Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

9 minuten leestijd

Rationalisatie en Mechanisatie.

II.

„De mechanisatie heeft in ruime mate bijgedragen tot de ontwikkeling van het levenspeil van alle bevolkingskringen, niet het minst van de werkende en werklooze arbeiders", oordeelde Mr Colenbrander. En deze schrijver liet erop volgen: „Om dit levenspeil te kunnen behouden of nog meer te kunnen verhoogen, is o.m. voortdurende rationaliseering noodig, teneinde den kostprijs te kunnen drukken en daardoor de productie en den afzet te bevorderen." (Wij spatiëeren.)

De hoofdredacteur van „De Opbouw" meende: „Door de mechanisatie is algemeene levensverruiming op breeder schaal mogelijk geworden. De mechanisatie op zichzelf is een zegen. Hoe meer de mechanisatie en de rationalisatie toegepast worden, hoe grooter ook de zegen worden kan." (Wij spat.)

Beiden geven een stelling van vrijwel denzelfden inhoud, en trekken daaruit overeenstemmende conclusies.

Beschouwen wij om te beginnen de stelling.

Het is zeker niet gemakkelijk om de geschiedenis van de maatschappij, zooals die zich in den loop der tijden ontwikkeld heeft, weer te geven. Vooral het industriëele tijdperk, waarin wij leven, plaatst ons voor groote moeilijkheden.

Noch hel aantal factoren, dat de ontwikkeling daarvan geleid heeft en nog leidt, noch de verhouding tusschen de verschillende bekende factoren, kan thans reeds nauwkeurig worden bepaald. Mede daarom is het gevaarlijk om bij de beschouwing van een toestand, die zich op een zeker moment aan ons voordoet, in hoofdzaak slechts op de werking van één factor te letten, en de andere, die ook invloed hebben uitgeoefend', in zekeren zin te verwaarloozen. Vooral wanneer wij ons tevens aan een voorspelling wagen over een volgend stadium.

Nog niet zoo heel lang geleden meende een groot 301 gedeelte der wereld, dat slechts de werking van zekere door de Overheid gebouwde „pompinstallaties", die enorme hoeveelheden geld in circulatie konden brengen, de oude welvaart vermocht te herstellen. De experimenten, die met zulke machines verricht werden, schenen dat oordeel te bevestigen. Men vergat echter dei voeding van' die pompen zelf te bestudeeren, lette evenmin op hun energieverbruik, noch op hun inwendigen bouw. Het eenigste, waar de waarnemers oog voor hadden, was de „weldadige werking" van den stroom (die de werktuigen verliet) op den „armoedigen bodem", waarmede hij in aanraking kwam. En natuurlijk, voor hen was nu maar één conclusie mogelijk: de capaciteit der pompen moet nog sterker opgevoerd worden, dan zal het land nog meer in bloei toenemen.

Tot op eenmaal het schoone bedrijf stagneerde. De aarde verzwolg den stroom, de persapparaten konden het niet bijhouden en raakten defect. Er zijn groote lekken, zeide de een. Maar waar? Neen, Roosevelt is de schuld, beweerden anderen. Of was het geheele stelsel misschien verkeerd; was de bloei maar een s c h ij n bloei geweest, die den bodem uitgemergeld had?

Doen sommiger beschouwingen over de rationalisatie en haar gevolgen, nu niet 'een weinig denken aan het optimistische oordeel over de nieuwe welvaart?

Het raüonalisatieprobleem schijnt zoo eenvoudig : Het werk geschiedt stralcs meer „economisch", de liosten worden verlaagd, het product wordt goedkoopér (en dikwijls beter), de menschen kunnen dus voor hetzelfde geld meer koopen... het levenspeil gaat omhoog.

Niemand zal ontkennen, dat de rationalisatie en mechanisatie (we scheiden op het oogenblik deze begrippen; meestal wordt de mechanisatie als een onderdeel van de rationalisatie beschouwd) inderdaad het „levenspeil" verhoogd hebben. Daarover later meer. /

Maar... bedenken we allereerst, dat zekere periodes in de industriëele ontwikkeling (vooral ook de eerste tijden) zich door eenl groot tekort aan goederen en een overvloed van „gezond" geld kenmerkten. Crises werden in het algemeen vrij gemakkelijk overwonnen. De Westersche landen profiteerden in hooge mate van de rijkdommen der koloniën en vooral ook van de ontdekking van nieuwe goudvelden. Hun inwoners konden heel wat producten gebruiken, en hadden de middelen om ze te koopen. Daarmede deed de industrie haar voordeel.

„Compensatie" was er dus genoeg; er ontstond zelfs herhaaldelijk een tekort aan arbeiders; de plattelandsbevolking stroomde dan naar de steden. Ook na den oorlog was er een groot gebrek aan goederen. Vernielingen, blokkades en zoovele andere handelingen hadden dit tekort veroorzaakt. Deze gedwongen beperking verwekte een waren honger. Vandaar dat de menschen zich begeerig op de voorraden stortten, welke in de eerste jaren na den vrede aangeboden werden. Wel was dte wereld aanzienlijk verarmd, maar dat bleek geen bezwaar. De koopers konden ruim credièt krijgen, „wissels op de toekomst" werden als goud gewaardeerd; een belangrijk gedeelte van het bezit was zuiver fictief. De fabrieken konden den afzet niet bijhouden, groote uitbreidingen waren het gevolg; de machines spoten goederen.

Daardoor bleef in menig land de werkloosheid voorloopig uit.

Mr Colenbrander geeft in zijn artikel in A. R. Staatkunde (vierde kwartaal 1937) cijfers, die de overdenking waard zijn. Vóór 1930 daalde het werkzame personeel in de Nederlandsche industrieën niet; pas in 1931 en 1932 werden op groote schaal arbeiders ontslagen. Voor lederen tak van nijverheid noemt de schrijver het jaartal, waarin de daling begint. Die kwam, wordt dan opgemerkt, niet door de mechanisatie, maar door de conjunctuur.

„Een enkele blik op deze jaartallen", heet het; , „is voldoende om vast te stellen, dat de daling van het totaal-aantal arbeiders samenviel met de doorwerking van de wereld-crisis in Nederland'. En waar mij geen enkele reden bekend is waarom zou moeten worden aangenomen, dat juist vlak te voren in al deze industrieën sterk werd gemechaniseerd, ligt de conclusie voor de hand, dat hier de crisis, en niet de mechanisatie verantwoordelijk gesteld dient te worden voor de vermindering van de werkgelegenheid. Deze conclusie vindt steun in de indexcijfers van de werkloosheid, gepubliceerd door het Centraal- Bureau voor de Statistiek. Dit cijfer, voor alle bedrijfsldassen..." laat zien, dat „van 1926 tot 1931, in welk tijdvak de mechanisatie toch regelmatig voortschreed, ziet men geen verhooging, zelfs in twee jaren (1928 en 1929) nog een verlaging van het indexcijfer. In 1931 stijgt het direct met 100 pCt. Alweer: duidelijk verband met den conjunctuur-omslag". (Wij spat.)

Het oordeel wordt duidelijk uitgesproken: De mechanisatie (rationalisatie) zelf is niet de schuld; haar werking is doelmatig, en kan niet anders dan doelmatig zijn. De conjunctuur heeft het gunstig zich ontwikkelende proces nadeelig be--

invloed. Een factor van buiten af werkend'. Zoo meenen ook deskundigen, dat Roosevelt met zijn „waarschuwingen" tegen hoogconjunctuur, en zijn „ai'beiderspolitiek", of „de internationale moeilijkheden" de „prachtig functiomieerend© geldcirculatie" verstoord hebben. De beursverslagen waren vol van dergelijke opmerkingen.

Mr Colenbrander voelt echter ©en vraag komen, en stelt haar als ernstig onderzoeker ook.

„Maar", schrijft hij, „heeft de toenemendö mechanisalie den conjunctuur-omslag niet veroorzaakt, althans bevorderd? Met deze vraag, die niet is te ontgaan, betreden w© wel zeer moeilijk terrein." (Wij spat.)

„Eenig inzicht in deze zaak", luidt het antwoord, „kunnen we ons verschaffen door eens na te gaan onder welke omstandigheden een industrie zal mechaniseeren. Een ondernemer zal tot geheele of gedeeltelijke vervanging van handarbeid door machinearbeid overgaan, indien dit — althans naar zijn inzicht — den bloei van zijn onderneming zal bevorderen. De belangen van d© afnemers en van de arbeiders zijn daarbij ondergeschikt aan dit doel. Veelal zal het streven gericht zijn op kost^ prijsverlaging of op het leveren van een beter product voor den ouden prijs. De kostprijs per eenheid zal lager liggen, naarmate met dezelfde machines meer kan worden geproduceerd. De vaste lasten, welke door de toen©mingvan het vaste kapitaal beduidend stijgen, •moeten immers worden opgebracht door de geheele productie. Hoe grooter deze is, des te geringer is het percentage voor vaste lasten per eenheid van het product. De ondernemer zal dus, indien zijn product dit mogelijk maakt, bij zijn calculaties uitgaan van een bepaald atzetprogram, dat verwezenlijkt moet worden, willen zijn calculaties kloppen op de werkelijkheid. Het gevolg is: sterke stimuleering van den verkoop door prijsverlagingen enz. Wanneer de meclianisaüe gelijktijdig in een geheele industrie wordt doorgevoerd, ontstaat een buitengewoon felle concurrentiestrijd (die den drang naar kostprijsverlaging en uitbreiding van den omzet in hooge mate versterkt!), welke strijd na verloop van tijd slachtoffers doet vallen, zoowel onder ondernemingen als onder de arbeiders. En aangezien de d'rang tot kostprijsverlaging, en daardoor dus de prikkel tot mechanisatie, het grootst zal zijn in tijden van laagconjunctuur, waarin de omzet, althans wat de waarde betreft, meestal daalt, is het waarschijnlijlc, dat dan de arbeiders worden uitgestooten, 'die voorshands noch in de betrokken industrie, noch elders werk zullen vinden."

„Het boven geschetste verloop van zaken", besluit dfc schrijver deze uiteenzetting, „doet zien dat de werkloosheid inderdaad gevolg kan zijn van Le snelle mechanisatie, vooral in een depressie-periode. Men zij hier echter uiterst voorzichtig! Een dergelijke ontwikkeling behoeft niet steeds te leiden tot de conclusie dat stopzetting of tempering van de mechanisatie wenschelijk is. De omstandigheden kunnen van dien aard zijn, dat zonder mechanisatie de werkloosheid nog veel grooter zou zijn".. (Mr O. wijst dan o.a. op concurrentie van het buitenland, Japan b.v., en op zeer lage loonen bij „handmatigen arbeid"). (Enkele spat. in het citaat van ons.)

De schrijver in „A. R. Staatkunde" tracht deze conclusie met cijfers te bevestigen. Cijfers, die, zegt hij, ons laten zien dat de prioductiviteit per arbeider zich regelmatig ontwikkelde. „Deze ontwikkeling schiep de mogelijliheid tot verhooging van het levenspeil van de snel toenemende bevolking, en zou in het algemeen geen n a d e e 1 i g e gevolgen voorde werkgelegenheid behoeven te hebben, indien niet diverse andere factoren aanwezig zouden zijn, die soms zeer nadeelig, de werkgelegenheid beïnvloeden", . (Spat. van ons). De schrijver noemt: de ontwrichting van het wereldhandelsverkeer, de industrialisatie van landen, die tot voor kort als zoodanig op de wereldmarkt geen rol speelden, de intrede van de gehuwde vrouw in het productieproces, en enkele andere.

We herhalen: „andere' factoren" hebben volgens Mr Colenbrander het gunstig zich ontwikkelende proces nadeelig beïnvloed. Het ging zoo mooi, toen kwamen opeens de storingen. Het is alsof hij zeggen wil: het rationalisatieproces zelf kan niet anders dan goede uitwerking hebben, daar kan het niet aan liggen. Als dat en dat en dat niet gekomen was, zou de wereld zijn zegenrijke werking tot op den huldigen dag genieten.

werking tot op den huldigen dag genieten. Is deze conclusie nu juist? We erkennen: de schrijver heeft zich ernstig met het hem voorgelegde probleem („mechanisatie en werkloosheid") bezig gehouden. Toch rijzen hier bedenkingen. In het bijzonder gelden die zijn antwoord op de vraag, die zich aan hem opdrong: of „de toenemende mechanisatie den conjunctuur-omslag niet veroorzaakt, althans bevorderd heeft? "

Wij meenen, dat op deze vraag een bevestigend antwoord gegeven moet worden. Volstaan we op het oogenblik met een enkel© aanduiding. De factoren, die Mr Colenbrander, als „andere factoren" aanduidt, zijn ten nauwste met de mechanisatie verbonden.

Zij is mede de oorzaak van de ontwrichting van den wereldhandel, doordat zij aan het streven naar autarlde een uitnemende technische basis gegeven heeft. Zij heeft de industrialisatie in verschillende landen krachtig bevorderd, doordat zij de verwerking van geheel andere grondstoffen mogelijk gemaakt heeft. Zij heeft vakarbeiders uitgestooten, omdat ongeschoolde krachten de eenvoudige manipulaties konden verrichten. Enzoovoorts.

Maar vooral: de rationalisatie en meclianisatie heeft ook geleid tot kapitaal vernietiging. Vernietiging van kapitaal, aan de consumptie onttrokken.

Over deze bedenkingen den volgenden keer meer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 13 May 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk de hele uitgave van Friday 13 May 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken