatting is van de taak der Kerk. De diepste grond voor dat tweeërlei van opvatting is eigenlijk verschillend inziaht in het wezen der Kerk. En juist dat inzicht bepaalt de beginselen, die men in daden zoekt om te zetten.

Hierin is men het van beide zijden eens', dat juist in onzen tijd met zijne groote verscheidenheid van geestesstroomingen en van staatkundige inzichtënTvan beroering en botsing', der volken, van omfceering, zoowel van geestelijke als stoffelijke waarden, de Kerk een© 'hoog© en heilige roeping heeft t© v©rvull©n. D© K©rk staat niet in het midden der politiek en heeft aan aetiev© politiek nooit mede te doen.

Zij staat echter evenmin geheel buiten de politiek De leden der kerk zijn ook burgers van den staat. De politieke belijdonis' mag niet botsen met de k©rkelijke. En er zijn tal van terreinen, waarop gewild of ongewild kerk en staat met elkander in aanraking komen en elkander kunnen beïnvloeden.

Zóó heeft juist in onzen tijd de k©rk ©en roeping voor heel 'het volkslev©n in al zijne schakeeringen. Hoe nu moet de k©rk die rooping vervullen en die taak opvatten?

Veler meening is: dat moet de kerk doen door zoo breed mogelijk zich t© ontplooien en zoo veel mogelijk binnen har© muren te betrekken. Wat den Christus Gods belijdt, wat in de Heilig© Schrift ziet d© openbaring Gods, wat daarin positie neemt tegen het wasisend 'heidendom in Europa, moet zich aaneensluiten en ondergebracht in de strijdende kerk d©s H©©ren.

't Is thans de tij'd niet, nu zoovele maatschappelijke, zedelijke, geestelijke nooden vragen om voorziening, nu van alle zijden zooveel gevaren dreigen; het is nu d© tijd ni©t van scherp getrokken grenzen, angstvallig meten, nauwkeurig wegen. Verschil van inzicht omtrent en in de waarheid moet thans v©rgeten. Onderlinge strijd over wat inderdaad d, o waarheid zou zijn en dies de eisch Gods, moet plaatsmaken, onder wat zich naar Christus noemt, voor algemeene verdraagzaamheid onderling, om des te grooter getal 'den vijand te kunnen t©genover st©ll©n, die van meer dan één© zijd© oprukt. Vooral in den ©ngeren kring der Gereformeerden moet ruimte zijn voor elk die d© hoofdwaariheden van het Gereformeerd belijden beaamt, zonder al te angstvallig en enghartig naar h©t hoe van dat belijden te onderzoeken. Do tucht over d© l©er moet daarom met zekere rekbaarheid toegepast om die over 'het leven des t© sch©rper t© handhav©n.

De bazuin blaast thans „verzamelen". Dus „verzamelen" en „verzameld" houden, wat maar verzamelbaar is. Tegenover 'deze meening nu staat een geheel andere. Die zoekt liet ni©t, waar h©t d© weerkraoht van Christus' Kerk geldt, in de breedte, maar juist in d© di©pt©.

Zo©'kt het juist in onzen tijd in zeer scherp© belijning en zeer enge begrenzing.

Aanvaardt ni©t al wat Christen zich noemt, zonder nauwkeurig onderzoek of het ook Christen is. Verzamelt niet onder Gtereformeerd symbool, wat niet waarlijk en ten voll© de Gereformeerde belijdenis onderschrijft en tracht te beleven. Zoekt het niet in het getal, maar in het gehalte. Laat de Kerk, met name de Gereformeerd© Kerk haar weerkraoht boven aUes hierin zoeken, dat zij het meest streeft naar zuiverheid. In plaats van verbreeding ten opzichte van wat nog als waarheid met goedwilligheid schijnt t© kunnen aanvaard, verdieping van het inzicht in de waarheid Gods, zooals Hit die in Zijn Woord heeft geopenbaard, maar dan in gansch dat Woord, geheel de Heilige Schrift. Op het g©vaar af velen af te stooten, 'die anders mede zouden optrekken, er veel©©r naar gestreefd, de w©erbaarh©id te verhoogen van degenen, 'die in vastheid en nauwkeurige begrenzing van hun belijden juist de sterkt© meenen te zien van het leger des Heeren.

Daarom moet ©©rst binnen de vesting zooveel mogelijk alles in orde zijn, zal men tot verdediging tegen den vijand buiten de vesting in staat zijn. Niet het leger der velen, maar dat d©r getrouwon, zal beslissen in den strijd.

Voor zulkon blaast ook de bazuin „verzamelen". Maar dat ontslaat niet van d© roeping „te schiften". Eerst dat schiften, dan verzamelen. Men gevoelt dat dez© meeningen zóó rechtstreeks staan tegenover elkander 'dat zij noodwendig elkaar bestrijden moeten.

D'e eerste meening gewint vel©r sympathi© omdat zij all©re©rst ©©n z©©r sterk irenisöh karakter draagt Zij erkent de groot© scheidslijn, di© d© wer©ld v©rdeelt in een vóór of tegen Christus. Maar zij verzacht allo scheidingslijnen, 'die wat vóór den Christus zegt te zijn, in allerlei kringen afzondert. Bovendien heeft zij 'dit groote voorde©l dat zij allerminst dwingt tot diep doorzoeken en söherp onderzoeken. Bij haar overhe©rscht h©t g©vo©l het v©rstand. Zij heeft den schijn de gemeeiLsöhap der heiligen het breedst te beoefenen. En in de verdraagzaamheid het verst te zijn gevorderd.

Toch is dit meer schijn dan werkelijkheid. Haar optreden tegen de andere meening en de laatdunkendheid in dat optreden, toont glasihelder, dat die verdraagzaamheid werkelijk onbegrensd is.

En wat de gemeenschap der heiligen betreft, wordt daarbij geheel vergeten de schoone uiteenzetting hiervan in antw. 55 van onze Catechismus. Dez© st©lt daarbij voorop de gemoenschap van d© g©loovigen, allen en een iegelijk aan Christus, wat alle©n mogelijk is door een aannemen en waard6©r©n van den Christus, geheel naar de Schriften. En dan door Hem g©meensohap aan elkander, 't Is er mede, als met de telefoon. TJw aansluiting met een anderen aangeslotene gaat niet van huis tot huis, doch over de T©lefoonccntral©. Daar wordt ge aan elkander verbonden. En hapert ©r nu iets in de aansluiting met die centrale, dan kan er van de verbinding met elkander niets terecht komen.

Voor ons is niet twijfelachtig, waar van 'den echten Gereformeerden Christen de plaats is en hoe zijn meening zijn moet.

De H. Schrift is ook een „Boek van de oorlogen des Heeren". In die oorlogen heeft nooit het getal beslist, maar wel het gehalte. De Gideonsbend© is er een zeer sterk voorbeeld van. Hoe dikwijls leest ge, dat Israël, in groote getal-minderheid, maar het Bondsvolk God®, d© reuzenlegers zijner vijanden totaal versloeg! En niet ijdel was de belofte, dat één enkele er duizend zou slaan. Werkelijk: in den strijd voor Gods Naam en Zijn Woord; voor Christus en

Zijne heerschappij komt het niet aan op de velen. Slappe bondgenooten zijn gevaarlijker dan sterke

vijanden. Zal de Kerk in den strijd onzer dagen, die eer verscherpen zal, dan ophouden, inderdaad den sterken vijand weerstand kunnen bieden, dan moet zij waarlijk de Kerk des Heeren zijn, en niet een allegaartje, dat zich liefst niet kerkelijk noemt. Dan moet zij in leer en leven naar de hoogst bereikbare zuiverheid streven. Dan kunnen niet met haar

oprukken, die in beginsel en wezen niet van haar zijn. Daarom is het voor de Kerk zulk eene ernstige roeping ook te bestrijden, en te trachten door bestrijding te brengen tot bekeering, wat sohijnchristelijk, halfchristelijk, kwart christelijk is, of b ij n a bewogen een Christen te zijn ondanks het gelooven van de profeten.

Men zet in sommige kringen eene felle po I e m i e k op tegen wat polemiseert. Dat verraadt ongewild een onmaöhtsgevoel. En onwil, voor de zuiverheid der waartheid te bukken.

Alleen dit: van allen strijd moet vredesbegeerte den inzet en vredesbereiking het doel zijn.

De Christus, die zegt: ik ben niet gekomen om vrede op aarde te werpen, maar het zwaard, wil juist dat door middel van dat zwaard die Vrede komt, waarvan de hemelsche helden en de bemelsche strüders zongen bij Zijne geboorte. Scherp gezien!

/ / „Halleluja" afgeschaft.

In hetzelfde orgaan vinden we volgend bericht:

In het goed geredigeerd en besliste Christelijk Weekblad „Unter dem Wort", dat de zijde van de Belijdenis-Kerken kiest, staan gedurig staaltjes, waaruit de haat tegen het Jodendom treffend uitkomt. Zoo vonden we onder den titel:

„Entjiidunc! der Kirche"

dat moeilijk in het Nederlandsch is te vertalen (losmaking der Kerk van de Joden) het volgende: „Het geestelijk Ministerie van de Adventsgemeente in Berlijn heeft besloten, het woord „Halleluja" af te schaffen in de Liturgie. Voor dit besluit hebben de beide „Duitsche Christenen" Meier en Stierzel en de zoogenaamde Neutralen Plath en Kuck gestemd. De öenige, die tegenstemde, was de vroegere Duitsche Christen „Sauer".

Zooals de lezers weten zullen, is „Halleluja" een Hebrefcuwsch woord, dat beteekent: „Looft Jehova". Het herinnert vanzelf aan 'het Israël van den ouden dag. Onze kostelifke Halleluja-psahnen moeten uit den aard der zaak ook verdwijnen. Eigenlijk negeert men het geheelt) Oud Testament. Treurig teefcen des tijds!

Handels Halleluja-koor ook contrabande?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 december 1935

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 december 1935

De Reformatie | 8 Pagina's

Bladeren