GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

11 minuten leestijd

LËNSOOALE LEVEN! Berdjajew en bet Sociale Vraagstuk.

De Idassenstrijd, hoorden we een vorig maal Berdjajew zeggen, is een verschijningsvorm van den kosmischen krijg, van den wereldoorlog der polair-tegengestelde krachten.

Het gansche denken van dezen gnostischen wijsgeer wordt door de overtuiging beheerscht, dat heel het wereldleven een voortdurenden krijg in zijn schoot draagt; hij ziet overal tweespalt, welke door „reöele machten georganiseerd is en gevoed wordt", en acht de ontdekking daarvan zelfs een vrucht van het Christelijk geloof.

De Russische denker bewijst echter, zijns ondanks, zelf hoe verkeerd deze levenshouding is. Hij waagt zich aan een beschouwing over de democratie, en geeft een oordeel over haar huidige gestalten in een vorm, die de instemming van fascisten en revolulionnair-socialisten zou kunnen hebben.

„Ieder volk", zoo luidt het, , , dat in de democratie leeft, is van den klassenstrijd vervuld, en de these van een eensgezinden, gelijkgerichten volkswil is een conventioneele fictie. Wiel zijn er nationale, staatkundige en boven de klassen uitgaande belangen, zonder welker bescherming geen enkele samenleving kan bestaan; ook moet zélfs een macht, die een duidelijk klasse-karakter bezit, het minimum van deze algemeene belangen verdodigen en verwezenlijken. Alleen maar, de formeele democratie bedekt en maskeert niet zelden den werkelijken klassenstrijd' en verandert zich in een orgaan van de klassenheerschappij. Daarmede wordt echter de formeele democratie tot een maskerade".

„Zulk een politieke maskerade", gaat Berdjajew verder, „is in onzen tijd vooral in Frankrijk duidelijk zichtbaar geworden. Het parlement, dat den volkswil lot uitdrukking behoort te brengen, is in werkelijkheid slechts het tooneel van den partijstrijd, waarachter zich de klassenstrijd verberg t".

„In de parlementen zelf komen de levensbelangen der arbeidende massa's nauwelijks ergens tot uitdrukking; z ij worden daar behartigd noch beschermd. De werkelijke belangen der arbeiders worden echter door de vakver eeni gingen bepleit. Zoo heeft de democratie tot nu toe slechts een formeel — geen reëel karakter. In de vaststelling van dit feit heeft het marxisme, ja ook het c o m m u n i s m e, g e 1 ij k." i)

„In de formeele, politieke democratieën worden de menschen aan de werkloosheid, aan den nood en aan de ellende zonder meer prijsgegeven; zelfs de oeconomische rechten van de persoonlijkheid worden niet beschermd."

Deze meening lijkt naar niets. Zij is even oppervlakkig als grof; zij getuigt van een ergerlijke miskenning der werkelijkheid, en is eeni slag in het aangezicht van allen, die hun krachten gaven in dienst der gemeenschap.

Het gaat Berdjajew als sommige landere radicale „sociale hervormers". Ze oordeelen maar; voor hun afbeelding van de tegenwoordige maatschappij is hel diepste zwart niet zwart genoeg. Ze breken maar; de moest volledige vernieliging der beslaande maatschappelijke ordeningen geeft hen nauwelijks voldoening. Natuurlijk: er is veel dat niet zwart genoeg kan worden, gemaald; er is veel dal vernieuwing dringend van nooide heeft. Maar de revolutionnaire verguizing van den opbouwenden arbeid, welke verricht is en nog verricht wordt, vergroot de ellende der lijdenden en hulpbehoo; venden, en verhindert elke poging om werkelijke, blijvende hulp te verschaffen. Derevoluties, welke de wereld nog steeds teisteren, leeren ons dat eiken dag.

Het ontbreelit iemand als Berdjajew blijkbaaiten eenenmale aan kennis van de parlementairej werkzaamheden in de verschillende Wieslersche landen. ^) Van de onlwikkeUng dor sociale wetgeving weel hij niets; van de moeilijkheden, welke bij elke schrede voorwaarts overwonnen moeten worden, opdat inderdaad de positie der maatschappelijk misdeelden verbeteren zal, hoeft hij niet het minste begrip. En toch scheldt deze wijsgeer, geestelijk verblind door zijn geloof in den kosmischen Icrijg, dat de „levensbelangen dor arbeidende massa's" nauwelijks in „de parlementen" (!!) behartigd worden, en verkondigt hij de zinledige bewering dat de w e r k e 1 ij k e belangen der arbeiders alleen in „de vakvereenigingen" 3) verdediging vinden. Men zie slechts naar de actie der C. G. T. in Frankrijk!

De leiders der Cliristelijke vakbeweging zullen zoo'n oordeel met groote verbazing lezen. Zij weten beter dan anderen hoe de vervullmg van de eischen van bepaalde marxistische organisaties hel lot van economisch zwakkere arbeidersgroepen nog ondragelijker zou maken; zij weten beier dan anderen hoe dikwijls eenzijdige actie op sociaal terrein, aan de werkelijke belangen der arbeiders slechts schade toebracht; zij zullen de eersten zijn, die de tegenstelling, welke Berdjajew maakt, mei verontwaardiging afwijzen.

Verblind door zijn geloof in den kosmischen krijg, verblind door zijn geloof in den klassenstrijd, welke hij nu eenmaal overal wil ontdekken, betuigt de Russisclie denker zijn instemming met hel revolutionnaire oordeel over de democratische wetgeving. De leuzen der marxistische brokers stelt hij hooger dan de arbeid, welke de verhooging van het levenspeil en de positieverbetering der werkende massa en van het gansche volk ten doel heeft.

Zeker, de zelfvoldane meening, dat , , wij het op sociaal gebied toch zoo heerlijk ver gebracht zouden hebben", mag niet in ons opkomen. Daarvooiis de nood en de ongerechtigheid te groot. Maar op de brute verworping van het werk op sociaal terrein, dat lol nu toe verricht werd, moei een warme verdediging het antwoord zijn, waarin dankbaar de zegeningen erkend worden.

Zulk een levenshouding geeft kracht om voorwaai-ls te gaan. Want die haai- aannemen, zoeken hel gebed.

Wanneer Berdjajew slechts zijn onverantwoordelijk oordeel over de „democratie en den klassenstrijd" gegeven had, zouden wij spoedig mol hem klaar zijn. , , Christentum und Klassenkampf" *) bevat echter ook gedachten omtrent het sociale vraagstuk, die van ernstige bezinning getuigen. De groote bewogenheid over het lot dor arbeiders, „de klasse, welke het diepste medelijiden opwekt", is mede oorzaak van Berdjajews felle, ondoordachte laai. Maar als hij lot rust komt^ en dieper in de problemen, welke hem bezig houden, tracht door Ie dringen, verrast hij zijni lezers soms met klare ontledingen en treffende karakteristieken. Zijn werk mist eenheid; het eena oordeel wordt 'dikwijls door hel andere opgeheven; toch maakt hetgeen hij zegt vaak indruk.

Een der beste paragrafen uit het zooeven genoemde werkje van Berdjajew, is zeker die, welke over den arbeid handelt.

„In de beschorming van den arbeid", zoo lezen we, „en van het bezit, dat onmiddellijk met den arbeid samenhangt, ziet hel Christendom do eerste plicht en hel eerste gebod met betrekking tol hel oeconomische leven."

Op grond van die belijdenis veroordeell de schrijver „het kapitalisme", of liever: hij keert zich tegen een abstracto voorstelling daarvan. Maaizijn beschouwing van den arbeid geeft hom ook de kracht om met hel oeconomisch-materialisme te breken, en de marxistische loer van don klassenstrijd te verwerpen.

Het probleem van den arbeid is voor hem niet een „zuiver sociaal, .maar een geestelijk, reUgieus vraagstuk". Het bezit, volgens hem, , , twee dimensies". De eene dimensie „bestaat in de verbetering dor arbeidsvoorwaarden, in de bevrijding van de onverdraaglijke vormen van den arbeid, in de vermindering van den arbeidstijd. Do andere dimensie echter grijpt dieper in het wezen van den arbeid; het gaat hier om den menschelijken arbeid zelf, om zijn plaats in het aardscho beslaan van den mensch, om zijn melapliysische en anlhropologische betoekenis. Do eerste vraag kan door een principiëele verandering der sociale orde, misschien ook door sociale hervormingen opgelost worden; de tweede vraag wordt echter door sociale maatregelen niet geraakt; want iedere poging om haar te verklaren, leidt in' de diepere sferen van het geestelijke leven en plaatst den vrager op den bodem van hel religieuse probleem".

Tweeërlei antwoord, gaal Berdjajew verder, is mogelijk. Men kan probeeren om den arbeid met al de kracht van hel geloof, een nieuwe, verheerlijkte boloekenis te geven, of men kan van de „religieuze overwinning" afstand doen, door te verkondigen, dat de arbeid door zijn sloffe- 1 ij k e resultaten gerechtvaardigd wordt, en door de stoffelijke goederen lot afgoden te verheffen, die hel gansche leven en den geheelen menscli beheerschen.

Dal doet hel marxisme, dal is het ideaal vani do Sovjet-republiek, van hel sociale collectief, waar „het niet gaal om het welzijn van het volk", maai- waar de mensch verdrukt wordt en de arbeid van zijn waarde beroofd, waar de economische macht van den staal het hoogste doel is. En ook in do zuivere „kapitalistische maatschappij"

bekommert de mensch zich niet om de geestelijke beteekenis van den arbeid, ook daar is de goederenproductie „Selbstzweck", is de organisatie detr voortbrenging, der distributie en van het verbruik, het hoogste en eenigste doel.

Die levenshouding noemt Berdjajew de burgerlijke. Zij beduidt, zegt hij, een zich afwenden van de onzichtbare en een uitsluitend zoekeni van de zichtbare dingen dezer wereld; zij' beteekent „de onmaclit om zich boven de zoogenaamde stoffelijke, d.i. de zuiver p'ractische, oecoinomische en egoïstische belangen te verheffen", zij verdedigt deze belangen als de hoogste waarden der menschelijke existentie, de eenigste, welke „reëel en werkzaam" zijn. Daarom is, zegt hij, ook het materialistische communisme een typisch product van dien „burgerlijken geest".

In deze beschouwingen is veel dat ons aantrekt: de woorden, welke Berdjajew aan het probleem van den arbeid wijdt, , wekken weerklank.

Eerst het Christendom, bekent deae denker — en wij met hem — heeft de achting voor den arbeid en de werkers in de wereld gebracht, en aan den arbeid zijn „slavenkarakter" ontnomen. En zeer terecht oordeelt hij, dat daarom alleen het Christendom in staat is om het probleem van de arbeidsdiscipline op te lossen. Immers wanneer de „geestelijke motiveei-ing" van den arbeid ontbreekt, ziülen de arbeiders slechts door den nood of door „militaire tucht" gedwongen kunnen worden. De „dienst aan de gemeenschap", waarover de communisten zoo roemen, kan wel een tijdlang de werkers bezielen, maar op den duur zal dat aardsche ideaal geen bevrediging schenken. Rusland, dat naar het woord van G i d e, het „slachanovisme" — het moordende systeem, hetwelk de menschen op allerlei wijzen dwingt om zich lot het uiterste in te spannen — niet kan missen, bewijst de waarheid dezer woorden. Belooning en straf zijn nu de belangrijkste factoren iu de bolsjewistische wereld vanden arbeid: 't z.g. „bovenpersoonlijke motief', dat luide verheerlijkt werd, is bijna geheel verdwenen. Omdat het geloof in de zegeningen van het bolsjewistisch régime gaandeweg verzwakt, moet de leiding een wreede terreur toepassen, opdat de menschen de hen opgelegde laak vervullen zullen, moeten de tegenstellingen vergroot worden, en de begeerten geprikkeld. "Weer blijkt de verwachting van een automatische verandering der menschelijke natuur in de „goede richting", volkomen ijldel.

Degenen, die hun vertrouwen op zulk een „natuurlijken zedelijken groei" stellen, zegt Berdjajew, bevinden zich in het „tooverland'". De teleurstellingen, welke zij daar ervaren, wreken zich geducht en worden, helaas, ook gewroken.

Slechts de „Christelijke wedergeboorte" kan den mensch de kracht schenken om onder alle omstandiglieden zijn arbeidsplicht te doen. Maar de getrouwheid, waarmede hij, in gehoorzaamheid aan God, zijn werk verricht, moet door zijn broeders met een voortdurende zorg voor zijn welzijn beantwoord worden. Het offer, dat hij in het geloof brengt, eischt de inspanning van allen, opdat zij de zeer moeilijke taak, welke hij verricht, naar vermogen zullen verlichten. De Christelijke strijd voor een menschwaardig bestaan, en voor sociale gerechtigheid ontvangt mede zijn energie uit de dankbaarlieid jegens God, en de eerbied voor de menschen, die Gods wil in hun arbeid op aarde trachten te volbrengen.

Wie zoo het sociale vraagstuk beziet, verwerpt elke gedachte aan een klassenstrijd. Ook Berdjajew veroordeelt dien strijd ten slotte. Zijn gnostische wereldbeschouwing, en zijn vrees dat een „onchristelijk ideahsme" de actie op sociaal terrein verlammen zal, hebben hem: tot de aanvaarding van de „realiteit van denj klassenstrijd" gedreven, hebben hem zelfs bewogen om Marx voor de „ontdekking" van dien strijid te huldigen. Hij kan zich niets voorstellen, dat vreeselijker is, dan een menschheid, die het geloof in de „natuurlijke harmonie" bezit, en wil haar daarom voortdurend met een suggestieve beschrijving van de woedende machten, welke deze wereld zouden verscheuren, verschrikken. Hij meent, dat de „huidige Christenen" hevig door dat „idealisme" aangetast zijn, en verkondigt daarom ook onder hen de leer van den kosmischen krijg. "We hebben in het begin van dit artikel gezien, tot welke dwaze consequenties zulk een geroep voert.

Berdjajew verwerpt echter den klassenstrijd als middel om een nieuwe samenleving te stichten, veroordeelt, terecht, het vertrouwen in de deugdelijkheid van dat middel als een zondig geloof in den mensch, en waarschuwt dat de prediking van den klassenstrijd slechts klassenhaat kan voortbrengen. „ï)e klassenstrijd, die tusschen de klassen in onze samenleving heerschl, heeft de zielen der menschen met nijd, haat en verbittering vervuld".

Neen, de prediking van den klassenstrijd verafschuwt hij. En toch voedt dikwijls het woord, dat hij spreekt, dien strijd. Zijn boodschap van den toeliomstigen vrede^ die aUeen het geloof in Christus brengen kan, wordt maar al te vaak over­ stemd door het strijdgeroep dergenen, die zijn oordeelsaankondigingen gehoord hebben.

Den volgenden keer willen we nog eenmaal voor zijn boekje „Christentum und Klassenkampf' aandacht vragen, om dan in het bizonder zijn meening over den klassenstrijd te bespreken.


1) Spatiëering van ons.

2) Een treffend voorbeeld daarvan is ook zijn uiting over de Engelsche partijen: „De conservatieve partij in Engeland, die met de aristocratie verbonden is, is altijd eerder geneigd om met de arbeiderspartij dan met de liberalen samen te gaan. Dat heeft tot een reeks van belangrijke sociale hervormingen gevoerd. Een dergelijk verschijnsel was tijdelijk ook in Duitschland waar te nemen". Berdjajew oordeelt hier de „liberalen" in die landen, om hun naam. Zij zijn voor hem de burgerlijke typen bij uitnemendheid. Vandaar dit op zijn zachtst gezegd, simplistische oordeel.

3) Het spreekt vanzelf dat de critiek op B.'s meening, geen veroordeeling van het werk der vakvereenigingen beteekent. Integendeel!

4) Het boekje van zijn hand, dat in deze artikelenreeks besproken wordt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken