GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van de tien geboden.

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

Van de tien geboden.

20 minuten leestijd

XXXVI.

HET DERDE GEBOD.

VII.

De Heere is nabij allen, die Hem aanroepen, allen die Hem aanroepen in der waarheid. Psalm 145 : 18.

Het opheffen van 'sHeeren Naatvt legen het t/deU in het samnleven met o'jxz medemenschen geschiedt, naar wij een vorig maal zagen, door het verbreiden, ea het belijdeti van dien Naam.

Daarmee is echter wat God ons in het derde Zijner geboden gebiedt, nog niet uitgeput.

Het „Gij zult Mijn Naam heiligen"! sluit ook in zich wat de Schrift noemt: het aanroepen van Gods Naam.

De Heere is nabij allen, die He^ aanroepen, allen, die Hem aanroepf.n Jn der waarheid, zoo zingt de dichter van den I45sten psalm.

Het aanroepen van Gods ISfaam is het aanroepen van God Zelf, vaa den Zich in de natuur of de schrift.aur openbarende God. Hem roepen opd^t Hij ons hoore; Hem er bij roepen o^^dat Hij ons te hulp kome.

En dat aanro'^^pg^ van Gods Naam is altijd een bidd^^ ^^^ spreken tot uw God.

Maar zoo verstaat ge dan ook, dat dit aanroepen y^jj Qods Naam met vreeze en eerbieding moet geschieden.

Die den Heere aanroepen is Hij nabij.

Hij nadert dan tot hen.

Hij, de Hooge en Verhevene.

Van niemand blijft Hij verre, die Hem aanroept in der waarheid.

In waarheid, d. w. z. zóó, dat dit bidden, dit aanroepen van harte gaat en heilige «ernst is, gelijk de Heere Jezus dan ook spreekt van een aanbidden in geest en waarheid (Joh. , 4 : 24),

En hierin ligt dan ook de machtige vertroosting van dat woord uit den I45sten psalm.

De vertroosting, dat uw God u nabij is, als gij Hem van harte en ernstig aanroept.

Een vertroosting voor ieder benauwde ziel. Een vertroosting onder het lijden en de smarten des levens.

Machtig en daarbij teeder en innig als dat andere psalmwoord: n roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eeren (Ps. 50 : 15). Dat andere psalmwoord, waarvan God Zich voor Zijn kinderen zoo telkens een waarmaker betoont, maar waarbij velen hunner dan in de vervulling van het: En gij zult Mij eeren", zoo dikwijls te kort schieten.

Een vertroosting is het, dat uw God u nabij is als gij Hem aanroept.

Dat gij dus nooit alleen zijt.

Ook als de menschen u alleen laten.

Dat gij altijd uw God nabij u kunt hebben.

Maar ook is het voor 'n godvruchtige ziel een gewaarwording van ontzag.

God nabij zich te hebben.

En deze vertroosting en die gewaarwording van ontzag heeft ook alleen de godvruchtige.

Want allen die Hem aanroepen, niet in der waarheid; niet zóó, dat het van harte gaat en zij het ernstig meenen; is Hij niet nabij.

Van de huichelaars toch, van hen, die Hem maar aanroepen met hun mond en Hem maar eeren met hun lippen, blijft Hij verre, omdat hun hart verre van Hem blijft. (Jes. 29 : 13).

Is het aanroepen van Gods Naam altijd een bidden, dit bidden nu kan op verschillende wijze geschieden.

Wij hebben vroeger gezien, hoe het aanbidden als een inblijvende daad onzer ziel, nog weer te onderscheiden is van het bidden. Wij kunnen God aanbidden in ons hart, zonder dat daarbij nog een woord over onze lippen komt. Maar ook wanneer wij daarbij woorden geven aan wat er in ons hart is, wanneer wij de stemming der aanbidding uitdrukken in hoorbare klanken, is dit aanbidden, deze adoratie, nog iets anders dan het bidden in enger zin. Dit bidden in enger zin toch is een aanroepen van Gods Naam, een aanroepen van den Zich openbarende God, om uitredding uit geestelijken of stoffelijken nood.

Uit eigen of ook uit anderer nood, dien wij dan medevoelen en medelijden.

En aan dit bidden paart zich dan straks het danken.

Nu is het 'smenschen plicht, zoowel God aan te bidden als tot Hem te bidden.

Zeker, deze tweeërlei zieleactie is niet streng te scheiden, ook al is zij te onderscheiden. In het Onze Vader, dat de Heere Jezus, zoo als het bij Mattheus staat, met zijn: Gij dan bidt aldus: (hoofdst 6:9 — 13) ons als e«n formuliergtbtA heeft gegeven en zoo als het bij Lukas staat met zijn: Wiinneer gij bidt, zoo zegt: h. 11:2—4) Ons als een model of voorbeeld van 'n gebed heeft gegeven, vindt gij zoowel het aanbidden als het bidden in enger zin.

Toch kan men zeggen, dat het aanbidden als inblijvende aetie des harten bij zonderlijk een plicht is geëischt door het eerste gebod, en het aanbidden met woorden meer een plicht is geëischt door het tweede gebod, terwijl het bidden in enger zin, zoowel aan het tweede als derde gebod is gebonden.

Daarom zullen wij dan hier ook niet herhalen, wat reeds bij de bespreking van het eerste en het tweede gebod over het aanbidden, en bij dat van het tweede over het bidden als een onderdeel van den eeredienst of cultus is gezegd.

Waar wij in dit en het volgend artikel over het bidden handelen, geschiedt dat in dien engeren zin, waarin ook onze Heidelberger het bedoelt, wanneer hij, bij de verklaring van het derde gebod, zegt: „opdat Hij van ons aangeroepen worde" (antw. 99),

Het gaat hier dus uitsluitend om de aanroeping of invocatie van Gods Naam en wel enger nog, buiten den eeredienst, althans buiten den publieken of kerkelijken eeredienst.

Om het aanroepen van Gods Naam in de nooden des levens; in die geestelijke nooden welke een onmiddellijk gevolg zijn van de zonde, die in de menschenwereld, in het saamleven met onze medemenschen, indringt en juist door het aanroepen van Gods Naam kan worden bestreden, gekeerd, teruggedrongen.

En dit aanroepen van Gods Naam, dit bidden in enger en hier nog nader bepaalden zin, geschiedt dan, zooals reeds in een vorig artikel werd gezegd, op c/rzVéy/^z" wijze. Om het goddelooze te keeren in den heiligen vloek; om een beslissing te verkrijgen in het lot; om trouw en waarheid te bevestigen in den eed.

Wij leggen hier nog eens er den nadruk op, dat dus èn de heilige vloek èn het lot èn de eed een bidden is; een religieus handelen. Zij vallen daarom ook nog onder de eerste drie geboden, die over onze plichten jegens God gaan.

In dit artikel zullen wij nu verder spreken over den heiligen vloek en over het lot.

Wij twijfelen niet of de gedachtenverbinding van „heilig" en „vloek" zal voor sommige onzer lezers ongewoon zijn.

Te spreken van een heiligen vloek zullen zij minstens bevreemdend achten.

Is vloeken 'n bidden, een aanroepen van Gods Naam, het zij dan al of niet in waarheid, en nader een afbidden van God van kwaad over onszelf of over onzen medemensch; hem of onszelf aan de wraak Gods toewijden; hem of onszelf verwenschen of kwaad toe wenschen; hem-of ons zelf buiten de gunste Gods stellen; de bevreemding, die het spreken van 'n heiligen vloek mag wekken, zal wijken indien men zich slechts even herinnert, hoe in de Schrift meer dan eens kwaad over hun medemenschen van God wordt afgebeden door de uitnemendste heiligen.

Vaak leest men in de Schrift van een klagen van Gods heiligen bij Hem over hunne medemenschen. Zoo klaagt David in den 3en psalm, toen hij vlood voor het aangezicht van zijn zoon Absalom: o Heere! hoe zijn mijne tegenpartijders vermenigvuldigd ! velen staan tegen mij op. Velen zeggen van mijne ziel: Hij heeft geen heil bij God (vs. 2 en 3). Zoj in den i3en psalm: Hoelang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn. (vs. 3). Zoo in den 38sten: Mijne liefhebbers en mijne vrienden staan tegenover mijne plage, en mijne nabestaanden d staan van verre; en die mijne ziel zoeken, spreken verdervingen, en zij overdenken den ganschen dag listen (vs. 12 en 13).

Ja, in den 23sten psalm klaagt zelfs de lijdende Messias tot zijn God: Allen, die Mij zien bespotten Mij; zij steken de lip uit; zij schudden het hoofd, zeggende: Hij heeft het op den Heere gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft (vs. 8 en 9) en dan in VS. 17—19, profetie van al dat schrikke lijke dat tot in de kleinste bijzonderheden toe eens op Golgotha zijn vervulling zou vinden: Al mijne beenderen zou ik kunnen tellen, zij schouwen het aan; zij zien op mij. Zij deelen mijne kleederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.

En ook de heilige Apostel Paulus klaagt over zijn medemenschen: n mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet t3fe: rekend. (2 Tim. 4 : 16).

Dan, dit kUgeh o 'er het leed, dat hun medemenschen hun persoonlijk aandoen, is nog geen vloeken.

Zeker is ook dit klagen een aanroepen van Gods Naam; een bidden, dat Hij de boosheid der menschen afwende, en het is den christen, indien hij althans van zijn medemenschen heeft te lijden, „als een Christen", (i Petri 4 : 16), d. i. om zijn christen-zijn of om de zaak van Christus, — geoorloofd dus tot God te klagen. Toch is ook hierbij ernstige zelfcritiek noodig, want niet alle leed dat menschen ons aandoen, doen zij ons aan om ons christen-zijn; maar vaak ook om ons allesbehalve christelijk handelen.

Maar hoe dan ook, het klagen over onze medemenschen bij God is nog niet de heilige vloek.

Dan, ook van den vloek, den heiligen vloek door Gods kinderen uitgesproken over hunne medemenschen, vindt gij tal van voorbeelden in de Schrift. Zoo, waar Noach zegt tot zijn zoon Cham: ervloekt zij Kanaan; een knecht der knechten zij hij zijne broederen (Genesis 9 : 25).

Waar Josua zegt tot Achan: oe hebt gij ons beroerd I de HEERE zal u beroeren te dezen dage. (Josua 7 : 25). Verder, waar David bidt in den Sen Psalm over de goddeloozen : Verklaar hen schuldig o God! laat hen vervallen van hunne raadslagen; drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen ; want zij zijn wederspannig tegen U (vr. s). Of waar hij bidt in den I44sten: eig Uwe hemelen, HEERE, en daal neder; raak de bergen aan dat zij rooken. Bliksem bliksemen en verstrooi hen; zend Uwe pijlen uit en verdoe hen (vs. 5 en 6), op welke plaats dan onder „de bergen, " de vijandige wereldmachten zijn te verstaan. Eindelijk, de z.g. „vloekpsalmen, " waarbij wij slechts herinneren aan de ontzettende verwenschingen van psalm 69 en 109 en waarbij de door Gods Geest geïnspireerde zangers, evenals de profeten met hun vloek dien zij aankondigen, optreden als verkondigers van Gods oordeelen.

En niet slechts het Oude, maar ook het Nieuwe Testament kent den heiligen vloek. Wij denken daarbij aan het: ee u! van den Heiland, de interjectie van smart en toorn, tegen Schriftgeleerden en Pharizeën; aan Zijn: ee u! over de drie onboetvaardige steden van Galilea: horazin, Bethsaïda en Kapernaum. Aan Paulus woord tegen Elymas, den toovenaar: Gij kind des duivels, vol van alle bedrog en arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid! zult gij niet ophouden te verkeeren de rechte wegen des Heeren I En nu, zie de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijnen de zon niet zien voor een tijd (Handelingen 13 : 10 en 11). Aan Paulus' woord uit den isten Korinthen-brief: ndien iemand den Heere Jezus Christus niet lief heeft, die zij eene vervloeking; Maranatha! (h. 16 : 22), op welke plaats het laatste woord een samenvoeging is van de twee Syro-Chaldeeuwsche woorden, Marana atha „onze Heer komt, " en het voorlaatste woord de vertaling is van „anathema, " letterlijk het (in den tempel) geplaatste, het aan de godheid gewijde. Reeds in de vertaling der Zeventigen is o anathema gebruikt als overzetting van het t Hebreenwsche Cherem oiBan. Hier door Pau­ v lus gebruikt, later bij de kerkvaders en van s daar in de taal der kerk is het e.en G staande uitdrukking voor wat van de n kerkelijke gemeenschap is uitgesloten.

Ten slotte zij hier ook nog gewezen op twee woorden van den heiligen apostel uit den Galatenbrief. Op vs. 8 van h. i: Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel, u een Evangelie verkondigden, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt! Anathema esto! En op VS. 12 van h. S: Waar de apostel van de Joden-Christenen, die de besnijdenis dreven, zegt: Och, of zij ook afgesneden wierden, die u onrustig maken! wat dan beteekent öf afgesneden van de Gemeente èf gelijk anderen willen, dat zij zich ook versneden! d. i. ontmanden.

Zoo bleek dan, dat de heilige vloek lang niet een zoo zonderlinge gedachtenverbinding is, als sommigen wel meenen.

De Schrift, zoowel het Oude als het Nieuwe Testament, kent een ^£Ï7«^ vloeken.

Wel is dit geen algemeene plicht, gelijk het gebed, maar de Schrift leert ons, dat r tijden en omstandigheden kunnen zijn, waarin het geoorloofd is, waarin het plicht is den nemen.

Vele Christenen, wier ziel door twijfel a verscheurd, altijd slingert tusschen geloof en ongeloof; wier liefde voor hun God en Zijn eere slechts lauw is en die daarom tegen de zonde niet kunnen toornen, verstaan van zulke dingen als de heilige vloek is, niets.

De Christelijke liefde, die toch niet anders is dan de heilige liefde tot God en daarom juist de heilige haat tegen al wat goddeloos is, dunkt dezen geesteskinderen van Laodicea te bestaan in een zekere zoetsappigheid, aan alle bitterheid tegen het goddelooze vreemd. Deze Eli's naturen, welke als hun naasten zich hebben vervloekt gemaakt, die naasten niet eens zuur aanzien (i Sam. 3 : 13).

En als zulke Christenen dan hooren van 'n heiligen vloek, dan vragen zij meewarig: „Is dat nu liefde? "

Maar anders staat het met die Christenen, wier geloof vast is, en wier liefde voor God en Zijne eere vurig is. Zij kunnen het niet verdragen, wanneer hun lieve God wordt gehoond, en dan wordt hun toorn ontstoken en dan ontbrandt hun ijver tegen deze schenders van 's Heeren Majesteit.

Dan wordt hun ziel ontroerd, en de heiligheid in hen wordt tot een vuur in hun beenderen, en ook al bemoeiden zij zich om te verdragen, zij kunnen niet (Jeremia 21 : 9). En om dan het goddelooze te keeren, bidden zij in den heiligen vloek, dien zij tegen Gods vijanden slingeren.

Dit is de energie der heilige liefde voor God en Zijn zaak.

Het is de taal, die over de lippen komt, wanneer de heiligen God bidden, dat Hij Zijne en hunne vijanden, die met een onverzoenlijken haat niet ophouden God te tergen, en de vromen te vervolgen, als de rechtvaardige Rechter met Zijn oordeelen straffe. Een taal, die gij ook beluistert in dat slot van het antwoord van onzen Heidelberger op de vraag: Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordeelen de levenden en de dooden} „Dat ik een Rechter uit den hemel verwacht; die al Zijne en mijne vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelsche blijdschap en heerlijkheid nemen zal." Een taal die geoorloofd is, wijl God Zelf de zonde, het goddelooze, het ijdele vloekt.

Dan, al staat dit heilig vloeken zedelijk hoog; veel hooger dan de onaandpenlijkheid, e apathie, die zich over het goddelooze niet meer kan verontwaardigen; al zijn er mstandigheden waarin het mag en moet, — och dient ook hier door Gods kind de uiterte omzichtigheid gebruikt.

En daarom dient als regel gesteld, dat de heilige vloek alleen mag uitgesproken tegen hen, die God Zelf vloekt, dat is tegen Zijn ijanden; alleen mag uitgesproken waar het eldt de zaak Gods, en nimmer waar het geldt nze zaak, of omdat men ons heeft beleeigd; dat hij alleen voorwaardelijk mag itgesproken, d. i., indien zij, die men dus loekt, zich niet bekeeren van hun goddeoosheid; en eindelijk, dat het doel moet zijn niet een ons verblijden over den ondergang van onzen medemensch, maar om door et opheffen van Gods Naam, te keeren het goddelooze in hem, met de verderfelijke werking, die daaruit opkomt.

Ten slotte zij er hier nog op gewezen, oe de Schrift ons ook verhaalt, van twee verwenschingen, door heilige Godsmannen ver zichzelven uitgesproken, en die althans ot op zekere hoogte onder den heiligen vloek allen. Wij bedoelen wat in Exodus 32:32 taat te lezen van Mozes: u dan, indien ij hunne zonden vergeven zult! doch zoo iet, zoo delg mij uit uw boek, hetgeen Gij eschreven hebt; — en wat Paulus schrijft in omeinen 9 : 3 '• Want ik zou zelf wenschen erbannen te zijn van Christus, voor mijne roederen, die mijne maagschap zijn naar et vleesch. Beide spraken zeker slechts vooraardelijk en daarbij getuigen hun woorden an een innige liefde, zoo voor hun volk als oor de glorie van God, die zich openbaart n het behoud van Israël. Toch is zulk biden ons hier niet ten voorbeeld gesteld. Het s ons nimmer geoorloofd, voor ons zelftot edding van anderen, al zijn zij ons nog oo lief, eeuwig verderf en uitsluiting van de emeenschap met Christus af te bidden.

Wat nu betreft het lot, zoo is dit evenzeer en heilige handeling, een in enger zin reUieus handelen, waarbij men God aanroept m Zijn beslissing in gevallen waarin ons erstand of onze beslissing te kort schieten.

Eerst waar men dit weer inziet, zal men erstaan dat ook het loten een bidden is n men dus alle recht heeft om te spreken an het heilige lot.

Het lot is een algemeen menschelijk gebruik n dan ook aan de heidenen niet vreemd.

Het berust ook bij hen op het geloof an Gods bijzondere voorzienigheid, dat, hoe ook in de heidenwereld met bijgeloof vermengd, hooger staat dan het modern atheïstische ongeloof aan een levenden God.

Zoo bezien valt eerst op het lot weer het rechte licht, en voelt men, hoe het misbruiken van het lot een' misbruiken van het heilige is.

Ware nu ons verstand niet door de zonde verduisterd, dan zou het lot niet noodig zijn. Tegen de duisternis in ons; tegen het geen licht hebben in 'n zaak, roepen wij bij het lot Gods Naam aan om een beslissing te verkrijgen.

Deze algemeene beteekenis van het lot als middel tot navorsching van Gods wil en oordeel ligt uitgesproken in het woord van den Spreukdichter: et lot wordt in den schoot gev/orpen, maar het geheele beleid daarvan is ]van den Heere (h. 16:33).

Loten is dus een zeer ernstige zaak; een godsdienstige handeling.

Immers wijl er geen toeval is, al zijn er ook, gelijk vroeger in on«: e artikelen in den breede is uiteengezet, voor ons contingente, gebeurlijke of toevallige dingen, gaat ook het lot niet buiten Gods voorzienigheid om.

Men onderscheidt gewoonlijk drieërlei soort van lot.

Onze oude zedeleeraars spraken van de sors divinatoria of het lot van »voorspelling", van openbaring van toekomstige dingen, en wezen dan als voorbeeld op de Urim en Tummin in den borstlap van den hoogepriester in Israël (Num. 27 : 21 en Ex, 28 : 30).

Verder, van de sors consultatoria of het lot van „raadpleging". Met het eerste is dit wel nauw verwant, maar er toch van onderscheiden. Zij wezen dan als voorbeeld daarvan op het gebruik van het lot om de misdaad door Achan gepleegd uit te vinden, ons verhaald in Josua 7; op het gebruik van het lot waardoor Jonathan ondekt werd als overreder van Sauls gebod om, vóór den avond van den slag tegen de Filistijnen, spijze e gebruiken (i Sam. 14 : 41 en 42); en ook p het gebruik van het lot bij de twee bokken p den grooten verzoendag, waarvan ons esproken wordt in Leviticus 16:8 : En aron zal de loten over die twee bokken erpen, een lot voor den HEERE en een ot voor den weggaanden bok.

En eindelijk spraken onze oude gereforeerde moralisten van de sors divisoria of et lot van „verdeeling". Daarvoor wezen ij dan op het lot waarbij het land Kanaan nder Israels stammen verdeeld werd. Op ehemia 10 : 34: ok wierpen wij de loten, nder de priesters, de Levieten en het volk, ver het offer van het hout om te branden op et altaar des HEEREN. Op de ambtsdagen er vierentwintig priesterorden waarvan ons erhaald wordt in Lucas i : 9, als van acharias gezegd wordt, dat hij het priestermbt bediende voor God in de beurt zijner agorde, waarde gewoonte der priesterlijke ediening hem te lote was gevallen, dat hij pu ingaan in den tempel des Heeren om e reukofferen. Op de Apostelkeuze tusschen ozef en Matthias waarvan in Handelingen : 26 staat te lezen: n zij wierpen hunne oten, en het lot viel op Matthias.

Onze moralisten waren van oordeel dat lleen het laatste soort van loten, het lot an verdeeling, den christen geoorloofd is.

Dat van de eerste en tweede soort, het ot van voorspelling, en het lot van raadleging, achtten zij wat het eerste betreft itsluitend gebonden aan den van God ingetelden dienst voor den tijd der schaduwen, n wat het tweede betreft uitsluitend te beooren tot de oude Bedeeling met haar aedagogisch karakter.

Beide wijzen van loten komen dan ook n het Nieuwe Testament nergens voor.

Het eigenwillig indringen in de toekomst, ie God voor ons verborgen houdt, door het lot van voorspelling", noemt onzeVoetius ortweg een „vermetelheid". En ook in twijelachtige gevallen te weten willen komen oor het „lot van raadpleging", wat geooreeld of gedaan moet worden, werd als een verzoeken" van God geacht. Ook de „bijelsche loting", het bekende opslaan van en bijbelplaats of het met gesloten oogen en vinger leggen op een bijbelplaats om aardoor dan een beslissing te krijgen wat en moet doen, werd als een misbruik van ods Woord, als „waarzegging met den ijbel" afgekeurd. Ja, door sommigen werd ok het „vragen van 'n teeken" als „tenatio Dei", als „verzoeken Gods" veroordeeld. aar gereformeerde moraal voegt een hristen in al zulke gevallen slechts het ebruik van zijn verstand, bij gebed om ezonnenheid en wijsheid en onderzoek van e Schrift, ter beproeving van wat den eere welbehagelijk zij. (Efeze 5 : 16.)

Blijft dus alleen als geoorloofd over „het lot van verdeeling".

Van dit lot heet het in Spreuken 18 : i8: Het lot doet de geschillen ophouden en maakt scheiding tusschen machtigen.

Onze Amesius gaf er deze, door Voetius een volle en doorzichtige definitie genoemde, bepaling van: Het lot is een bede, om een goddelijke getuigenis te kennen te geven, tegenover bloot gebeurlijke zaken, tot het doen opheffen van strijd.

Bij zulk een verdeeling toch gaat het om twee of meer willen, die ieder voor zich aanspraak maken op één zelfde voorwerp en straks in strijd zouden geraken, wat dan door onderwerping aan het lot vermeden wordt.

Daarom mag in gevallen, waarin men in het onzekere is, aan wie goederen, eerbewijzen, arbeid, lasten, — een geval, dat onze ouden dikwijls stelden, was: wie van de dienaren des Woords b'j een pestziekte in de stad zouden blijven, of wie zou vertrekken — moeten toebedeeld, het lot ter beslissing gebruikt.

Dan, wijl loten bidden is en dus een heilige zaak, heilig als de eed, is men als Christen ook bij het lot aan zekere regelen gebonden.

En dan geldt als regel, dat men niet vermetel naar het lot grijpe, dat wil zeggen eerst dan, wanneer het bepaald noodig is en men geen anderen uitweg ziet; dat men met vreeze en eerbied nadere tot het lot, wijl het metterdaad een aanroeping van Gods Naam is, een bidden om openbaring van Zijn bijzondere Voorzienigheid, van bepaling van Zijn wil en oordeel, in welken wil men dan ook heeft te berusten; en eindelijk, dat men het lot niet anders gebruike dan bij rechtvaardige en geoorloofde, ernstige en belangrijke zaken.

Ook van het lot geldt: e HEERE is nabij allen, die Hem aanroepen, allen die Hem aanroepen in der waarheid (psalm 145 : 18). Het lot is een godsdienstige handeling; een heilige zaak.

Loten is, bidden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 november 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Van de tien geboden.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 november 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren