GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Om den arbeid zijner ziele.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Om den arbeid zijner ziele.”

9 minuten leestijd

Om den arbeid zijner ziele zal hij het zien, en verzadigd worden. Jes. 53:110.

In Jesaja's aangrijpende profetie van den »Man van smarten", spreekt tien verzen na elkander eerst de kerke Gods van het lijden, dat om harentwil op Messias komen zou: «Hij is om onze overtredingen verwond, en «^«^tf smarten heeft hij gedragen."

Maar daarna volgt in twee verzen, en wel in de slotverzen, heel iets anders. Niet wat de kerk van haar Redder, maar hetgeen God zelf van den Middelaar zegt: »Door zijne kennisse zal mijn knecht er velen rechtvaardigen".

En tusschen die beide stukken, van wat de kerk belijdt en hetgeen God belooft, komt terstond dit verschil uit, dat de kerk er toe neigt om op hét lijden des lichaams te hlyven staren, terwijl God zijn kerk wijst op wat Jezus leed in de ziel.

Bij de kerk heet het in haar belijdenis: »Als wij hem aanzagen^ was er geen gestalte dat wij hem zouden begeerd hebben, en als een lam werd hij ter slachting geleid".

Maar de Heere betuigt: Om A& a arbeid zijner ziele zal hij het zien en verzadigd worden. Door zijne kennisse zal mijn knecht er velen rechtvaardigen."

Voor de kerk aller eeuwen, en ook voor ons, een Goddelijk vermaan, om bij elk inleven in het lijden van Jezus tegen die eenzijdigheid van onze menschelijke neiging op onze hoede te zijn, niet in het uitwendig lijden van Jezus al zijn lijden te zien, en steeds door wat voor oogei is door te dringen tot het lijden dat hij leed in de ziel.

Liclit valt dit niet.

Schilderstuk en plaat, kermend lied en roerende beschrijving van wat op Golgotha gezien is, boeide sinds eeuwen het oog van wie door liefde en geloof aan den Man van smarten hing; aan het Kruis, dat men als voor oogen zag; en "kan wat op dat Kruis, onder het vergieten van het heiligst bloed, in het uitwendige geleden werd.

Zoo ooit dan moet hier het gevoel spreken, en bij verreweg de meesten wordt het gevoel dra sentiment, om ons te vangen in wat de verbeelding schouwt.

Dat spreekt de menigte toe. Daar staat het kind op. De vrouw wordt er st^ door. Wie nog gespeend is aan geloof, neigt hier toch tot

bewonderiag. Ook tot het medelijden van het door zooveel wreedheid geërgerd gemoed.

Ook is in de prediking veel roerends te teekenen en af te schilderen, want wat voor oogen is leent zich vanzelf tot vertolking in het hartaangrijpend, ziel en zinnen meesleepend woord.

En zoo dreigt het Kruis veruitwendigd te worden, in den Man van smarten de martelaar op den voorgrond te treden.

En toch moet die aandrift getemperd, moet aan dien zinlijken trek weerstand geboden.

Hoor maar wat de Heere u toeroept.

Het komt ten leste op het diepste aan, niet op wat voor oogen was, maar op wat geen oog bespied heeft.

Het diepste lijden was: de arbeid zijner ziel.

Het kost uw ziel inspanning om in dien arbeid der ziele van uw Jezus in te dringen.

Mysterie stapelt zich hier op mysterie!

Wat was, wat is Jezus' ziel?

Reeds stuit ge op een raadsel, 200 dikwijls ge aan uw eigen ziel denkt. Waar is die? Zeer z, eker in u; maar ontleed uw wezen en ge vindt ze niet. Ze schuilt, om alleen haar werkingen u te toonen. Ook voelt ge uw ziel in u. Maar zelve blijft ze u een mysterie. Eens scheidt ze uit den aardschen tabernakel, maar hoe en waar ze dan zijn en bestaan zal, gist ge niet. En nog minder verstaat ge het, hoe ze daarna "weer met uw lichaam zal hereenigd worden.

En al ziet ge van die latere raadselen ook af, nu reeds in het heden blijft uw ziel een raadsel voor uzelven. Wat is uw ik in onderscheiding van uw ziel ? Uw ik is iets anders dan uw ziel, want ge spreekt van: mijn ziel^ en gij zijt het die siel én lichaam bezit. Het een gaat dus in het ander niet op. Uw ik is van uw ziel onderscheiden. Maar hoe, en in hoeverre, en waardoor? Altegader nieuwe raadselen, nieuwe vragen, altoos weer opkomend uit het ondoorgrondelijk mysterie van uw eigen wonderbaar wezen.

En nu bij Jezus.

Zijns ook was een menschelijke ziel. Hierop mag niets afgedongen. Maar die ziel bij Jezus is nog veel meer dan bij ons van zijn innerlijk ik onderscheiden. Haast zoudt ge zeggen, voor hem was de ziel een natuurlijk gewaad, dat het Goddelijk ik aantoog.

Hij was en bleef God, en nochtans sprak zijn ik ons toe uit het voorportaal van een ziel aan onze ziel gelijk.

Een nog dieper zin en ondoorzoekelijk mysterie!

En in die ziel heeft uw Jezus geleden, gezwoegd, gearbeid. Ook wel in zijn lichaam, wast hij leed naar zijn volle menschheid. Maar dieper, banger toch nog in zijn ziel. In die ziel was de eigenlijke spanning. Daarin is doodende benauwdheid doorworsteld. In die ziel was de oorzakelijke arbeid, waarvan het lijden naar het lichaam slechts de uitstralende nawerking gaf te aanschouwen.

Mij dorst^ was hard, maar ge gevaelt het, met dat andere: sMijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten r" was dat klagend roepen om een druppel vocht, die zijn tong mocht verkoelen, ook zelfs van verre niet te vergelijken.

Jezus leed voor het oog, zoodat ieder het zag, want de kruisdood was een schrikkelijke dood, en het gevoel voor pijn moet in uw Jezus voorbeeldeloos teeder zijn geweest.

En toch doodelijke pijn is ook door andere menschenkinderen, is door meer dan één martelaar zelfs onder veel wreeder marteling geleden.

Maar wat niemand als uw Jezus leed, was de diep doorvlijmende, de doodelijk wondende smart zijner ziel.

Daardoor, door dien arbeid der ziel is Golgotha ganschelijk eenig. Nooit door ander lijden geëvenaard. Voor geen vergelijking met ons bitterst lijden ooit vatbaar.

En deswege kwam om dat lijden der ziel de alles te boven gaande glorie.

Om den arbeid zijner ziel zal hij het zien en verzadigd worden, zal hij en hij alleen de velen rechtvaardigen, en zal Ik hem een deel van velen geven, dat hij de machtigen uitdeele als een roof. "

En dat alles alleen om dat ééne, omdat zijn ziel den ontzettenden arbeid doorworsteld heeft.

Bij den martelaar is dit heel anders. Diens ziel jubelt en triomfeert nog, als reeds de zengende vlammen tegen het lijf opslaan, en de rook hem wil verstikken. Lichamelijk is zijn lijden hard, maar zijn ziel geniet. Hoe menig zong niet op het schavot nog een lofpsalm.

En daarom lag er achter den brandstapel geen Gethsemané. Dat Gethsemané heeft alleen uw Jezus gekend. En in dat Gethsemané heeft hij geklaagd, niet over de dreigende smart van het lichaam, maar over zijn ziel, over den weedom die zijn hart brak. Mijn ziel is geheel bedroefd tot der dood toe.

En in die worsteling der ziel, daarbij zag hij naar hulp van zijn jongeren uit. ïKunt gij niet één ure met mij waken? " En in die zielsangste drong het bloed hem uit de poriën. En in dien arbeid, dien doodelijken arbeid der ziel, heeft God hem ondersteund met zijn heiligen engel.

Hier ligt dus iets veel ontzettenders achter. Of hoe zou, waar de mensch die een martelaarsdood tegengaat, enkel door genade, zelfs alle vreeze des doods te boven komt, ja zelfs de held op het slagveld, soms het uitschreeuwend van moed en geestdrift, den dood in de kaken loopt, hoe zou daar uw Jezus zwakkelijk te kort zijn geschoten, om het sterven, om het pijnlijk sterven aan te durven, hij die de kroon reeds zag, die hem tegenblonk, en wist dat de geopende arm des Vaders hem wachtte.

Neen, die arbeid zijner ziele was heel iets anders.

Niet als God leed hij. Naar zijn Goddelijke natuur was hij voor lijden ongenaakbaar. Maar God zijnde, leed hij in de menschelijke ziel, die hij aangenomen had; evenals gij, in de ziel; van zondig ziektegif vrij, nochtans onschuldig met het gif der zondeziekte die uit de vleeschelijke zonde opkomt, in uw lichaam kunt besmet worden.

In zijn ziel was niet maar een opwelling van hefde; want liefde is geen lijden. Noch ook alleen een aandrift tot gehoorzaamheid aan den Vader, want gehoorzaam zijn maakt blij. En ook niet alleen de heldenmoed des geloofs, want heldenmoed doet jubelen.

Neen, uw Jezus had in zijn ziel met uw zonde te doen. Niet zoo, dat hij alleen aan uw zonde dacht, en de intentie had om er voor te sterven maar zoodat hij in zijn ziel uw zonden droeg.

Een mysterie, het zij u toegegeven, maar dat ge daarom noch wegcijferen noch veruitwendigen moogt.

Jezus droeg de zonde, en zonde dragen is het voelen, het ondergaan, het lijden van den toom Gods die er tegen uitgaat. Den toorn Gods, zooals onze Catechismus zegt, tegen de zonde van ons gansche menschelijke geslacht.

Niet als een optelsom, de zonde van a-f-b-j-c. Maar, omdat hij onze tweede Adam, ons tweede Verbondshoofd was, de geconcentreerde zonde van heel ons geslacht. De zonde als schrikkelijke kiem van alle zonde. Het gif op zijn sterkst. De zonde in haar helsche wezen. Van alle zonde de innerlijke demonische saamvatting. En daartegen ingaande de volstrekte toom van Gods heilige majesteit, op zijn ziel inwerkende met dood-, eeuwigen dood-ademenden vloek.

Dat was zijn zieleangst, dat zijn doodelijke zielsbenauwing, dat het zwoegen zijner schier bezwijkende ziel, waarin hij het ten slotte voelde, niet dat hij als God van God losscheurde — dat kan in eeuwigheid niet — maar dat zijne ziel van God losbrak, en God zijn ziel losliet, en hij het voor alle duivelen en engelen uit moest klagen: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten! Eli, Eli, lamma sabachtani!

tani! En dit ging door tot in den dood.

Niet een dood als het sterven van Gods kind, als in doorgang tot het eeuwige leven. Maar een verzinken in de diepte van den eeuwigen dood, waarin alle schepsel voor eeuwig zou verzwolgen en bezweken zijn, en waaruit hij alleen op kon komen, omdat de Vader hem met zijn almachtigheid hield, en hij, zelf God, den dood te sterk was, zoodat de dood hem niet kon houden.

En daarom kon zijn ziel niet verkwikt worden, eer het uit was; eer in den eeuwigen dood de zonde der wereld die hij droeg, weer van hem gleed.

En toen was zijn ziel vrij.

En toen zag hij het aan den arbeid zijner ziel, wat heerlijkheid verworven, wat buit gewonnen was, wat glans zonder eind hem tegenstraalde.

Het lijden des lichaams was er daarom ook wel. En ook dat was naamloos. Maar toch in dat lijden, door het vergieten van zijn bloed, kon alleen de arbeid zijner ziel de reddende waardij instorten.

Wat Jezus in de ziel leed ging het diepst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 maart 1897

De Heraut | 4 Pagina's

„Om den arbeid zijner ziele.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 maart 1897

De Heraut | 4 Pagina's