Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

De kwestie van het evangelisten-ambt

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De kwestie van het evangelisten-ambt

§ 5. DE VERHOUDING TUSSCHEN DEN EVAN­ GELIST EN DE OVERIGE BIJZONDERE AMBTSDRAGERS (vervolg).

8 minuten leestijd

In het voorgaande is besproken de verhouding tusschen de evangelisten en de apostelen.

(XIV)

B. We komen nu tot de tweede relatie, welke hier in aanmerking komt, n.l. de v e r h o u d i n g t u s s c h e n den e v a n g e l i s t èn de herders en leeraars.

1. Het rapport der deputaten spreekt ook over deze verhouding. Het meerderheidsrapport doet dat onder het hoofd: „confrontatie der erkende ambten met de zendingsopdracht" en vraagt zich daarbij af, of één der door ons met uitgedrukte woorden beleden en in hun bediening geregelde ambten (dienaar des Woords, ouderling en diaken) blijkt te voldoen aan de eischen van Christus' bevel en daartoe geschikt te zijn (bl. 5—8). In dat • rapport wordt dus onderzocht, of de hedendaagsche bijzondere ambten zijn gege-, ven tot speciale vervulling der roeping jegens de ongekerstende wereld. Daarbij wordt aangetoond, dat ons hedendaagsch ouderlingen-en diaken-ambt, gelijk die in Belijdenis en Kerkenordening zijn omschreven, is gegeven voor en beperkt tot een ambtstaak in de plaatselijke en gevestigde gemeente. Daarna wordt breed gehandeld over de vergelijking tusschen het tegenwoordige ambt van den bedienaar des Woords en de taak van een zendingsarbeider. Wij hopen daarover straks afzonderlijk te handelen, daar ook het minderheidsrapport daarover het een en ander naar voren brengt, dat bespreking vraagt. Maar voor een goede orde dienen wij wel te onderscheiden tusschen de verhouding van den evangelist tot de bijzondere ambtsdragers in het Nieuwe Testament èn de verhouding van den zendingsarbeider, den „evangelist", tot de hedendaagsche ambten van predikant, ouderling en diaken.

2. Wat nu de verhouding tusschen den evangelist èn de overige bijzondere, ambtsdragers in het Nieuwe Testament betreft (uitgezonderd dan de apostolische ambtsdrager, waarover we reeds handelden), komt hier eerst aan de orde de relatie tusschen den evangelist en de oudsten of ouderlingen. Wij spreken hier opzettelijk niet over de „herders en leeraars", daar het Nieuwe Testament ons leert, dat ook die „herders" en „leeraars" behooren tot de ouderlingen, „die arbeiden in het Woord en in de leer" en dat in onderscheiding van de ouderlingen, „die wèl regeeren" (1 Tim. 5:17). Met andere woorden: r zijn blijkbaar regeer-en leer-ouderlingen.

Doch we moeten wel bedenken, dat die onderscheiding behoort tot een periode in de eerste christelijke kerk, waarin de ontwikkeling der ambten al behoorlijk ver is voortgeschreden. Men zegt terecht: deze onderscheiding behoort tot de tweede, niet tot de eerste periode der eerste christelijke kerk.

, Er is n.l. in de kerk na den Pinksterdag wat de ambten betreft, duidelijk een ontwikkeling op te merken, en al is die ontwikkeling in bijzonderheden nog niet duidelijk, de hoofdlijn is wel aan te wijzen.

Zoo is duidelijk, dat van het apostelambt zich andere, zelfstandige ambten hebben afgescheiden en onderscheiden, welke ambten zich een deel van de apostolische taak zagen toegewezen. Dat vinden we (Hand. 6) voor de „armverzorging" heel precies aangewezen. Zoo komen er ook oudsten of ouderlingen in de plaatsehjke kerken. Zoodat er is een ontwikkeling van het „algemeen e'-' ambt vooralle kerken en alle kerkwerk, het apostolaat, naar de b ij zondere ambten in de plaatselijke kerken voor het localekerkwerk.

Dit laatste is het „eindpunt" van de ontwikkeling, waarmee het Nieuwe Testament besluit. In die ontwikkeling zijn derhalve overgangen, zoodat

we in het Nieuwe Testament onderscheiden in dezen aantreffen. dingen

Daarbij komt nog iets anders: er zijn naast het apostelambt nog „charismata", dat is: b ij zondere gaven en bedieningen en werkingen, welke niet bl ij vend dochtijdelijk zijn en we zien die verdwijnen n a a r m a t e de a m b t e n in de plaatselijke kerk vastere „vormen" aannemen. Wij kunnen hier op dat alles niet in den breede ingaan, en beperken ons in verband met ons onderwerp tot de „ouderlingen" en de „herders en leeraars".

We nemen eerst de „1 e e r a a r s". Als zoodanig fungeerden eerst de apostelen, vergelijk Hand. 2 : 42. Doch naast dezen komen er, die ook „leeraars" worden genoemd (bijv. Hand. 13 : 1; 1 Cor. 12 : 28, 29). Hun taak is het leeren, dat is: e uitwerking van de geopenbaarde leer, zonder zelf daaraan nieuwe openbaringen toe te voegen. Ze schijnen in den eersten tijd geen vast ambt in de plaatselijke kerk bekleed te lebben, want we hooren niet van een zoodanige aanstelling en bevestiging, doch ze treden vrij en zelfstandig in de gemeenten op. Aanvankelijk behooren ze dus tot de „charismata", de bijzondere gaven en werkingen, welke niet altijd aan het een of andere bijzondere ambt hoefden verbonden te zijn.

Later wordt dat allengs anders. Dan wordt het leeren aan het plaatselijke ambt verbonden, zoodat de „leeraars" met de „herders", „presbyters", opzieners of voorgangers samenvloeien. Zoo lezen we in Epheze 4 : 11 (naar het Grieksch): en Hij heeft gegeven zoowel de apostelen als de profeten, zoowel d e evangelisten als d e herders en leeraars". Daar bij de laatstgenoemden het lidwoord voor „leeraars" niet wordt herhaald, hebben we bij „de herders en leeraars" ongetwijfeld aan dezelfde personen te denken en niet aan twee groepen bijzondere ambtsdragers. Zoo zien we den „leeraar" een ambtsdrager worden, in de plaatselijke kerk een vaste ambtsbediening uitrichtend.

Het woord „herder" komt in het Nieuwe "Testament niet voor als een aparte dienst of een afzonderlijk ambt aanduidend. Wel komt het woord „poimainein" voor, dat beteekent: oimèn (herder) zijn, dus: e gemeente als een kudde weiden. Zoo Hand. 20 : 28, waar Paulus het „weiden" van de plaatselijke gemeente van Epheze opdraagt aan „de ouderlingen" (vs 18), „de opzieners" (vs 28); 1 Petr. 5 : 7, waar Petrus dat „weiden der kudde" beveelt aan „de oudsten".

En zoo komen we tot „d e o n d e r l i n g e n", , , de opziener s", „de oudste n". We kunnen er niet aan denken deze woorden als aanduiding van een dienst in de kerk na te gaan in hun ontwilcieling. We willen volstaan met mee te deelen hetgeen als resultaat kan worden geacht vast te staan.

Het ambt van oudste of ouderling omvat het leeren en regeeren, in welk ambt zich weldra een scheiding voltrok, zoodat er oudsten of ouderlingen kwamen, die de gemeente regeerden, èn oudsten of ouderlingen, die de gemeente leerden. Maar dan met dien verstande, dat ook de leer-ouderlingen mèt de regeerouderlingen het toezicht op „leer en leven" der gemeente hebben.

Wat is nu de taak van de oudsten, ouderlingen en opzieners? De ambtstaak van „den opziener" is: et w, e i d e n, h o e"d en van de kudde, de plaatselijke gemeente (Hand. 20 : 28), het leeren, onderwijzen (1 Tim. 3:2), voor de gemeente Gods zorgen (1 Tim. 3:5), vermanen (Titus 1:9), de tegensprekers weerleggen (Titus 1:9); hij is „huisverzorger Gods"; „beheerder van het huis Gods" (Titus 1:7; oikonomos).

De roeping van de. presbyters (oudsten of ouderlingen): e werden wel in financiëele aangelegenheden gewikkeld (Hand. 11 : 30); de plaatselijke gemeente weiden, hoeden (1 Petr. 5:2); zieken bezoeken, met hen bidden en hen met olie zalven (Jae. 5 : 14); de gemeente regeeren, leiden (1 Tim. 5 : 17); over de leer (helpen) oordeelen (Hand. 15 : 2 v.v.); en dan zijn er die „arbeiden in het Woord en de leer" (1 Tim. 5 : 17). Over deze laatstgenoemde plaats handelt uitvoerig Prof. Sillevis Smitt (De organisatie enz., bl. 180 v.v.). De uitleggers zijn het er wel over eens, dat deze presbyters nagenoeg gelijk zijn te stellen met de opzieners: presbyters" was de naam, die wel het eerst ingang vond bij de joodsch-christelijke kerken, en „opzieners" bij de heiden-christelijke gemeenten ; presbyter zal meer zien op de ambtswaardigheid en opziener op de ambtsverrichting. (Nader is daarover gehandeld door Prof. Sillevis Smitt, De organisatie enz.; Dr A. J. Bronkhorst, Schrift en Kerkorde; Dr J. L. Koole, Liturgie en ambt in de aposto-. lische kerk).

We zien dus^ dat het leeren en onderwijzen, het „arbeiden in het Woord en de leer" tenslotte aan hel ouderlingschap werd verbonden als aan 'n plaatse-1 ij k ambt, wat dan weer een scheiding noodzakelijk maakte tusschen leer-en regeerouderlingen en daarmee hebben we dan de allerlaatste v e r t a k k i n g der a m b t e n uit het apostolaat, welke het Nieuwe Testament ons meedeelt. Waarom we over de taak en roeping van deze „leer-ouderlingen", „bedienaren des Woords", „herders en leeraars", niet zooveel meer kunnen vernemen.

Duidelijk is, dat ze een deel van de a p o s t o l i s c h e a m b t s t a a k en dat voor de plaatselijke gemeente zich toebetrouwd zien. Want ook de apostelen hadden de roeping te leeren (Matth. 28 : 19; Hand. 2 : 42 e.a. plaatsen) en de gemeenten te regeeren (Hand. 1, 6 e.a. plaatsen). De apostelen "heetten als zoodanig immers ook „leeraar" (2 Tim. 1 : 11) en „mede-ouderling" (1 Petr. 5:1). Doch dat „leeraar"-schap strekte zich ook uit over de heide­ nen (1 Tim. 2 : 7).

J. FRANCKE.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 februari 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

De kwestie van het evangelisten-ambt

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 februari 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken