Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

9 minuten leestijd

Rationalisatie en Mechanisatie.

V.

Het in de Tweede Kamer gevoerde werkloosheidsdebat geeft ons aanleiding om op een enkel onderdeel van de in deze artikelenserie behandelde onderwerpen, terug te komen.

Zeer merkwaardig was iiamelijk de rede van het R.-K. Kamerlid Kuiper. „De structureele ontwikkeling in de laatste decennia", aldus de spreker (we citeeren het persverslag) „hgt niet alleen in de handelspolitiek, maar ook op technologisch gebied. Er is geen grond om aan te nemen, dat de mechanisatie haar hoogtepunt heeft bereikt. Het is niet mogelijk om de wijzers der klok terug te zetten. Men moet de gevolgen der teclmische ontwikkeling nu eenmaal op den koop toen o m e n, willen de productiekosten niet boven het buitenlandsche peil uitgaan. Daaruit volgt echter ook, dat met de toeneming der industrialisatie ook de mechanisatie en haar gevolgen zullen toenemen".

„Bij de industrialisatie, opgezet ter bestrijding van de werkloosheid, gaat dus de mechanisatie als belemmerende factor samen. In ons land moet volgens een niet gepubliceerd' deskundigen-rapport, de werkloosheid voor tenminste 60 pet. worden toegeschreven aandeontwikk e ling dertechniek. Daarom legt het adres van het R.-K. Werkliedenverbond den nadruk op verkorting van den arbeidsduur en arbeidsspreiding. De arbeidstijd zal moeten worden verminderd, naar rato van het percentage der werkloozen, dat aan technische oorzaken is toe te schrij- V en."

„Als bezwaar tegen de verkorting van den arh beidstijd wordt de zware kapitaalsinvesteering'in verschillende industrieën aangevoerd. Dit bezwaar is gegrond. De verkorting van den arbeidstijd moet dan ook gedifferentieerd worden. Voor de kapitaal-intensieve industrieën zou het meer-ploegenstelsel of do w a n d e 1 w e e k moeten worden toegepast".

En verder vroeg dit Kamerlid ook „waarom men (de regeering!) niet wil denken aan oen autarkischen opbouw der volkshuishouding". (Alle spat. van ons.)

Deze woorden karakleriseeren duidelijk den huldigen wantoestand. Dat we wat minder luid juichen over den „zegen der rationaUsatie en mechanisatie"! En erkennen, dat we, mede door de werking dezer factoren, uiterst moeilijke tijden beleven.

Do aangehaalde woorden van den heer Kuiper drukken een zeker fatalisme uit. „En is nu eenmaal niet aan te ontkomen". De bedrijven móéten rationalisecren, anders kunnen ze hun poorten wel sluiten. Die rationalisatie stoot arbeiders uit. Compensatie is er niet. Dan maar veertigurige werkweek, of het ploegenstelsel, of de „wandelweek" (laten we toch dergelijke euphemistische uitdrukkingen bannen; de werkelijkheid is te versclirikkelijk). Alsof die 40-urige arbeidsweek ook maar iets helpen zou. Grijpen wij naar een onverdacht getuige: het boekje van Dr Gojko Gr dj ie, de vorige maal reeds genoemd. Vurig vertolker der rationalisatiegedachte; vurig aanhanger der compensatietheorie!

Genoemde schrijver bespreekt O'.m. de vraag of de (door de mechanisatie veroorzaakte) werkloosheid met behulp der „verkorte arbeidsweek" bestreden kan worden. En hij antwoordt daarop met een krachtig neen.

Want, luidt de redeneering, de invoering der veertigurige arbeidsweek beteekent, hoe men deze ook toe wil passen, altijd een verhooging der kosten. De rationalisatie bedoelt echter den kostprijs te verlagen; haar werldng zou dus gedeeltelijk weer teniet gedaan worden. De ondernemingen zullen (bij invoering) dientengevolge naar methodes zoeken, die het hen mogelijk maken om arbeiders te ontslaan. „Zoo komt men", oordeelt Grdjic, tot de paradox, dat rationalisatie verkorting van den arbeidstijd tengevolge heeft, en deze weer rationalisatie, enzoovoortstotinhetoneindigetO'e". Deze conclusie, zegt hij verder, is ook door het „Internationale Arbeidsbureau te Geneve" aanvaard, daar dit bewees, dat de invoering van den achturigen arbeidsdag na den oorlog, voor vele ondernemin­ gen een reden is geweest om hun bedrijven te rationalisecren. (Rapport: „De sociale gevolgen der rationalisatie", 1932, pg. 10. Deze opmerking moge ook den redacteur van „De Opbouw", die bet verband tusschen werktijdverkorting en rationalisaüo ontkende, en TVIr Colenbrander, die eveneens de invoering van een korteren arbeidstijd aanbeveelt als middel tot bestrijding der werkloosheid', in deze kwestie tot antwoord dienen. Inderdaad kan het genoemde verband herhaaldelijk geconstateerd worden.)

Het is o.i. noodzakelijk, dat de bezwaren tegen de 40-urige arbeidsweek (die veel meer omvatten dan de kostprijsverhooging en de reacties, welke daarvan het gevolg zijn) in dezen tijd volle aandacht hebben. Want de beoordeelaar ontkomt niet aan den indinik, dat de eisch tot harer invoering voor alles een politieke eisch is. ^) Bij de propaganda worden de grieven tegen het huidige mechanische productiesysteem breed uitgemeten, maar de woordvoerders willen niet erkennen, dat de vervulling hunner eischen een sterken prikkel voor verdere mechaniseering vormt. Oif is het de bedoeling om dat te verbieden? Moeten de maatregelen, die den kostprijs der goederen verhoogen, gevolgd worden door besluiten, die een verbod tot verlaging daarvan inhouden? Of beteekent die mechanisatie nu opeens geen verlaging?

Mr Colenbrander meent dat de OverheidI soms inderdaad moet ingrijpen: Te snelle mechanisatie „kan voor haar aanleiding zijn" (A.-R. Staatk., 4de kwartaal 1937, pg. 431) om „leiding te geven aan het tempo", waarmede de mechanisatie ingevoerd wordt. IDe schrijver laat met dit oordeel duidelijk zien, dat het door hem behandelde vraagstuk veel ingewikkelder is dan de aanvang van zijn artikel zou doen vermoeden.

Het ware ons daarom liever, dat het pleidooi voor de 40-urige arbeidsweek, en de erkenning van de noodzakelijkheid tot het nemen van wettelijke maatregelen tegen mechanisatie (in bepaalde gevallen), gevolgd werd door 'de erkenning, dat d!e invloed der rationalisatie op den kostprijs der voortgebrachte goederen, en vooral ook op het „levenspeil" der bevolking de resultante is van een aantal factoren, die in verschillende, en soms tegengestelde, richtingen werken. Dat het technische systeem van den tegenwoordigen tijd tot defensieve maatregelen dwingt. Dat we langzaam maar zeker (en niet zoo heel langzaam) gaan naar een „economie dirigée", naar een door den Staat beheerscht oeconomisch leven. Dat het met do „compensatie" op het oogenblik totaal mis is. Niet (alleen) omdat we in een periode van „laagconjunctuur" leven, maar (ook) omdat de technische evolutie een der oorzaken van die laagconjuncliuir is.

Het reeds genoemde boekje van Grdjic (Rationalisierung, Arbeitslosigkeit und Arbeit szeitve rkürzung), dat ons tijdens het schrijven dezer artikelen in handen kwam, is, hoewel de schrijver het als een krachtige verdediging der „voortdurende rationalisatie" bedoelt, wel geschikt om bezinning te wekken.

Ook deze auteur wijst erop dat de gunstige ontwikkeling van het oeconomische leven in het verleden, niet alleen aan de „mechanisatie" te danken is, maar dat allerlei factoren daarop invloed hebben uitgeoefend. Daartoe rekent ook hij het nuttige gebruik van afvalstoffen in de chemische industrie. („Honderdduizenden hebben op deze wijze arbeid en brood verkregen".) Verder de verovering van exportmarkten, de talrijke uitvindingen op het gebied der werkstoffeii: factoren, die ook wij in deze serie noemden, en die met vele te vermeerderen zijn, b.v. de (kunstmatige) expansie van het credietwezen, waarover trouwens Grdjic later goede opmerkingen maakt. We herhalen: het is verkeerd om uit dat complex één enkele factor te isoleeren, en deze als basis te nemen voor berekeningen; het is noodig om rekening te houden met het zeer samengestelde karakter van ieder der genoemde factoren zelf.

We kunnen nu niet het gansche betoog van den genoemden auteur volgen, hoewel de bespreking van een aantal zijner stellingen zeer aanlokt. Zoo b.v. hel beloog, dat de rationalisaties meestal periodieke golfbewegingen zijn, „zoodat alle bedrijven ongeveer denzelfden amortisatiegraad zullen hebben op het oogenblik, dat zij hun installaties moeten vernieuwen: een graad, die volgens den schrijver pracüsch volledige amortisatie be^ leekent. En verder de redeneering, dat de rationalisatie geen veranderingen bij het kapitaal te voorschijn roept, die de compensatie „van deze zijde" zouden verhinderen. Beide stellingen zijn, zooals we in de voorgaande artikelen hebben willen uiteenzetten, door de feiten van den tegenwoordigen tijd omvergeworpen. En daarmede is een belangrijke steun aan Grdjics overigens zeer verdienstelijke verdediging der compensalietheorie ontvallen.

Het meest echter interesseert ons nu het hoofdstuk „F e h 1 r a t i o n a 1 i s i e r u n g" in het genoemde boekje. Niet alleen om den inhoud, vooral ook

om den litel. Want dit begrip: „mislukte rationalisatie" is een tegenstrijdigheid' in zichzelf. Het gebruik: daarvan toont hoa gemalikelijk het zich de verdedigers der „rationalisatie-leer" soms maken. Toonen de feiten duidelijk, dat een bijzondere ontwikkeling der techniek groote schade aan het maatschappelijk leven toebrengt, dan antwoorden zij onmiddellijk, dat het hier niet o-economische of technische fouten zijn, die de ellende teweegbrengen, maar echt-m e n s c h e 1 ij k e. „Niet de ondernemer als o e c o n o o m maakte fouten, maar als mensch handelde hij verkeerd". (Grdjic).

Ons ontgaat de zin dezer onderscheidingen. De aandacht, die deskundigen als da genoemde schrijver aan de , , Fehlralionalisierung" schenken, bewijst ten volle dat het raLionalisatieproces groote gevaren voor hel maatschappelijk leven kan vormen. En daar gaat het ons! om.

Wanneer dus de stelling geponeerd wordt, dat • „doeltreffende rationalisatie" het levenspeil verhoogt, dan moet het antwoord hierop luiden: de tusschen aanhalingsteekens geplaatste uitdrukking is een pleonasme; het oordeel zelf een tautologie. Wordt verkondigd, dat „mislukte rationalisatie" de maatschappij verarmt, dan geldt ten aanzien' van deze uitspraak hetzelfde oordeel. Met dit verschil, dat de nu aangehaalde uitdrukking een contradiclio in terminis is.

Het feit echter, dat menschen als Grdjic deze onderscheidingen maken, sterkt ons in de meening, dat de door Mr Colenbrander geformuleerde stelling: „Om het tegenwoordige levenspeil te kunnen behouden of nog meer te kunnen verhoogen, is o.m. voorLdurende rationaliseering noodig, teneinde den kostprijs te drukken en daardoor de productie en den afzet te stimuleeren" betwistbaar is.

Wo vinden overigens in het hoofdstuk „Fehlrationalisierung" een aantal argumenten terug, die in deze serie arlikelen naar voreni gebracht zijn. O.m. ook het oordeel, dat de cijfers omtrent de toename van het aantal tewerkgestelden na den oorlog („ondanks de rationalisatie") met groote voorzichtigheid gehanteerd moeten worden. „Het h, erstel van het oeconomisch leven, en de vervanging van de gedurende den oorlog verloren gegane goederen van beperkten levensduur (handelingen, die veel arbeidskrachten eischten), dus de behoeften, die toen gedekt moesten worden, waren eenmalig, zoodat de sterke vraag naar arbeidskrachten slechts voor een korten üjd| gold. Zij kon iji, geen enkel opzicht de rationalisatie-maatregelen rechtvaardigen, die immers genomen waren in de veronderstelling, dat de opleving zeer lang zoii duren".

Eenzelfde verschijnsel kon trouwens hier en in andere landen ook „na de crisis" (na de devaluaU, e) opgemerkt worden. Vooral ook daar waar groole hoeveelheden overheidsgeld in circulatie gebracht werden. Want er was langzamerhand, door „onderconsumptie", een tekort aan goederen ontstaan, dat snel aangevuld werd, hetzij door aantasting van reserves, hetzij „op crediet", hetzij met behulp van door de overheid' beschikbaar gestold geld.

Zoowel het werkloosheidsdebat in de Tweede Kamer, als het boekje van Grdjic, waren aanleiding om het slotwoord nog een weelc uit te stellen. Dit bewaren we dus voor den volgenden keer.

Bi. t. B.


1) Natuurlijli niet bij liet C. N. V., dat in de eerste plaats van „politieke eischen" niets moet 'hebben, en verder ook inzake de 40-urige arbeidsweek een zeer voorzichtig oordeel heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 17 June 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk de hele uitgave van Friday 17 June 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken