GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

HOOFDARTIKEL

9 minuten leestijd

„Ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria".

II.

B. De R OiO m s ch-Ka th o liek e uitwerking van dit leerstuk.

Wanneer wij ons wenden naar de Marialeer, zooals deze zicli heeft .ontwikkeld in de R.-Kath. Kerk> dan Terwonderen wij ons met stijgende verbazing. Hoe is het mogelijk, dat zulk een woekerplant zich heeft gevormd!

In het Nieuwe Testament is er nergens een zweem van Maria-vereering te bespeuren. De liouding van den Heiland tegenover zijn moeder wijst op het tegendeel. Bij Zijn gang naar den Tempel op 12-jarigen leeftijd wijst hij Maria in haar berispen af. Wat is het, dat gij mij gezocht hebt? Wist gij niet, dat ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders? (Luc. 2:48) Op de bruiloft te Kana zegt de Heiland tot Maria: vrouwe wat heb ik met u te doen? Mijne ure is nog niet gekomen. (Joh'. 2:4). Bij een latere gelegenheid, wanneer de menschen Jezus er op wijzen, dat Zijn familie gekomen is, antwoordt de Heiland: wie is mijne moeder en wie zijn mijne broeders? En hij zijn hand uitstrekkende over zijn discipelen zeide: zie, mijne moeder en mijne broeders. Want zoo wie den wil mijns Vaders doet, die in de hemelen is, die is mijn broeder en zuster en moeder. (Mt. 12:46—50 par.), 't Is bij den Heere Jezus dus telkens een markeeren van den afstand, die er is tusschen Hem en Zijn moeder. Zij wil telkens den bloedsband doen gelden. Hij doet haar telkens gevoelen, dat in Zijn ambt alleen maar geldt de band des Geestes. En wanneer Maria bij het Kruis staat, dan wordt de band des bloeds geheel ontknoopt in het: vrouw, zie uw zoon. Zie, uwe moeder. (Joh. 19:26, 27). In het Koninkrijk der hemelen gelden de bloedsbanden niet meer. Aan het kruis isoleert de Heiland zich geheel en al van Zijn moeder.

Wanneer Maria in de Handelingen der Apostelen voorkomt, dan neemt zij in het geheel geen bijzondere plaats in. In Hand. 1:17, worden eerst de apostelen genoemd en dan pas Maria. Zij is niet meer dan een eenvoudig kerkM. i)

Hoe is men er toe gekomen, om Maria te gaan Vereeren?

In de eerste eeuwen treffen wij de vereering van Maria nog niet aan.

Bij de patres treft men wel telkens de parallel aan tusschen Adam en Christus, Eva en Maria. Eva geloofde de slang en werd de oorzaak van den vloek, Maria geloofde de boodschap van den Engel en werd het werktuig, van heil en leven.

Tegen een dergelijke gedachtengang is geen bezwaar. De Schrift zegt zelf, dat alle geslachten Maria zullen prijzen (Luc. 1:48). Zij is de begenadigde, gezegend onder de vrouwen. (Luc. 1:28). Zij wordt zalig gesproken vanwege haar geloof. (Luc. 1:45). Maar dat is heel iets anders dan Mariavereering. Wij achten het een groot voorrecht, dat Maria ten deel is gevallen, dat zij aan den Heiland der wereld het levenslicht heeft doen zien. Maar daarmede wordt Maria nog niet het voorwerp van vereering, van aanbidding. Evenmin als die andere Maria, die de voeten van den Heiland heeft gezalfd en van wie door Jezus is gezegd, dat waar het Evangelie gepredikt zal worden, ook tot hare gedachtenis zal gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft. (Joh. 12:1—8, Mt. 26:6—13).

Het eerste motief, dat tot die Maria-vereering heeft geleid is geweest, dat men de eerbied voor den Heere Jezus op Zijn moeder heeft overgehi dragen. Tevens heeft medegewerkt de overschatting van het ascetische leven. Maria werd het voorbeeld van maagdelijkheid. Verder heeft het binnendringen van het Heidendom in de Kerk de vereering van Maria bevorderd. Als motief voor de Maria-vereering in de Germaansche landen kan nog het ridderleven worden genoemd. 2)

Wij zullen slechts de voornaamste pmiten van de Marialeer noemen.

Allereerst heeft Maria het privilege van de onbevlekte ontvangenis. Hiermede wordt niet bedoeld, dat Maria den Heiland onbevlekt heeft ontvangen 3), maar dat zij zelf onbevlekt ontvangen is geworden. *)

Deze gedachte is, na herigen strijd, in 1854 dogma geworden. 5)

Maria wordt dus beschouwd zonder erfzonde te zijn. Hieruit vloeit voort, dat zij werkelijk vrij is geweest van de geringste zonde. Verschil van meening is er over het punt, of Maria ook vrij is geweest van booze begeerlijkheid. Want voor Rome is de begeerlijkheid op zich zelf geen zonde, mits zij maar niet wordt ingewilügd. ^)

Van Maria wordt verder geleerd, dat zij altijd maagd is gebleven. Ook dit is voor Rome een dogma, dat geloofd moet worden.') Op dit punt zijn de Reformatoren hun tijd niet te boven gekomen. Zij willen niets weten van een gewoon huwelijksleven van Jozef en Maria. ^) Ook Dr A. Kuyper heeft zich meermalen tegen deze gedachte verklaard. ^)

Over het algemeen zijn thans de Gereformeerde exegeten en dogmatici meer geneigd om aan te nemen, dat Jozef en Maria kinderen hebben gehad en dat wij bij de broeders van den Heere Jezus dus te denken hebben aan kinderen uit het huwelijk van Jozef en 'Maria. 1°)

Van Maria neemt Rome verder aan, dat zij ten hemel is gevaren. Zeker naar de ziel en waarschijnlijk ook naar het lichaam. Zij is wel, evenals haar zoon, gestorven i'), maar men acht het passend om aan te nemen, dat zij spoedig verheerlijkt is geworden. Aan deze hemelvaart is een feestdag verbonden, 't Is evenwel nog niet zoo ver, dat dit stuk tot dogma is verklaard. Dit is een kwestie van tijd. 12)

Evenmin is nog tot dogma gemaakt, dat Maria middelares is naast Jezus. Hoezeer deze gedacht© bij Rome is doorgedrongen, blijkt uit een eenvoudige inhoudsopgave van een werkjje van Prof. O. Friethoff: Maria, onze Middelares, naast Jezus onzen Middelaar. Dit boek is evenals het andere geciteerde werk van Prof. Friethoff, verschenen in de serie Waarheid en Leven, onder Redactie van Prof. J. P. Verhaar, is)

I. Karakteristiek van het Middelaarschap'. II. De gezeUin van den bemiddelenden Christus. III. De gezellin van den voldoening briengenden Christus.

IV. De gezellin van den verdienenden Christus. V. De gezellin van den verlossenden Christus. VI. De gezellin van den offerenden Christus. VII. De gezellin van den uitdeelenden Christus. VIII. De gezellin van den biddenden Christus.

Volgens Rome is het zeer waarschijnlijk en staat het wetenschappelijk vast, dat Maria, onder haar zoon en in aflrankelijkheid van Hem, ons medeverlost en de genade medeverdient. Evenzoo is het zeer waarschijnlijk te noemen, dat sedert de opname van Maria in den Hemel naar den positieven wil vaia God en Christus geen genade zonder haar voorbiddende medewerking wordt uitgedeeld. 1*)

Niemand komt tot den Vader dan door Christus en niemand komt tot Christus dan door Maria, i^)

De Maria-vereering neemt in de Roomsch-Katholieke Kerk een enorme plaats in. Zij is Maria- Kerk geworden. Binnen hare murenj is er. geen plaats voor hen, die meenen, dat wij moeten bhjven bij hetgeen de Schrift ons leert aangaande Maria.

Prof. Friethoff geeft aan het slot van zijn werk'; Katholieke Marialeer een korte saamvattüig! van die leer, en de beteekenis van deze.

1. Maria is waarlijk de Moeder Gods. 2. Maria is onbevlekt ontvangen. 3. Maria is altijd Maagd gebleven. Deze punten willens en wetens te verwerpen is ketterij.

Verder staan w e t e n s c h' a p p e 1 ij k vast:

1. Maria verdiende haar moederschap. 2. Maria was heiUg door haai- moederschap. 3. Maria had meer genade dan welk ander schepsel ook. 4. Maria was vrij van den Paradijs vloek. 5. Maria was werkelijk gehuwd aan St. Jozef. 6. Maria deed gelofte van maagdelijkheid. 7. Maria is met ziel en lichaam ten hemel opgenomen. *

Deze punlen zonder meer niet te aanvaarden is dwaling.

voldoen­ Daar z ij n aanvaardbaar als de verantwoord:

1. Maria had meer genade dan alle engelen en liciligcn te zamen.

2. Maria heeft nooit de geneigdheid ten kwade gehad.

3. St. Jozef deed met Maria samen de gelofte van maagdelijkheid.

Deze punten zonder meer weigeren te aanvaarden is d o m h e i d.

In deze leer toont Rome haar karakter. sectarisch

Ofschoon zij zelf moet toestemmen, dat de Heilige Schrift ons niets leert van de Maria-vereering, eischt zij op dit punt een blinde gehoorzaamheid. En daarmede eert zij Maria niet. 't Was Maria genoeg een plaats in te nemen in de gemeente, een eenvoudig kerklid te zijn, Rome plaatst haar boven de gemeente, 't Was Maria genoeg, de dienstmaagd des Ileeren te zijn, Rome maakt van haar een Koningin des Hemels.

De Marialeer doet ons duidelijk zien, dat de satan zich verandert in een engel des lichts. Welke leer is schijnbaar liefelijker en aantrekkelijker dan de Marialeer? Welke vereering schijnt verheffender dan de vcrcering van de Moedermaagd? Is niet de naam van Maria een hefboom geweest voor duizenderlei actie? En toch, de glorie van Maria verduistert de glorie van onzen Heiland. Er is maar een éénige naam onder den Hemel gegeven, door welken wij moeten zalig worden, de naam van Jezus. Hand. 4:12. Do zaligheid is in geen andere, ook niet in Maria, i"^)


1) Vgl. S. Greijdanus, bij K. Schilder: het Hoogfeest naar de Schriften, p. 71—88.

2) Art. Maria v. O. Zöckler in P. R. E. 3, XII, p. 309-336.

3) Volgens C. Friethoff maken Protestanten deze fout nog wel eens. Katholieke Marialeer, 1937, p. 51.

4) Deze voorstelling vindt men ook in het Apocriefe Evangelie van Jacobus, E. Hennecke, N. T. Apocryphen^, 1924, p. 84.

5) Vgl. voor den strijd hierover gevoerd P. R. E. s, XII, p. 321 V. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, IIP, p. 111 v., 299-V.

6) Vgl. C. Friethoff a.w. p. 82.

7) Friethoff a.w. p. 87.

8) P. R. E. 3 a. a. p. 325.

9) Vleeschwording des Woords, 1887, p. 131 v. Vgl. ook H. H. Kuyper, Heraut No. 3183.

10) F. W. Grosheide, Het Evangelie van Mattheus, 1922, p. 175. K. Schilder, Christus in zijn Lijden, 1930, III, p. 329. R. Schippers, art. Reformatie, XV, no. 16. S. Greijdanus, a. a. p. 85.

11) Over de plaats waar, wordt getwist. Sommigen nemen Jeruzalem, anderen Efeze voor haar laatste woonplaats. Vgl. P. R. E. 3 a. a. p. 313.

12) Friethoff, a.w. p. 100—106.

13) 1934.

14) Art. in Lexikon für Theologie und Kirche, VI, kol.

887 V. 15) C. Friethoff, Maria onze Middelares, p. 113.

16) Vgl. voor de Marialeer nog het hoofdstuk: Maria de Moeder van den Verlosser, in S. Klug, Het Katholieke Geloof, 1939, p. 237—247. Het is merkwaardig dat hier de Maria-leer zoo heel kort wordt behandeld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1940

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1940

De Reformatie | 8 Pagina's

Bladeren