GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

8 minuten leestijd

Wat „oeieide economie" beteekent.

Tot de gevolgen eener productieregeling, zooals die van sommige zijden aanbevolen wordt, behoort niet alleen een scherp begrensd stelsel van contingenteeringen (zoowel van import als van export), maar ook een regeling der kapitaaünvesteeringen. „Dit beleekent", zegt Drs Truyen in zijn artikel in het R. K. maandschrift „Economie" (yVugustusnummer), „dat een nationale productie volgens plan de beleggingen op langen termijn ddènt te reguleeren en te doen volgen door een reglementeering van de belegging in het buitenland". Maar vervolgt hij, daarmede is de controle niet beëindigd. Niet alleen de markt voor leeninggn op langen termijn, ook die voor geld op korten termijn moeten worden bestuurd, wU de controle op nieuwe beleggingen niet een papieren controle blijven. Dat sluit een controle op de deviezen in. D.w.z. de particulier noch een of ander insitituut mogen zelfstandig over de belegging van hun geld beslissen; in laatste instantie is het het beheer van het productieplan, de overheid, de staat, die daarover zeggenschap heeft. Niet over den aankoop van het enkele beleggingsobject, maar wel over het totale bedrag dat in het buitenland mag worden besteed. Een regeering, welke streeft naar een expansionistische politiek zou zelfs (indien het haar veroorloofd was buitenlandsche omstandigheden te negeeren) tot een absolute controle van de wisselmarkt moeten overgaan.

Zoover kan, zegt Drs Truyen, echter geen enkele regeering gaan. Zelfs Duitschland niet, dat door allerlei regelingen met machtige buitenlandsche schuldeischers of afnemers, gedwongen is een deel zijner „deviezen" af te staan voor doeleinden, waarvoor het dit kostbaar materiaal liever niet zou gebruiken.

Maar een bepaalde graad van controle zal er moeten zijn. De „omstandigheden", d.w.z. de kracht der buitenlandsche eischen zullen bij het vaststellen daarvan van groote beteekenis zijn. De schrijver wijst op het in Nederland gevolgde systeem „waar ten opzichte van de landen met een vrije deviezenregeling het egalisatiefonds werkt en ten opzichte van de landen met deviezenrestricties (zooals Duitschland), deviezen of dearing-regelen gelden." Het is echter zonder meer duidelijk, dat een regeering in ons land, die geheel in de richting eener geleidfe economie werkt, het in haar macht zou hebben verschillende wijzigingen in de bestaande regelingen aan te brengen. Men denke b.v. aan de vraag of de gulden geheel „vrij" moet zijn, dan wel aan den dollar of aan het pond gekoppeld behoort te worden. De beslissing, die de leiding van het egaUsatielonds in dezen neemt (welke beslissing practisch buiten de controle van de vertegenwoordigende lichamen staat), is uit den aard van groot belang voor den economischen toestand van ons land en dus van die zijner bewoners.

Men herinnert zich waarom de kwestie eener geleide economie aan de orde gesteld is, en waarom de gevolgen eener zoodanige politiek in den breede i besproken zijn. Het groote doel, dat de schrijver zich voor oogen stelt is de bestrijding, en zoo mogelijk de overwinning der rationalisaliewerkloosheid. Hij meent, dat de tactiek van een „economie dirigée" daarvoor noodzakelijke voorwaarde is. Het bedrijfsleven zelf kan de moeilijkheden niet overwinnen, zeker niet door nog s.terkere rationalisatie. Een vrije markt is een utopie; voor het economisch en sociale welzijn is het noodig, dat de overheid, althans een lichaam, dat

onder haar toezicht werkt, een productiepilaii uitwerkt, voor welks slagen een reeks maatregelen 'toegepast moeten worden.

Drs Truyen voelt heel goed! de moeilijkheden: „Bij de productieregeling komen reeds zulke ingewikkelde en omvangrijke economische problemen naar voren", luidt het, „dat men zich afvraagt, of het mogelijk is, dat de staat deze alle kan overzien, controleeren en besturen, of de „Wirtschaftsrechnung" door de overheid ook economisch doelmatig kan geschieden en tenslotte hoe de overheid dit economisch beheer kan voeren".

„Indien het inderdaad mocht gelukken de vraag naar de mogelijkheid van de „Wirtschaftsfühx-ung" door de overheid principieel en ook practisch, en tevens economisch-doelmatig op te lossen, zou daarmede eveneens zijn gegeven de oplossing van de economisch doelmatige beheer selling van de techniek".

Het is dus geenszins zijn bedoeling het complex der opgesomde maatregelen (direct) in te voeren. Zijn beschouwingen zijn voornamelijk als probleemstelling bedoeld. Vandaar dat hij vraagt na te gaan of de geleide economie inderdaad econo^ miscli mogelijk zal zijn. Is eenmaal, zoo zegt hij, de mogelijkheid van economisch beheer cegeven, dan zal nader overwogen moeten worden, in hoeverre dat beheer in verband met andere to stellen cultureele doelemden, economisch doelmatig kan worden gevoerd. Hij wenscht het oordeel over die theoretische (p r i n c i p i ë e 1 e) mogelijkheid en de praktische mogelijkheid streng te scheiden. „Er bestaan breede kringen", lezen we, „in het practische bedrijfsleven onder de theoretici op economisch gebied!, en niet in het minst bij de overheidsinstanties, die de practische en theoretische mogelijkheid door elkaar halen, en bij gebreke van een thans bestaande behoorlijk© oplossing, de principiëele mogelijkheid ontkennen."

Die kwestie van „principiëele en practisdhe mogelijkheid eener geleide economie" is inderdaad zeer belangi-ijk. Er zullen maar weinigen zijn, die die het economisch leven aan het vrije inzicht en het vrije streven van den individueelen mensch willen overlaten. In onze kringen zeker niet. Want wij belijden, dat de mensch in al zijn begeeren en doen aan Gods wet gebonden is. En verder dat het geheele economische leven aan dienzelfden Wetgever onderworpen is en dat dus de individueele mensch op dat gebied zijn roeping , als schepsel Gods heeft te vervullen.

De mensch, die zich door zijn vrij inzicht en vrije streven wil laten leiden is de zich autonoom wanende mensch, de mensch, die door de moderne persoonlijkheidsgedachte wordt beheerscht.

En evenmin kan de leiding van het economisch leven aan het „vrije inzicht", den „autonomen" Staat in handen woi-den gegeven. Ook de overheid is aan Gods geboden onderAvorpen. Zij kan slechts haar macht aan haar Heer ontleenen; zij regeert krachtens Gods ordinantiën. Vandaar dat de gelO'Ovige geen tegenstelling aanvaardt tusschcn een overheid, die aan Gods geboden gehoorzaam is en zijn eigen verlangen. Zulk een tegenstelling kan alleen daar optreden waar de mensch zijn eigen wetgever wil zijn en waar de Staat autoritair is, Daaroim voegt de geloovige zich in een leiding van het economische leven, die haar kracht en haar wetten niet bij zichzelf zoekt, maar bij den Heer van alle leven. Misschien wordt dat wel eens vergeten, wanneer men het „particuliere initiatief" als het eenige middel voor de overwinning der economische moeilijkheden aanbeveelt.

De criüek, welke de onmacht en den onwil van het individu tot het bouwen eener geordende samenleving ontdekt, heeft zeker recht van bestaan. Met dezelfde kracht kan zij zich ook tegen den modernen autoritairen staat richten. Er bebestaat merkwaardige overeenkomst tusschen het karakter van den zich autonoom wanenden mensch en den machtsstaat. Beide organismen erkennen geen verbanden en geen wet boven hen. Hun hoogste doel is het eigen belang. Aan dat streven wordt de moraal geheel ondergeschikt gemaakt.

Het beroep op de vrijheid van het particuliere initiatief, (en die van den staat om datgene te doen, wat hij op een bepaald oogenblUc nuttig acht) wordt dikwijls verdedigd met te wijzen op het doel, waarop dat initiatief zich richt: de economische welvaart. Men zij met die leuze voorzichtig. Bij den strijd om dat doel te bereiken, openbaren zich dikwijls groote belangen-tegenstellingen, die het ware karakter van het streven onthullen.

Dio belangentegenstellingen vormen ook het grootste gevaar voor het welslagen eener geleidie economie.

Drs Truyen schrijft dat voor de huidige moderne maatschappij, met name voor West-Europa, de absolute vorm van vrijheid of 'die van gebondenheid niet de de gewenschte oplossing brengt. Volkomen juist; de sociale wetgeving heeft de „abso^ lute vrijheid" (gelukkig) aanzienlijk beperkt; de veel gesmade crisis-politiek heeft het economisch leven aan strenge voorschriften onderworpen; men denke slechts aan de maatregelen op het gebied van land- en tuinbouw, aan de contingeneeringen en uitvoerregelingen. De „mengvorm" van vrijheid en gebondenheid kent ons land reeds. Zulk een „mengvorm" (laten we dit minder gelukkige woord! nu overnemen; minder gelukkig als uitdrukking voor de bestaande omstandigheden; minder gelukkig als doelstelling) kenmerkt zich echter door het bestaan van aanzienlijke spanningen, die voortdurend onaangename verschuivingen in het organisme, dat dien vorm bezit, veroorzaken.

Het artikel, dat Drs Truyen schreef, toont nu duidelijk in welke richting die spanningen werken. Het stelsel'zal pas tot fust ko'men wanneer het aantal vrijheidsgraden sterk verminderd is. Want deze geleide economie kent nog geen rust. De gevolgen eener algeheele productieregeling, door de overheid bestuurd, zijn niet te overzien. Het is al eerder opgemerkt: iedere moeilijkheid in de funclionneering van het systeem zal om „krachtiger maatregelen" roepen. De regulatie van den import wordt gevolgd door die vaii den export, door die van het verbruik, door die van de kapitaalsinvesteeringen, van den arbeid, enzoovoorts. Alles in het belang van de opheffinig der rationalisatie-werkloosheid.

Dat zijn de groote moeilijkheden, waarvoor we staan. Zij zijn mede een gevolg der snelle technische ontwikkeling, die verscMllende gebieden van elkaar scheurde.

„De concrete omstandigheden", luidt het, „zullen tenslotte, bij de vaststelling van de definitieve gedaante der economische organisatie van de maatschappij, den doorslag moeten geven voor de mate van gebondenheid".

Neen! Want wanneer de leiding dit „beginsel" aanvaardt, is het einde de absolute vorm van gebondenheid". Het kost haar weinig om die „concrete omstandigheden" te vinden, die zij noodig heeft.

Den „doorslag" moet geven de eisch tot hfet vormen eener samenleving, waarin gerechtigheid heerscht.

Het behoort tot de tragiek van dit leven, dat steeds een compromis gezocht wordt tusschen „principiëele en practische mogelijkheid".

De eisch tot principieel onderzoek der huidige maatschappij en het bepalen der richting, waarin zij zich moet ontwikkelen, klemt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 december 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 december 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

Bladeren