GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELUKLEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELUKLEVEN

11 minuten leestijd

Hartelijk welkom.

Nu Prof. Dr K. Schilder D.V. bij het verschijnen van het volgende nummer van dit blad wederom in ons land aangekomen zal zijn, vrtllen wij niet nalaten, hem reeds in dit nummer een hartelijk welkom bij zijne terugkomst thuis en in den redactiestoel toe te roepen.

Hij heeft een maandenlangen Ingespannen arbeid achter den rug.

Eenige rust ware hem van harte gegund.

Maar de omstandigheden laten die moeilijk toe.

Moge dan de Heere hem sterken en leiden ook bij zijnen velen arbeid, dien hij nu wederom hier zal hebben te verrichten als Hoogleeraar aan de Theologische School, en als Redacteur van „De Reformatie", en in de andere verhoudingen of hoedanigheden, waarin hij werkzaam moet zijn.

Over de vrucht van zijn optreden en spreken in Amerika is het nu nog veel te vroeg om recht te oordeelen.

Het goede zaad is niet in eens groot.

Veel geestelijke vrucht wordt in dit leven niet zichtbaar.

Eerst met den oordeelsdag wordt alles openbaar. In velerlei opzicht geldt: oordeelt niets vóór den tijd,

I Cor. 4:5.

Welke is de blijvende, zichtbare vrucht in Amerika van het optreden aldaar van Dr A. Kuyper in 1898, en van Dr H. Bavinck in 1908?

Het is bij allerlei geestelijken arbeid veelal een zaaien In hope. !•"••• !: r ••'; • : !l ., ; -i^- !«'

Wij hebben maar steeds te vragen, wat God van ons eischt, en te doen hetgeen waartoe Hij roept, om de uitkomst en vrucht daarvan over te laten aan Hem.

Hartelijk welkom, dus, Prof. Schilder, bij Uwe terugkomst in Nederland en te Kampen en in den redactiestoel van „De Reformatie".

De Heere geve U kracht en vidjsheid en alles wat U noodig is, om den menigvuldigen arbeid, dien Hij U nu hier wederom oplegt, naar Zijnen wil te volbrengen, zoodat Zijn zegen er op rusten mag.

S. GREIJDANUS.

Een belangrijk opsteL (IV.)

Heeft Prof. Dr J. Wille aldus Calvijn's gedachte over, en houding ten aanzien van, het tooneel uiteengezet, dan gaat hij over tot de bespreking van Beza en anderen. „Onder Beza werden in Geneve geen spelen opgevoerd. Zelfs geen schoolspelen vind ik vermeld bij Choisy, waar hij het onderwijs in onderdeden nagaat. De allegorische stukjes bij de verbondsvemieuwing van 1584 met Bern waren wel een uitzondering; Beza zelf had toegezien, dat men niets ergers op touw zette. Bij eenzelfde gelegenheid waren zoo in 1568, en in 1558 onder Calvijn, dergelijke spelen hoogstwaarschijnlijk door scholieren, vertoond", blz. 123.

Vroeger, te Lausanne, heeft Beza zelf een stuk geschreven over Abraham's offering van Izaak. „Dat Beza tijdens zijn werkzaamheid in Lausanne zijn Abraham sacrifiant voor zijn leerlingen, als schoolspel, heeft geschreven, getuigt hij zelf", blz. 123. Maar in 1572, drie maanden vóór den Bartholomeusnacht, nam de Synode te Nimes, waar Beza, hoewel op eigen verlangen geen voorzitter als het vorige jaar te La Roebelle, toch grooten invloed had, een besluit, waarbij het aan de geloovigen ongeoorloofd verklaard werd schouwspelen bij te wonen, en bizonder die van stukken uit de Heilige Schrift. Welk verbod van Bijbelsche stukken nog verscherpt werd door de Synode te Figeac in 1579.

Het besluit der Synode te Nimes in 1572 luidt: Het zal aan de geloovigen niet geoorloofd zijn bij te wonen profane schouwspelen als tooneeldansen, blijspelen, treurspelen, kluchtspelen, zij het dat men ze in het openbaar vertoont, of particulier; omdat zij te allen tijde door de kerken Gods verboden zijn als ongeoorloofde vermakelijkheden, en die de goede zeden bederven, bizonder wanneer de Heilige Schrift daarin geprofaneerd wordt. Maar wanneer de School het voegzaam oordeelt voor de oefening der jeugd om historiestukken voor te stellen, die niet in de Heilige Schn» bevat zijn (die ons niet gegeven is om ons tot tijdverdrij te dieneUj inaar om gepredikt te worden, en tot onz bekeering en troost), mits dit slechts zelden geschiede

en met advies der Classis, die het onderwerp bepalen zal, zullen deze voorstellingen geduld worden^).

Prof. Wille zegt hiervan: „Het besluit der synoden" _ (van 1572 en 1579) — „sprak in hoofdzaak uit, wat van het begin of regel was geweest, zooals wij boven zagen: afkeuring van alle volkstooneel, schaarsche toelating van schoolspelen, onder strenge waarborgen. Maar geheel nieuw is de uitsluiting van alle bijbelsche stof: die gold voor de schoolspelen, althans sinds Beza's voorbeeld van 1550, veeleer voor aanbevelenswaardig. Hoe moeten we dezen ommekeer verklaren? " blz. 126. Op deze vraag kan geen antwoord uit officiëele bescheiden gegeven worden. Dr Wille gist: „Het spel ging de heilige stof beheerschen, in plaats van de stof het spel", blz. 126. . - ^Mik

„Duidelijke en groote overeenkomst is er tusschen de meening der Zwitsersch—Fransche Gereformeerden over het Tooneel, zooals die van het begin der Geneefsche reformatie af zich openbaarde, en te Nlmes en vervolgens werd vastgelegd, en die der puriteinen in Engeland", blz. 130.

Ten aanzien van ons land uit dien tijd deelt Prof. V^/ille een brief mede van Ds J. Taffin aan Ds A. Cornelius, waarbij ook Ds Feugeray ter sprake komt, blz. 132 V., om dan op blz. 134 dienaangaande te schrij-! ven: „Maar hier zijn drie voorname leiders van het jonge gereformeerde kerkelijke leven in Nederland het volmaakt eens in algeheele afkeuring van het tooneel: Arnold Croese, Hollander, een man van grooten invloed in de Hollandsche kerken. Taffin, Franschsprekend Zuid-Nederlander, geliefd geestelijk raadsman van den prins; Feugeray, Franschman in merg en been (hij kon hier niet wennen, maar vertrok weer in 1579), gezaghebbend pionier aan onze jonge Gereformeerde Universiteit. Om karakter, wetenschap, beschaving, en gematigdheid van oordeel stond Feugeray zoowel als Taffin bij Willem I in hooge gunst; de „gematigdheid" van Croese's Calvinisme vinden we eveneens vermeld. Croese en Taffin hebben beiden in Geneve gestudeerd onder Beza, en zij blijven naar dezen opzien, en de banden met hem aanhouden", blz. 134.

Hij vervolgt dan: „Blijkbaar heeft Croese bij Taf fin aangedrongen, om den prins te bewegen, zoo mogelijk, tot een algeheel verbod van de tooneelvertooningen. En Taf fin is het met dien wensch hartelijk eens; hij wil doen, wat hij kan, en één lid van des prinsen raad heeft hij reeds overtuigd. De argumenten zijn, afgezien van dat betreffende den Zondag, geheel dezelfde als we in Frankrijli vernamen, inzonderheid te Nimes in 1572; en als we sindsdien overal en altijd weer zullen vernemen... Voor Engelschen invloed op deze kerkelijkgeretormeerde beschouwing in Nederland van 1575, en daarvóór, zie ik geen enkele aanvrijzing. De Tooneelstrijd moest nog beginnen in Engeland; en de Engelschpiëtistische inwerking op Nederland dateert mMi- algemeen een menschengeslacht later", blz. 134.

Verder schrijft hij: „De Gereformeerde beschouwing van kerk en wereld in haar onderlinge verhouding werd niet „puriteinsch", in onzen gangbaren zin, door de Engelsche puriteinen, maar was het van den beginne af onder Farel, Calvijn, Beza in Geneve en Frankrijk; ze kreeg alleen in latere tijden dien Engelschen toenaam, met een etymologische verruiming van de oorspronkelijke toepassing", blz. 135.

Prof. Wille behandelt dan wat door Synodes der Gereformeerde Kerken in ons land inzake het tooneel werd bepaald, en hoe de kerken en hare dienaren tegen, het tooneel opgetreden zijn en gestreden hebben, om dan op blz. 157 v. daarvan eene samenvatting te geven. „Men gaat uit van het tooneel, zooals het concreet bestaat, niet zooals het in abstracto valt te construeeren. Het beroepstooneel is nog weinig bekend, maar wordt, ook reeds om de aloude infamie der spelers, kortweg verfoeid.

In geen geval acht men godsdienstige leerstukken of bijbelsche personen en gebeurtenissen toelaatbare stof voor tooneelspel." Hij somt dan allerlei bezwaren, tegen het tooneelspel destijds ingebracht, op, om daarna te vervolgen: „Derhalve moeten de kerken ze den lidmateii verbieden, en ze door aandrang bij de Overheid uit het gansche volksleven trachten weg te nemen. Het maakt overigens volkomen den indruk, of reeds vóór 1600 de Gereformeerde belijders in het algemeen het tooneel geheel tot de sfeer rekenden van wereld en zonde, en het zeer moeilijk rijmen konden met de vreeze Gods en de heiliging des levens; of de bestrijding hoofdzakelijk het oog had op de groote schare, die aan den omtrek der wordende volkskerk leefde, en de menigte van on- en anti-gereformeerden... Zelfs het van ouds buiten geding staande, als taal- en voordrachtsoefening m zwang gekomen, schooldrama, beperkte, ja weerde men in vele gewesten liever, dan het vroeger of later van zijn bestemming te zien vervreemden... In de 17de eeuw schijnt het ook geleidelijk af te sterven", blz. 157 V.

Hij bespreekt daarna nog weer andere personen, om op mz. IBï~te concmdëeren: „Er is een merkwaardige overeenstemming in de gereformeerde houding tegenover het tooneel allerwegen: 1572 Nïmes, 1575 Taf fin, Croese, Feugeray, 1577 Daneau (Geneve), 1578 Dordrecht, 1577 ISTorthbrooke, 1579 Gosson, 1581 Middelburg".

Tenslotte is zijne einduitspraak, zooals reeds in een vorig artikel werd medegedeeld: „tot omstreeks 1620 of nog wat later vond ik in de tooneelbestrijding in Nederland, die zoo oud is als de Nederlandsche Gereformeerde Kerk zelf, geen vreemde inwerking, buiten de Zwitsersch—Fransche aanwijsbaar", blz. 168.

In het licht dezer historie blijken, mogen wij zeggen, het goed-gereformeerde èn het tooneelspel moeilijk, of niet samen te gaan, maar elkander uit te sluiten, aan elkander vijandig te zijn, niet bij elkander te passen. Alle tooneelspel blijve daarom, of worde, geweerd uit alle kringen van Gereformeerden en wie den Heere willen dienen naar Zijn Woord. Dezen moeten zich verre houden van alle tooneelspel. Dat zal zijn in overeenstemming met het denken en strijden onzer Gereformeerde Vaderen en Kerken in de 16e eeuw en nog later, de eeuw van het krachtige Gereformeerde leven, en dan ook eerst gaan wij in de sporen van Calvijn.

.; i|, ^.Si'5, , ^^sé^tfe: ? iï*fi^, : V*--- ^' GREIJDANUS.

Etnip opiei^s piêdilcant Argentinië.

Deze week mogen we een gift verantwoorden van $ 5, —, afkomstig van N.N. en gezonden vanuit New-York. Uit het bijgevoegde schrijven citeeren we het volgende: „Ik hoop, dat ook deze kleine bijdrage, onder 's Heeren zegen, nog mag medewerken om een bres te schieten in den muur van ongeloof en onverschilligheid, welke Zuid-Amerika wel schijnt te omgeven".

Hartelijk dank voor brief en gift! Gironummer van Prof. Schilder: 127278.

L. DOEKES.

De Groote Catechismns van Zacharias Ursinns. (XXXn.)

291. Wat is: doopen in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes? Het is in opdracht van God door deze plechtige handeling betuigen, dat hij, die aldus gedoopt wordt, tot genade aangenomen wordt door den eeuwigen Vader, om den wille van den Zoon, en geheiligd wordt door den Heiligen Geest.

292. Is dan deze plechtigheid voor allen, die met mater gedoopt worden, een getuigenis der zaligheid?

Neen; maar alleen, voor de geloovigen. Want wie niet geloofd heeft, ook al is hij gedoopt, die moet verdoemd worden, zegt de Heere.

293. Maar daar de kinderen nog niet met het geloof begaafd zijn, worden sjji dan wel met recht gedoopt?

Met recht Want het geloof en de belijdenis ervan worden , vereisch, t.iR, .(J.e vfll'jyassepen, omdat zij. op andere wijze in 't verbond 'Gods niet kunnen opgenomen worden.

Voor de kinderen echter is het genoeg, dat zij door den Geest van Christus naar den aard (of de mate) van hun leeftijd'') geheiligd worden.

294. Waarom moeten zi} gedoopt worden?

Ten eerste, omdat God vordert, dat allen, die Hij door Zijn verbond Zich toeeigent, door den Doop zullen onderscheiden worden. De kinderen der geloovigen echter zijn en blijven deelgenooten van het genadeverbond^), indien zij slechts, bij het ouder worden, zich er niet van uitsluiten; omdat God verzekert, dat Hij ook hun God zal zijn en Christus, dat van hen het Koninkrijk der hemelen is.

Ten tweede, omdat de Doop voor de besnijdenis in de plaats gekomen is. Daar dan de kinderen in het Oude Testament besneden zijn geworden, en de genade Gods door de komst van Christus niet kariger maar ruimer uitgestort is, zullen ze nu ook gedoopt moeten worden.

G. B.


1) „Il ne sera pas, permis aux Fideles d' assister aux specrades profanes comme aux Danses de Theatre, aux Comedies, tragedies, on Farces, soit qu'on les represente en public, ou w particulier; parce gu' ils ont été defendus de tous tems par les Eglises de Dieu, comme des amusements illicites et qui ^orrompent les bonnes moeurs, particulièrement lorsque la öamte Ecriture y est profanée. Mais si Ie College (= school) J«ge convenable pour exercer la jeunesse de representer des stoires qui ne soient pas • contenues dans la Sainte Ecriture V aquelle ne nous a pas été donnée pour nous servir de assetems, mais pour être prêchée, et pour notre Conversion , , {-"''^o'ation) pouvu que cela se fasse rarement, et par avis du CoUoque (= Classis) qui en fournira Ie sujet, ces «presentations seront tolerées", blz. 125.

2) pro aetatis modo sanctificari.

3) socii foederis gratiae.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELUKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1939

De Reformatie | 8 Pagina's