Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

HOOFDARTIKEL

10 minuten leestijd

IS ER EENSTEMMIGHEID OVER HET GENADE VERBOND?

III

door Prof. Dr K. SCHILDER.

e. Haast vanzelf stelt men thans de vraag: kan het „nieuwe verbond" (eventueel genomen „naar zijn wezen") verbroken worden van 's menschen zijde?

Ontkennend antwoordt dr J. Thijs, die in Herautartikelen concludeert in dezer voege: Wèl van het oude, maar niet van het nieuwe verbond geldt, dat het verbroken kan worden.

Het „anders"-zijn van het nieuwe verbond, vergeleken met het oude, ligt z.i. juist in deze niet-verbreekbaarheid; en de „berispelijkheid" van het oude, vergeleken met het nieuwe, ligt juist in deze wèl-verbreekbaarheid. Of, letterlijk:

„Van een bondsbreuk kan dus ook geen sprake meer zijn, 't Kon onder de oude bedeeling gebeuren, dat de gehoorzaamheid, waartoe het verbond verplicht, niet werd betracht. Onder de nieuwe bedeeling is dat onmogelijk, al zal die gehoorzaamheid altoos gebrekkig zijn. Wel is het waar, dat het verbond, zooals het aan ons verschijnt, verbroken kan worden. Zooals het aan ons verschijnt, behooren al de kinderen der geloovigen er toe en zij vervullen niet allen de verplichtingen van het verbond. Maar dan moet van zulken gezegd worden, dat zij tot het verbond naar zijn wezen nooit hebben behoord".

Bevestigend antwoordt de ook onder ons bekende en als dogmaticus bij ons door prof. dr H. Bouwman ingeleide W. Heijns („De Geref. Am."):

, , Als God zijn verbond met den zondaar opricht, wil Hij niet dat het een dag, of een jaar, of een eeuw, maar dat h^t eeuwig zal duren.... Het mag niet verbroken worden; er is schijn noch schaduw, dat daartoe eenige vrijheid zou gegeven zijn. Maar dat het kan verbroken worden — hoe groot zal de schare zijn van kinderen des koninkrijks deswege buitengeworpen"! Eveneens;

„Bomdsbreuk bestaat, maar als een schrikkelijke zonde, als een feit zonder eenig recht van bestaan, juist omdat God aan het verbond het karakter van een eeuwig verbond gegeven heeft. Ware dit anders zoo zou bondsbreuk ook geen zonde zijn Er, is dus wel reden om dit onverbrekelijk karakter des verbonds met kracht te handhaven; maar men gaat mis, als men eruit besluiten wil, dat deswege verbondsbreuk onmogelijk moet zijn, ...." ,

f. Een met de voorgaande weer samenhangende vraag is: is er ook onder het nieuwe verbond „verbondswraak" ot geldt die alleen voor het „oude"?

Ontkennend voor wat het eerste, en dus bevestigend voor wat het tweede lid der vraag betreft, antwoordt dr J. Thijs.

„Tot verdediging van de meening, dat het genadeverbond verkorenen en verworpenen omvat, wordt wél aangevoerd, dat volgens de Schrift het verbond toch verbroken kan worden en de wraak des verbonds den bondsbreker treffen zal".

„Dat de Schrift — zoo gaat Dr Thijs verder — dat de Schrift dit leert, moet worden toegestemd; alleen maar: zij leert dat wel van het oude, maar niet van het nieuwe verbond. Integendeel zegt ze, dat het nieuwe verbond niet kan worden verbroken".

Bevestigend daarentegen voor wat het eerste, en dus ontkennend voor wat het tweede lid der vraag betreft, antwoordt dr Aalders („Verbond Gods", 222, vgl. 180, 187, 188). Overigens vergete men niet, dat laatstgenoemde die verbondswraak onder het nieuwe verbond betrekking laat hebben op de „uiterlijke verschijning" van het verbond en op „onechte" bondelingen. Da-arom wijzen we ten overvloede op prof. Honig (Handboek 439), die het genadeverbond zich laat uitstrekken tot „de geloovigen en hun zaad" (438), en reeds van zulk een verbon3 de mogelijkheid eener adaequate openbaring ontkent (439); hetgeen nog wat anders is, dan de adaequate openbaring te loochenen van een verbond, dat met de verkiezing quantitatief gelijk is. Prof. Honig nu schrijft, „dat de opneming in het verbond onze verantwoordelijkheid verhoogt en het lot der verbondsbrekers, de wrake des verbonds, ondragelijker zal zijn; dan. ..." enz.~

Voorts wijzen wq weer op Heijns: En bovendien kan ook nog gewezen worden op de teksten die van bondsbreuk en het verloren gaan van bondelingen spreken, als de bepaling in Gen. 17 ; 14 ten aanzien van den bondsbreker en Matth. 8 : 12 aangaande het buiten uitgeworpen worden van kinderen des koninkrijks. Immers geen bondsbreuk en geen verloren gaan van bondelingen konden plaats hebben indien alleen uitverkorenen de tweede partij des Verbonds waren. En dat Gods Woord ervan spreekt is bewijs, dat het Verbond zich verder uitstrekt dan de uitverkorenen (186/7) ... .De H. Schrift leert.., , dat er wezenlijke bondsbreuk is en dit veroordeelt zoowel de onderscheiding in een uit- en inwending Verbond, als de leer van een genadeverbond alleen met de uitverkorenen.... Tenslotte zij nog herinnerd aan Joh. 15 : 1—7, waar de Heere zich voorstelt als de ware Wijnstok, en wel als een Wijnstok die tweeërlei soort ranken heeft, vruchtbare en onvruchbare. Ook die onvruchtbare zijn ranken in Hem (187).... Wat kunnen die ranken anders zijn dan bondelingen? En wat leert ons deze gelijkenis anders, dan dat niet alleen wedergeborenen maar ook onwedergeborenen bondelingen zijn; dat toch die onwedergeborenen als bondelingen Christus zijn ingelijfd, ranken zijn in Hem, en dat er een verloren gaaii van bondelingen is? En dit-is alles heel anders dan de leer van een Genadeverbond alleen met de uitverkorenen („Geref. Am." IV, nr. 4, 179—188). g. Voorts is er de vraag: moet in het verbond tusschen „wezen" en „verschijning" onderscheid gemaakt worden, aldus, dat tusschen die twee of tusschen onze verhouding tot die beide discrepantie, ja, een zekere tegenstrijdigheid liggen kan?

Bevestigend antwoordt dr G. Ch. Aalders, voor wiens meening kortheidshalve hier verwezen wordt naar bovengemelde publicatie, waarin voor wat zijn desbetreffende opinie betreft wordt verwezen naar dr H. H. Kuyper. Eveneens bevestigend antwoordt dr J. Thijs (Heraut-artikelen).

Ontkennend daarentegen is het bescheid van Heijns, die ter afwijzing van bovengemeld gevoelen, opmerkt, dat men daarbij zóó construeert: het , , wezen" deelachtig, of anders alleen maar de „verschijning"; doch dat men op dit standpunt eigenlijk aldus diende te construeeren: „het wezen" deelachtig, of anders alleen maar den „schijn":

Er is dus wel reden om dit onverbrekelijk karakter des verbonds met kracht te handhaven; maar men gaat mis, als men eruit besluiten wil, vooreerst dat deswege verbondsbreuk onmogelijk moet zijn, en verder dat derhalve alleen uitverkorenen bondelingsn kunnen wezen, en aan het wezen des verbonds deel kunnen hebben.... Dat bondsbreuk mogelijk is, kan natuurlijk niet toegestemd worden door wie het Genade-Verbond vereenzelvigt met den „Raad des Vredes" en het dus tot de uitverkorenen beperkt; door wie het als een tweezijdig verbond opvat, en het tweede deel ervan omschrijft met woorden.als: en de zondaar door een oprecht geloof dit Verbond toestemt; door wie het wezen des Verbonds zoekt in den heilsinhoud zooals hij door den H. Geest onderwerpelijk toegepast wordt. Immers, dan zou bondsbreuk gelijk staan met afval der heiligen, en die is er niet, kan er niet zijn, en anderzijds kan het verbond niet verbreken, wie geen deel heeft aan het wezen des verbonds. Wie geen deel heeft aan het wezen des verbonds kan hoogstens slechts deel hebben aan den schijn ervan, en dus ook slechts den schijn ervan verbreken; of anders gezegd, wie geen deel heeft aan het wezen des verbonds kan hoogstens slechts deel hebben aan een aanhangsel ervan, en dus ook slechts een aanhangsel ervan verbreken en niet het verbond zelf. Al wat dan ook de Schrift omtrent bondsbreuk zegt, b.v. Gen. 17 : 14, Matth. 8 : 12, Luk. 13 : 9, Joh. 15 : 2, Rom. 11 : 17 v.v. komt tegen zulke theorieën rechtstreeks in verzet („Ger. Am." III, 10, 473— 477).

h. Op het nauwst hangt deze vfaag samen met een andere, die men, eenigszins ruw-saamvattend, aldus zou kunnert stellen: niet wien of met wie is het verbond opgericht, met Christus ot met Gods volk?

Dr K. Dijk meent; met Christus, en in Hem met Zijn volk.

„Dan sluit Hij Zijn verbond, of laten we liever zeggen, dan herschept Hij Zijn verbondsgemeenschap niet door met lederen geloovige een verbintenis aan te gaan, maar dan sluit Hij die gemeenschap met ons Hoofd Christus, en in Hem mef Zijn volk" („Bazuin" 87/2, 13 Jan. 1939).

W. V. d. Bergh antwoordt: in het eigenlijke verbond met de uitverkorenen:

„Wat nu de partijen betreft, moet in het genadeverbond óf Christus als subinhaerent voor de uitverkorenen beschouwd worden en dan

spreken wij van het verbond der „verlossing" tusschen God en den Middelaar (Christus) gesloten, óf het eigenlijke Genadeverbond tusschen God en Zijne uitverkorenen onderscheiden worden" („Calvijn over het genadeverbond", pag. 132—133).

Geheel ander oordeelt ds T. Bos: niet Christus, maar met zondaren: met

, , ln den waren, eigenlijken zin des woords kan men niet zeggen, dat God het Genadeverbond met Christus opgericht heeft, want dan zou daaruit volgen, dat God in dat Verbond werd de God van Christus, en Christus uit vrije genade het eigendom geworden is van God. Het Verbond is dus opgericht met menschen die geworden waren , , zonder God in de wereld", en door het Verbond genadiglijk weder aangenomen werden tot een volk van God". („De Wachter", I, 24, 29 Mei 1903).

Evenzoo L. J. Hulst: niet met Christus over menschen als , , dood kapitaal":

, , Zoudt gij waarlijk in ernst denken, dat de voorstelling meer Gode waardig zou zijn, dat Hij, in acht nemende des menschen algeheele onmacht ten goede, van eeuwigheid een verbond sluit ten opzichte van zekere menschen met Christus als hun Hoofd, zoodat Hij voor hen verantwoordelijk is, én zij als dood kapitaal Hem in handen zijn gesteld"? („Supra en Infra", 82).

Het verbond is gesloten in Christus met den mensch:

„Zooals wij zien heeft God in Christus, als Borg voor den mensch, dit verbond gesloten met den mensch" (Hulst en Hemkes: , , Oud- en nieuw Calvinisme", pag. 32).

We noemen W.' Heyns: God en met zijn zaad waren partijen. Abraham

, .Volgens de reformatorische beschouwing van het Genadeverbond, zooals die neergelegd is in onze Belijdenisschriften, waren de partijen van het verbond: de drieëenige God eenerzijds en Abraham en zijn zaad of de geloovigen en hun zaad anderzijds". (, , Gereforméerde Geloofsleer", pag. 140/1).

Of ds K. J. Pieters in een kerkelijk goedgekeurd geschrift uit de dagen van vóór 1892:

„Het hier bedoelde dogmatische denkbeeld van een door den Vader met den Zoon, als het Hoofd der uitverkorenen, van eeuwigheid gesloten genadeverbond was, zooveel ons uit de geschiedenis der dogmatiek gebleken is, aan de apostolische kerkvaders, aan de oude christelijke kerk, aan de hervormers, en aan de opstellers onzer belijdenis en liturgie geheel onbekend. Althans van dit begrip wordt bij hen met geen enkel woord melding gemaakt" („Het Baptisme", pag. 50).

Vgl. de opmerking van L. J. Hulst: Ursinus geeft wel allerlei inlichting , , omtrent Gods verbond met Menschen in Christus", , , maar geen spoor van een verbond Gods met Christus over de uitverkorenen" („Supra en Infra", pag. 35).

We zien van verdere vragen af. Nog vrij onlangs is in de pers uitvoerig aangetoond, hoe onder de niet meer jongeren, of ouderen, merkwaardige verschillen aan den dag treden omtrent vragen als deze:

, , opgericht" bij Abraham, of toen , , vernieuwd"?

opgericht , , in" Christus, dan wel „met" Christus«

Christus , , hoofd" der (getrouwe) bondelingen, dan wel , , Hoofd" van het verbond zelf? Christus Hoofd, dan wel Middelaar des verbonds?

Christus Borg in het verbond, ja, dan neen? Slaat Jer. 31 op de bedeeling tusschen Pinksteren en parousie, dan wel ook op de periode tusschen terugkeer uit de ballingschap en Pinksteren?

Is wat Jer. 31 profeteert, reeds in den tijd vervuld, of geschiedt dit eerst na de parousie?

En wij behoeven slechts het woord supraen infralapsarisme te noemen, om een reeks van vragen voor onzen geest te roepen, waarover indertijd warm gestreden is.

Nu zal er wel niemand zijn, die beweert, dat de onderscheiden hierboven opgeworpen vragen alleen met de theologische strijdvraag van supra- en infralapsarisme te maken hebben.

Maar nog minder verwachten wij, dat men ontkennen zal, dat ze er óók mee in verband staan. En zéker zal ieder toegeven, dat de infralapsarische uitdrukkingswijze der confessie met een en ander in verband gezet is, en ook staat

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 november 1945

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 november 1945

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken