GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

EEN OPPORTUNUM AUXILIUM

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

EEN OPPORTUNUM AUXILIUM

Het sterven in Christus van Professor Schilder

5 minuten leestijd

„Gedachten vermenigvuldigen zich, herinneringen dwarrelen dooreen". Zo begon een artikel in „De Reformatie" van 29 Mei 1948 van een Theologisch student, na het sterven van professor Greijdanus.

En nu, nog geen vier jaar later, na het heengaan van professor Schilder, het tweede en enig overgebleven erelid, dat ons ontviel, vermenigvuldigen zich weer onze gedachten.

En wij zoeken elkaar op om te spreken over dat ene, dat, eerst nog onwezenlijk, steeds meer tot ons doordringt en bladeren in almanakken, corpsnotulen en Reformatie-jaargangen, omdat het, naar professor Schilders eigen woord „moeilijk is zo onverwacht onze eigen klokken te verzetten en van schone verwachtingen een abrupt afscheid te moeten nemen".

Op 30 November 1938 werd hem het erelidmaatschap van het studentencorps aangeboden. En hij, die nooit zijn eigen eer zocht, wees er in zijn rede bij deze gelegenheid op, dat hem deze eer gewerd als voorzitter van de reünistenorganisatie, zodat het hem levendig voor de geest stond, dat het corps niet een persoon, doch een organisatie van ouderen op deze wijze aan zich verbond.

Maar tevens bleek zijn zeer persoonlijke liefde voor het studentenleven, waar hij aan het slot opmerkte: „Ook U, amici, heb ik allang „herkend" en met wellust heb ik heden uw aroma weer „gesnoven".

En wie, die professor Schilder als erelid heeft gekejtid, zou hier durven denken aan het zich laten aanleunen van een weidse naam, zonder er iets voor te doen of aan persoonlijkheidscultuur ?

Toen wij in het najaar van 1950 door de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem mèt veel schuld en zónder naam en corpslied opnieuw moesten gaan bouwen, was hij het, die door een oproep in , , De Reformatie" onze schulden wist te liquideren, die een naam wist te formuleren meer reformatorisch dan de vroegere en die ons een prachtig corpslied aanbood.

„Een fijne avond" noemde hij de corpsvergadering van 13 October 1950, waarin dit lied bij acclamatie door het corps werd aanvaard en hij deelde onze uitbundige vreugde.

En toen verontschuldigde hij zich, dat hij door zijn drukke werkzaamheden zo weinig een vader voor zijn studenten kon zijn. „Het is zo goedkoop", aldus prof. Schilder, „om het contact enkel en alleen te zien in het elkaar om de oren strijken onder het genot van een sigaar. De hoofdzaak van het contact ligt in het elkaar spreken over de dingen, die ons leven beheersen op de collegezaal en in het studeervertrek".

, , Op de collegezaal ".

Hoe gaarne zag onze dogmaticus een volle zaal; hij kon er niet tegen wanneer er eens verschillende stoelen onbezet bleven. Niet omdat hij zijn eigen woorden zo belangrijk achtte, maar omdat hij tijdens het doceren behoefte had aan contact, niet met stoelen en banken, maar met mensen van vlees en bloed. Wanneer dat contact er was groeide hij meer en meer boven zijn stof uit en speelde er mee — ik zou bijna willen zeggen — in heilige ernst; als zijn betoog dan de climax naderde, moesten we' ons bedwingen om niet de pen te laten rusten en alleen maar te luisteren en de woorden van z'n lippen te lezen.

Dat was tegelijk zijn strijd.

Hij wilde ons in dat levende contact meer geven, dan de kennis, die men opdoet uit dogmatische verhandelingen, wilde ons in verwondering en bewondering doen zien de implicaties en relaties van één geopenbaarde waarheid met de andere geopenbaarde waarheden. Maar tegelijk waren zijn colleges altijd wetenschappelijk en hoewel bewogen, lieten ze zich nooit „inlijsten in lyrische ontboezemingen en die alleen".

Soms werden we ineens getroffen door een zeer persoonlijke opmerking, die ons iets meer van zijn eigen leven liet zien.

Dan merkten we in zijn gebed bijvoorbeeld, dat hij zo - vurig van de Heere begeerde, dat hij bij het ouder worden helder van geest mocht blijven. Of, hij, die zich steeds be-wust was, dat een mensenleven zo kort is en dat er zoveel te doen is, beleed op college, — na ons kort voordien in een persoonlijk gesprek glimlachend verteld te hebben, dat hij nog zo graag een studie over het Johannes-evangelie wilde schrijven, maar dat hij daar wel niet meer aan toe zou komen •— sprekend over de praedestinatie en de voorzienigheid Gods, dat het sterven in Christus is een opportunum auxilium, een geholpen worden ter bekwamer tijd. Daaraan ontleenden we ons opschrift. Want hierin ligt nu ook onze troost.

Terwijl wij nog in grote verslagenheid zeggen: „Wij kunnen niet zonder professor Schilder", moeten en mogen we zijn belijdenis overnemen, dat ook dit sterven was een geholpen worden ter bekwamer tijd.

Wanneer professor Schilder in z'n bestrijding van nominalisme en Barthianisme ons steeds weer liet zien, dat God geen God van willekeur is, geen zinloos spel speelt met z'n kinderen, dan was steeds weer zijn argument: „De Schrift zegt: Alzo betaamde het God te handelen".

Zondag 23 Maart betaamde het God om naar zijn verkiezing en voorzienigheid in zijn rust te doen ingaan onze Hoogleraar en erelid, die - wij in corpsverband bij bijzondere gelegenheden met schroom „amice" noemden.

En wanneer wij hem nu gedenken, dan herinneren wij ons daarbij, dat hij zelf eens schreef, dat de grootste liefdedaad onder mensen niet is ons gedenken van onze doden, maar het gedenken van onze doden aan ons. „Want onze doden kennen de wegen van ziel en geest; de laagten, de lagen, de listen, de halfheid en de traagheid dus OOK van ónze ziel, die kennen ze, nu ze heengegaan zijn, beter dan toen ze nog bij ons waren, beter ook dan - wijzelf, die nog niet in hun school-van-voUeerden zijn toegelaten".

Hij is thans toegelaten in die „school-van-volleerden" en zal eens onder de eersten zijn, die ons „begroeten in de eeuwige tabernakelen". Niet om ónze liefde, maar om Gods werk in onze liefde, dat hij ziet en bewondert. Hij groet niet ons, maar Gods werk in ons.

van de Senaat van „Fides Quadrat Intelléctum".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 maart 1952

De Reformatie | 20 Pagina's

EEN OPPORTUNUM AUXILIUM

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 maart 1952

De Reformatie | 20 Pagina's

PDF Bekijken