GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE ADVIEZEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

GEESTELIJKE ADVIEZEN

7 minuten leestijd

(Alle inzendingen, deze rubriek betreffende, aan Ds D. van Dijk, Akkerstraat 26, Groningen.)

De bekeering van Augustinus.

In verband met het „krijgen van teksten" wees een collega mij op de bekeering van Augustinus ; hij meende, dat de wijze, waarop zich' < leze bekeering toedroeg, eenig licht verschaft over de vragen, die bij de bespreking van dat tekstenkrijgen aan de orde komen.

De geschiedenis dezer bekeering, zooals Augustinus zelf die beschrijft in boek VIII, hoofdstuk 12 van zijn B, e lijdenis sen, is bekend.

Reeds lang was er in Auguslinus' leven de worsteling om de zonde los te laten en waarlijk te gaan leven naar den Wil van God.

Toch kan hij er maar niet toe komen den beslissenden stap te doen.

Op een dag zat hij met zijn vriend' Alypius in den tuin, een prooi van heftige gemoedsbewegingen. Om zich uit te kunnen schreien ging hij alléén den tuin in en wierp zich neer onder een vijge> boom. Daar weende hij en riep tot den Heere: „Hoe lang, hoe lang? Morgen en weer morgen? Waarom niet nu? Waarom niet in dit uur het eind van mijn schande? "

„Zoo" (en nu laat ik verder letterlijk de woorden van Augustinus volgen), „zoo zeide ik en weende in de bittere verbrijzeling mijns harten. En zie, daar hoorde ik uit een naburig huis een stem als van een jongen of een meisje, dat weet ik niet, die zingend sprak en dikwijls herhaalde: „Neem op en lees, neem op en lees!" En met een oogenblikkelijke wisseling van de uitdrukking op mijn gelaat begon ik mij ingespannen te bezinnen, of soms kinderen bij een of ander s.pel iets dergelijks plegen te deunen. Maar het viel mij in bet geheel niet in, die woorden ergens te hebben gehoord.

Ik onderdrukte den aandrang dter tranen en stond op, geen anderen uitleg gevend, dan dat mij werd bevolen van Godswege^ de Schrift te openen en het eerste hoofdstuk, dat ik vond, te lezen. Ik had immers van Antonius gehoord, dat deze door de voorlezing van het EvangeUe, bij welke hij toevallig was gekomen, zich liet vermanen, als werd het hèm gezegd, wat voorgelezen werd: „Ga been, verkoop al wat gij hebt, geef het aal^ de armen en gij zult een schat hebhen in de hemelen, en kom dan en volg mij." Door zulk een godsspraak had hij zich terstond tot God bekeerd.

IJUngs keerde ik alzoo terug naar de plaats, waar Alypius zat. Daar had ik immers het boek van den Apostel neergelegd, toen ik vandaar was opgestaan.

Ik greep het, deed het open, en las stil de plaats, waarop het eerst mijn oogen vielen: „Niet in drinkgelagen en dronkenschap, niet in slaapkamers en ontuchtigheden, niet in twist en naijver; maar bekleedt u met den Heere Jezus Cluristus en verzorgt het vleesch niet in wellustigheden".

Verder wilde ik niet lezen; het was ook niet noodig. Terstond immers met het lezen van dezen zin, stroomde de zekerheid als ©en Ucht in mijn hart, en 'alle duisternissen van twijfel vluchtten uiteen!"

Tot zoover het verhaal van Augustinus. Enkele dingen wil ik hierbij opmerken.

a. Van teksten krijgen in den zin, waarin ik dat bestreden heb, is hier geen sprake.

Het Woord, dat Auguslmus aangreep en tot de beslissing bracht, leest hij uit de Schrift. Niet door een directe inspraak, maar door de Schrift spreekt God tot hem.

Voor dat zoo maar krijgen van een tekst zal men zich op deze geschiedenis zeker niet kunnen beroepen.

b. Het eenige, wat uit dit voorval zou kunnen' blijken is, dat God, door Zijn Voorzienige leiding, somtijds een mensch, bij het lezen van —, , of het luisteren naar Zijn Woord, bij een juist voor hem in zijn omstandigheid passend Schriftgedeelte bepalen kan.

Natuurlijk is dat zoo. Zou Hij niet het slaan van een klok, het ritselen van een blad, een lied van ©en kind kunnen gebruiken om mij er toe te brengen Zijn Woord open te slaan?

Zou Hij, Die alles bestuurt, ook niet den Bijbel open kunnen laten vallen bij zulk een tekst als ik juist op dat oogenblik behoef? ' Maar, nog eens, dat is niet het direct inspreken in mijn hart van een waarheid, die in het Woord voor mij reeds te vinden is.

c. Maar nu zou ik willen vragen: do.en wij er goed aan, wat Augustinus hier van zichzelf vertelt, zoo maar critiekloos, als normatief aan te nemen?

Ik voor mij, het moge wat eigenwijs klinken, ben daar toch wat huiverig voor.

Het spreekt vanzelf, dat ik hiermee niet bedoel te zeggen, dat ik er aan twijfel of Augustinus wel naar waarheid weergeeft wat hem is overkomen.

Voor mij is het de vraag of wij, wat de kerkvader hier vertelt, wel kunnen aanvaarden als: , „Schriftuurlijke bevinding''.

Waarin bestond toch deze bekeering van Augustinus? Of, met andere woorden, waartoe werd hij bekeerd?

In het slot van hetzelfde hoofdstuk, als waarin hij het pas verhaalde gebeuren vertelt, zegt hij: „Gij hebt mij immers tot U bekeerd, zoodat ik naar geen vrouw meer vroeg, noch naar eenige verwachting, die deze wereld wekt".

Augustinus kwam er door zijn bekeering toe, te breken niet slechts met de zonde van ontucht, maar ook met het huwelijk en met all© „aardsche" genieting. M.a.w., hij is bekeerd tot het monnikenideaal.

Nu is dat in het algemeen zeker niet Schriftuurlijk, om dat te zien als Godzaligheid bij uitnemendheid.

Van een monniken-ideaal weet Gods Woord niet. Maar in het bijzonder bij Augustinus was deze

houding zeker niet goed. Hij had geleefd met een meisje, bij wie hij een zoon had.

Omdat zij een „echt" huwelijk in den weg stond, had hij zich van haar losgemaakt. Zij was naar Afrika teruggekeerd, Gode belovende, dat zij van geen anderen man zou willen weten, dan van Augustinus; hun zoon ble©f bij Augustinus achter. Was het nu niet zonder meer roeping van Augustinus geweest met dit meisje te trouwen ?

Was dat nu waarachtige vroomheid om haar te laten voor wat zij was en zelf als coelibatair zijn pad te gaan? Was dat Schriftuurlijk?

En nu zal men zeggen: „ja, maar gij vergeet, dat Augustinus in dat opzicht kind van zijn tijd was; men meende toen, dat dit d© war© vroomheid was en zoo kwam het, dat bij Augustinus de bekeering, die waarachtig© bekeering leidde tot zulk een leven.

Het echte in die bekeering was van God, de gestalte, die zijn bekeering aannam^ was vrucht van den geest des tijds".

Daar zit in die redeneering iets waars.

In eiken tijd zal bet leven van Gods kind^ ook bij waarachtige bekeering, het kenmerk dragen van den tijd, waarin men leeft.

Maar, is het liier toch niet iets andersl? Wat Augustinus hier vertelt van het wonderlijk vinden van dien tekst, wortelt in die eigenaardige^ ascetische beschouwing der dingen en leidt toï een sterk ascetische levenshouding.

Is Augustinus hierdoor niet mee gewordfen d© vader van dat Roomsche ascetisme, waarmee de kerkhervormers, toen zij weer leerden luisteren naar het Woord, kinderlijk en onbevangen, hebben gebroken?

Is dat niet iets, dat ons vanzelf doet vragen, of wij in die buitengewone dingen, die Augusünus' bekeering begeleiden, wel te doen hebben met buitengewone leidingen van Gods Voorzienigheid?

Treden hier niet veel meer verschijnselen opi, die vruclit zijn van het feit, dat Augustinus, in heel zijn bekeeringsstrijd, veel meer gedreven is door menschelijke beschouwingen, dan door de klare taal der Schrift?

Kreeg zoodoende die strijd bij Augustinus geen onschrif tuurlij ke verwikkelingen om zoo te leiden' tot een ontknooping, die, in den grond echt, toch' zooveel onschrif tuurlij ks aan zich had, dat men zéér, zéér voorzichtig moet zijn, met daaraan een normatieve waarde toe te kennen, door te zeggen; „ja, zoo kan het ook, dat is ook een weg, dien God met Zijn kinderen houdt"?

Is het niet beter te wijzen op het gevaar, dat in een dergelijk gebeuren schuilt, het gevaar van eigenzinnig toepassen van Woorden Gods, ©n er op aan te dringen, dat men toch van stonden aan buige, kinderlijk en eenvoudig, voor het Woord? In elk geval, hoe men de dingen hier ook ziet, iets, waarmee te verdedigen zou zijn het krijgen van teksten, ligt in deze bekoeringsgeschiedenis

zeker niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

GEESTELIJKE ADVIEZEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken