GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

8 minuten leestijd

In de Zuid-Iloll. JTw/JSoifif schrijft Ds, Sikkel:

Ongetwijfeld ligt ook thans evenals in de dagen waarvan Haggaï spreekt, dè oorzaak van den socialen nood in de schuld tegenover den Heere en zijne kerk, en is geen afwending te wachten dan in den weg. in Haggaï I en in Maleachi 3 aangewezen. En in dien weg moeten zij, die God vreezen, voorop gaan: er moet daarin tij Gods volk bekeering komen.

Zeker, er is een ieginsel van bekeering, maar in plaats dat men zich daarover verblijdt, beklaagt men zich en beklaagt men het volk, dat er voor de Heere gegeven moet, neen mag worden. En zoo dreigt het beginsel ie steivm inplaats van door te %uerken.

Zeker, de klacht is rechtmatig: «laten aan de gereformeerde kerken hare rechtmatige goederen worden teruggegeven, die thans door een instelling der overheid wederrechtelijk worden gebruikt en misbruikt in den dienst van leugen en halve waarheid"; — nog eens de klacht is rechtvaardig en wij stemmen geheel met haar in. Zoolang deze gruwel uit Nederland niet weggedaan is, zal een oordeel Gods blijven liggen; — maar we mogen die klacht niet gebruiken, om daardoor onze bekeering in deze zaak uit te stellen of ons daarover te beklagen. Neen dan nog liever die goederen, die onze goederen zijn, gemijt en tot Godgeklaagd, maar ons tegelijk bekeerd, en weer eerst geofferd voor den Naam en zaak des Heeren en der eilendigen, — en dan om zijn zegen weer voor huis, arbeid en maatschappij gebeden

Er leven er tal in de gereformeerde kerken, die zich hierin niet bekeeren en zich voor hun doen met een bagatel voor kerk, school en armen er afmaken, — of die als ze waariijk meer dan hun tienden brengen, zich er over beklagen inplaats van zich er in te verheugen.

Dat zijn bannen in het leger.

Zoo wordt 's Heeren gunst afgekeerd,

In verband hiermee deelen we mee wat Ds. Feringa in de Zuider Kerkbode schrijft:

In verscheidene kerken wordt geklaagd over geldelijken achteruitgang. De uitgaven blijven of klimmen; maar de inkomsten nemen af. Hierin ligt iets verontrustends. Niet in het verminderen van geldelijke bedragen; want God is rijk genoeg; ïen zoolang de God van Elia nog leeft, zijn er desnoods nog raven of weduwe spijskamers. Niet dus, omdat vermindering van inkomsten bij vermeerdering van uitgaven gebrek zou doen vreezen. Maar wel, omdat hierin zekere wereldgelijkvormigheid openbaar wordt.

Veler maatschappelijke welvaart vermindert en nu verminderen ook de gaven voor Kerken, Zending, School en Barmhartigheid. Zij moesten echter juist vermeerderen, nu God het onthouden der tienden komt bezoeken. Nu toch heeft het al den schijn, alsof het oude, domme bijgeloof weer opleeft, dat men vaa geven naar Gods gebod arm worden zou! In lijnrechten strijd met Maleachi 3!

De ervaring leert het anders 1 Nog voor eenigen tijd herinnerde „De Barmhartigheid" aan de volgende mededeeling van George Muller:

Eene kreupele en zwakke vrouw «die vroeger niet wist, hoe aan haar brood te komen en nu gedurende 10 jaren de gewoonte had gehad, om, naarmate de Heere haar zegende, voor Hem iets af te zonderen, begon met een zeer klein deel; zij gafvoor zijne weeshuizen één stuiver in de week; maar God zegende haar beplanten van een stukje land met aardappelen op zulke wijze, dat zij in 1858/120. - aan aardappelen bezat! Nu gaf zij een halven stuiver eiken dag, dus 3V2 stuiver in de week en aan het einde van 1859 had zij ƒ180 aan aardappelen. In i860 gaf zij twee maal zooveel als het vorig jaar en bezat aan het einde v.in het jaar ƒ240. In 1861 gaf zij dagelijks 10 cents of 70 cents in de week, en hare bezitting was aan het einde van 1861 tot/360.

Gedurende het jaar 1862 gaf zij dagelijks 15 cents en aan het einde van dat jaar had zij ƒ 540. In 1863 gaf zij 20 cent dagelijks en had zij aan het einde ƒ756. Gedurende het jaar 1864 was deze arme kreupele in staat om 30 cent dagelijks te gevend en aan het einde van het jaar had zij weder meer dan in het begin, want toen bezat zij aan varkens en aardappelen ƒ 900. In 1865 vermeerde zij hare bijdrage tot 40 et. per dag, en hare bezitting aan het einde van dat jaar was toen ƒ 1032. In 1866 gaf zij 50 cent per dag en hare bezitting was vermeerderd tot/i 116 Gedurende 1867 gaf z'i 60 < ^' P^'' ^^^' ^° "" ^^'^^'^ ^'i *a» he einde des jaars ƒ 1800. Toen zij mij schreef, ging zij altijd vooruit, altijd meer gevende. De reden, dat ik dit zoo nauwkeurig opgeef, is om te toonen, hoe waar God is in de uitspraken van Zijn Woord, waarvan ik er nu uit zoovelen slechts één zal aanhalen: Geeft en u zal gegeven worden eene welgeschudde en gedrukte en overloopende maat. Want met dezelfde maat, waarmede Gij meet zal u weder gemeten wor d'en"(Lukas 6 : 38).

Waarom wij dit woord van George Muller — waaraan men 2 Corinthe 8 en 9, Maleachi 3, enz kan toevoegen — overnemen? Om te herinneren, dat men van geven naar Gods gebod niet - arm vv'ordt. Men bedenke wél waarom, en waaraan men geeft. Maar vreeze dan ook aiets-l

Wie zou geven om op bovengenoemde wijze rijk te worden zou verarmen. Immers hij gaf niet aan Sod, maar dreef met God handel. Maar wie geett om Gods wil, dien mag deze herinnering de vreeze wegnemen, dat 't hem zou schaden.

dat 't hem zou schaden. Geeft dan den Heere !

Kerk, Zending, Diakonie, Onderwijs en Philantropie, willen zich met het aan Hem overbrengen van uw gaven belasten.

_ We voegen hier alleen nog bij: Zal de zegen niet uit het geven geroofd worden, dan moet het zooveel mogelijk zonder medeweten van menschen alleen '"oor den Üeere geschieden.

Och, dat het ons allen luste-!

Vinde dit goede woord zijn weg tot veler hart.

Zoovelen liggen gebonden aan hun klein Mammontje en kunnen er maar niet blijmoedig afstand van doen.

Ze laten anderen dubbel betalen, om er zelf met half betalen af te komen.

Als de Overheid op aarde dwingt, om al hooger belasting te betalen, volgen ze gedwee; rnaar als Koning Jezus hun de eere gunt, om in vrijheid te geven, houden ze de hand op de kist.

De aanmerking, waarop onze leader doelt, kwam voor in de 0-»erijselsche Kerkbode, en luidde aldus:

De Zuider Kerkbode ; bevat het volgende stukje van broeder Feringa, dat wij met instemming overnemen; liet luidt:

Zendixr onder Israel.'

In het «Kerkblad" worden de collecten en gaven, bijeengebracht voor de Zending onder de Joden, steeds verantwoord als te zijn bijeengebracht voor de Zending onder Israël.

Hiertegen bestaat bij sommigen bezwaar. Zij meeneu toch. dat Israël iets anders beteekent dan de Joden. Zij lezen in Gods Woord, dat na den Pinksterdag met Israël de Kerke Gods bedoeW wordt. En zij meenen, dat zij voor wie gecollecteerd wordt en giften verzameld worden, niet zijn Israël, maar de joden.

Wij zijn het met hen 'eens en zouden dan ook liever boven de verantwoording der collecten zien geplaatst «Zending onder de joden" jnplaats van «Zending onder Israël."

De Generale Synode deputeerde dan ook niet een vijftal broeders voor de Zending onder Israël, maar, blijkens de' Acta voor de Zending onder de

Het zal goed zijn als het spraakgebruik van het «Kerkblad" hier in overeenstemming wordt gebracht met de Acta der Gcner«le Synode'

Het is noodig dat men leere verstaan dat aan de Joden volstrekt niet het recht toekomt op den naam Israël. Het Israël Gods, is Christus Keik. Zoo is het gedurende alle eeuwen geweest. De vUeschelijke afstamming uit Abraham maakte op zichzelf genornen iemand niet een lid van Israël, maar de geestelijke kinderen van Abraham, den vader der geloovigen, behooren tot het zalige Israël.

De vleeschelijke afstammelingen van Abraham zijn joden, en kunnen zelfs niet meer gerekend worden in het verbond der genade. Zij zijn de afgehouwen tak, zij zijn uitgevallen. De joden onzer dagen kunnen zich in geen enkel opzicht sieren met den naam van het volk Gods. Zij zijn het niet. Wel heeft de Heere onder hen, evenals onder de heidenen en raohamedanen zijne uitverkorenen ten leven; maar eerst wanneer zij openbaar worden en door den heiligen doop worden ingelijfd in het verboi, d, kunnen wij ze rekenen iet Israël,

Opmerkelijk is dat ook in de oude bedeeling. toen Gods Kerk stond onder (Abraham's afstammelingen, en het joodsche volk, naar den aard dier bedeeling Israël mocht worden genoemd, toch naar Gods Woord alleen zijn volk dat volk was, waarvan de heilige apostel zegt: od heeft zijn volk niet verstooten, hetwelk Hij te voren gekend heeft. (Rom, 11 : 2).

Het stuk is van Dr. S. te H.

KUYPER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 februari 1893

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 februari 1893

De Heraut | 4 Pagina's