GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van de Voleinding.

22 minuten leestijd

CLXXVI.

VIJFDE REEKS.

XXXVIII.

Al de Schrift is van Ood ingegeven, en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is. 2 Timotheus 3 : 16,

Het laatste stuk van Christus' inwerking op zijn Kerk hier op aarde raakt de Heilige Schrift. Gedoeld wordt hiermede niet enkel op de ingeving, die bij de vervaardiging van de geschriften des Nieuwen Testaments plaats greep, maar ook op de bewaring en bijeenvoeging van de onderscheidene deelen tot één - geheel, en het ter beschikking stellen van geheel dat Nieuwe Testament voor de Kerk aller eeuwen. Van meer dan één zijde is er reeds vroeger op gewezen, dat ook in de/.e • bijeenzameling een officieel sanctioneeren van het Nieuwe Testament, en in het uitvaardigen van dit Nieuwe Testament in verband met het Oude Testament, als Bijbel, een Goddelijke leiding te eeren valt. Guericke liet zich in zijn NeiitestamentlicJie Isagogik, 3e ed., Leipzig 1868, blz. 543 en 595, hierover in dezer voege uit: »Gelijk bij het ontstaan van de Nieuwe Testamentische Geschriften, in de Inspiratie, een Goddelijk doen heerscht, zoo treedt nu ook de Bijeenzameling van het Niej.uve Testament voor ons als een werk van Goddelijke bemoeiing; ook al is het dat hier minder aan een rechtstreeksche ingrijping te denken valt, zoo is hier toch een Goddelijke bemoeiing te eeren, die strekte om door een providentïeele leiding een Schriftelijk getuigenis tot stand te doen komen, dat voor de gronding van het Godsrijk onmisbaar was". En op blz. 595 betuigt hij dan nogmaals: «Gelijk de erkenning en bijeenverzameling van de Nieuw-Testamentische Geschriften, in verband met het Verlossingswerk Gods, een Goddelijke leiding verraadt; .. . zoo is er evenzoo een Goddelijke bemoeiing te eeren in het uitschiften van allerlei valsche geschriften, en is het, wel niet in letterlijken zin, maar toch als geheel, zuiver bevonden in den tekst dezer evangeliën en brieven."

Slechts in zooverre zegt dit ons niet genoeg, dat Guericke, en zoo ook zijn geestverwanten, hierbij geheel zwijgen van den Christus. Hun beweren maakt den indruk, alsof geheel deze ingereedheidbrenging en uitvaardiging van den Bijbel buiten Christus is omgegaan, en eeniglijk uit de Goddelijke Voorzienigheid zoude zijn te verklaren. Hierin nu mogen we niet berusten. Zeer zeker is het Gods Voorzienig bestel, dat ook het ontstaan en de verspreiding van het Nieuwe Testament beheerscht heeft, maar ook hierbij bediende de Goddelijke Voorzienigheid zich van organen of instrumenten. Van God gaat alles uit. Een man als Paulus ontving van God zijn karakter, zijn aard, zijn geest, zijn vorming, zijn opv.oeding, maar bij en voor dit alles bediende God de Heere zich van zijn vader, moeder, familiekring, opvoeders en leermeesters als instrumenten, om dit resultaat bij den apostel van Tarsen te bereiken. En zoo nu ook is het hier. Het is ook hier Gods Voorzienig bestel, dat aan de Kerk van Christus het Nieuwe Testament, en in samenvoeging met het Oude Testament, den geheelen Bijbel heeft doen toekomen, maar ook dit werk is tot stand gebracht door organen en instrumenten. Die organen en instrumenten nu waren ten deele de geroepen schrijvers, maar zulk een orgaan was ook, als boven hen staande en ze allen leidende, de Cliristus. Het gaat niet aan, bij zoo gewichtig stuk als het tot stand brengen van den Bijbel was, zich den Christus als er buiten staande weg te denken. Ook hierbij heeft de Christus, als Hoofd zijner Kerk, zijn leiding doen uitgaan, was bij hem de heerschappij, trad hij zelf op als orgaan van God Drieëenig, en was het in engeren zin zijn daad die het groote feit tot stand bracht, dat zijn Kerk op aarde haar Bijbel ontving. Na zijn Hemelvaart heeft de Christus dit werk dan ook tot stand gebracht, en gelijk we er op wezen, dat hij 't was die den Heiligen Geest uitstortte, dat hij 't was die Paulus als apostel aan zijn Kerk gaf, dat van hem de verwoesting van Jerusalem en van den Joodschen volksstaat uitging, dat van hem het heilig Testament kwam, dat hij in de Apocalyp.se van Johannes aan zijn Kerk schonk, zoo ook is het de ten hemel gevaren Christus, die aan zijn Kerk, na de wegvalling van het apostolaat, den Bijbel als grondslag van belijden en leven ter beschikking heeft gesteld. Ook andere religiën droegen zulke verbindende Geschriften uit; men kent de Veda's uit Indië, de Zend Avesta van de Perzen, de Khoran van Mohammed, en tot op zekere hoogte kunnen deze dan ook met 'den Bijbel vergeleken worden, in zooverre een religie, om de schare te beheerschen, een toongevend boek van noode heeft. Maar ook al wordt tot op zekere hoogte de vergelijking toegelaten, tot is het uitgaan in de wereld van de H. Schrift, d.i. van den Bijbel, een gebeurtenis van alles overtreffend gewicht geweest, en het is aan den Christus, die na zijn hemelvaart aan Gods rechterhand was gezeten, aan wien den eere ook van dit Middelaarswerk toekomt. Gods Voorzienig bestel schonk aan de wereld den Bijbel, maar de Middelaar beschikte zulks, als orgaan van dit bestel Gods.'

Uiteraard heeft dit alleen betrekking op het Nieuwe Testament. Het Oude Testament bestond reeds, toen Jezus te Bethlehem geboren werd, was in eere, en oefende zijn gezag. Voor wat het Oude Testament betreft, moet dus voor alles worden vastgesteld, dat de Christus het gezag van het Oude Testament bezegeld en het als eerste deel van de H. Schriften in zijn Kerk aanvaard heeft. Bij haar eerste optreden beschikte de Kerk van Christus nog alleen over het Oude Testament, en het Nieuwe is eerst daarna bij het Oude bijgekomen. Toen het Nieuwe Testament kwam, is het Oude in Christus Kerk niet ter zijde gelegd, als had 't nu uitgediend, en als zou het thans door het Nieuwe Testament vervangen worden. Veeleer was en bleef het Oude Testament de oudste Openbaring, die als grondslag diende, en is de Openbaring van het Nieuwe Testament hieruit als geboren. Wat het Nieuwe Testament geeft, lag in het Oude Testament reeds bij wijze van kiem verscholen. Het Oude Testament is de'oude stam, waarop het Nieuwe Testament geënt is. Juist daarom kan er niet genoeg tegen geijverd worden, alsof alleen het Nieuwe Testament, als ons speciaal aangaande, onder de leden van Christus Kerk zou worden rondgedeeld. Zelfs ware het gewen.scht geweest, dat men nooit 't Nieuwe Testament afzonderlijk had uitgegeven. En ter eere van de Gereformeerde Kerken van alle eeuwen mag betuigd, dat onzerzijds steeds op het eeren van den ganschen Bijbel is aangedrongen, en dat het apart rondde'elen van het Nieuwe Testament, dat vooral van Methodistische zijde, en ten deele ook in de Luthersche Kerk, aanbevolen werd, bij ons geen ingang vond. Van zelf is het »Nieuwe Testament alleen" beter dan niets, maar het is nooit de Bijbel, en toch is het niets minder dan degehcelc Bijbel, waarop de Christus zijnKerk gegrondvest heeft.

In verband nu hiermede is het van het grootste gewicht, dat het getuigenis van den . Christus omtrent de beteekenis van het Oude Testament zoo klaar en doorzichtig is. Jezus liet het Oude Testament niet zijwaarts liggen, maar greep het telkens aan, en beriep er zich op. Keer Op keer deed Jezus gevoelen, dat hij zijn erkentenis als Zone Gods en als Messias afeischte op grond van de openbaring, die in het Oude Testament aan Israel gegeven was. En tot op zekere hoogte kan zelfs gezegd, dat Jezus den grond voor de erkenning van zijn gezag in de schriften van het Oude Testam, ent gezocht heeft. Gedurig haalt Jezus teksten uit het Oude Testament aan en grondt er zijn zending op. En Jezus doet dit niet op vage manier, niet door zich enkel op den geest van het Oude Testament of op den geest der profetie in het gemeen te beroepen, maar door te verwijzen naar de letterlijke uitspraken, die nu nog in het Oude Testament voor ons liggen. Zoover zelfs gaat Jezus hierin, dat hij tot uit de enkele letter van den tekst zijn conclusie en zijn bewijsvoering afleidt. Op onbetwistbare wijze komt dit uit in Matth. 22 : 31 v.v. Jezus handelde toen, voornamelijk met de Sadduceën, over de opstanding der dooden. Aldus toch staat er: En wat aangaat de opstanding der dooden, hebt gij niet gelezen hetgeen van God tot ulieden gesproken is, die daar zegt: Ik ben de God Abrahams, en de God Isaac's en de God Jacobs. God nu is niet een God der dooden, maar der levenden.« Het komt hier dus precies aan op wat er in het Hebreeuwsch staat. Kon dit zóó opgevat, dat het beteekende: k ben de God Abrahams enz. geweest, zoo verviel geheel het bewijs, dat Jezus uit deze woorden afleidt; en het hier bedoelde bewijs gaat alleen door, zoo deze tekst yiit Ex. '3 : 6, niet maar zoo verstaan iöw'worden, maar zoo verstaan moest worden, dat het zeggen; Ik ben, doelde op Jezus dagen, en alzoo aangaf da: braham, Isaac en Jacob nog leefden, en dat God nog steeds hun God %vas. Even sterk sprekend is wat lezus in de Bergrede uitsprak r> ver den tittel en de jota der Wet. Daar to, .is betuigt Jezus : ''Meent niet dat ik gekomen ben, om de Wet en de Profeten te ontbinden; ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar te vervullen; want voorwaar zeg ik u, totdat de hemel en de aarde zullen voorbijgaan, zal er niet één jofa noch tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal vervuld zijn". De uitdrukking »jota en tittel* beduidt wat wij uitdrukken door geen letter. Met de Wet en. de Profeten wordt hier "en elders in het Nieuwe Testament niet anders bedoeld dan het gcheele Oude Testament. De wet beteekent dan de vijf boeken van Mozes, en het . overige wordt saamgevat onder den titel van de Profeten. En nu hooren we hier duidelijk uitspreken, hoe Jezus geheel deze bedeeling van het Oufle Testament niet alleen als van Goddelijken oorsprong eert, maar dat eeren van zijn Goddelijken oorsprong zóóver trekt, dat hij 't tot de jota en tittel, d. i. tot op de kleinste letter toepast.

Tot geheel hetzelfde resultaat leidt ons, wat medegedeeld wordt in Joh. X : 34. Jezus beroept zich daar op Psalm 82 : 6, waar staat, met opzicht tot de rechters in de vierschaar: Ik heb gezegd: ij zijt goden.« Zoo blijkt dus dat de Schrift hen goden genaamd heeft, tot wie het woord Gods geschied is, en, zoo gaat Jezus voort, gelijk gij met mij belijdt: de Schrift kan niet gebroken worden*; vanzelf volgt hier dus uit, dat ge mij ten onrechte van Godslastering beticht, omdat ik mij uitgeef voor Gods Zoon. Ook hier weer hangt het aan één enkel woord uit Psalm 82, en ook van dat v/oord verklaart Jezus ten stelligste, dat noch dit woord, noch eenig woord uit de Schrift kan gebroken wor ien. Geheel gelijke gedichte ligt ten g; ^/., ids!ag aan Jezus verwijzing naar Gen. 3 : 15, 22 : 13 enz. Van mij, zoo betuigt de Christus aldaar, heeft Mozes geschreven. Op grond hiervan wordt ge alzoo verplicht mij als Messias aan te nemen. Door zulks niet te doen, tast ge alzoo de geloofwaardigheid van de Schriften van Mozes aan. En dit veroordeelt Jezus. Te Nazareth sloeg Jezus in de Synagoge Jesaja 61 enz. op, en toen hij daaruit de breede Messiaansche profetie had voorgelezen, deed hij het boek weder dicht, en riep uit: Heden is deze Schrift in uw ooren vervuld geworden." In zijn worsteling met - Satan, toen deze Jezus verzocht in de woestijn, heeft Jezus niet anders gedaan dan zich op concrete teksten van het Oud Verbond beroepen, en van die teksten zoo stellig de zekerheid aanvaar< l, dat louter door dat beroep. Satan als verslagen te beschouwen was. Toen Petrus voor Jezus in Gethsemané het zwaard trok, wees Jezus deze onheilige bescherming af, met te zeggen: Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen dat 't alzoo geschieden moet«? Ook hier aanvaardt derhalve de Christus de voorzegging van het Oude Testament als zekere openbaring, die stelliglijk vervuld moet worden. Ook tot de politie en de patrouille die hem gevangen namen, sprak Jezus het onverholen uit: Dit alles is geschied, opdat de Schriften der Profeten zouden vervuld worden«. Zelfs een profetie als in Psalm 118 : 22 van den Steen en de tempelbouwers, ' past Jezus in letterlijken zin op zichzelven toe, en wijst er met nadruk op, dat het Oude Testament dit aldus van hem aangeeft. Inzake het huwelijk richt Jezus tot de Schriftgeleerden even beslist het verwijt: Gij dwaalt, niet wetende de Schriften, want in de Opstanding zijn de gezaligden als engelen Gods, en worden niet meer ten huwelijk genomen of gegeven*. Ook heeft Jezus, om dit er nog aan toe te voegen, geen oogenblik geaarzeld om Daniels profetie, die thans zelfs door geleerden van Christelijken huize zoo vaak verworpen wordt, als heilige profetie te erkennen en er zich op te beroepen. Zoo toch heet het in Matth. 24 : 15 : »Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, den profeet, staande in de heilige plaats, dat alsdan die van Judea zijn, vlieden op de bergen." En als ten overvloede staat er zelfs nog bij: Die leze die merke hier op."

Hoe , wilt ge nu staande houden, dat ge in den Christus als den Zone Gods gelooft, zoo ge in weerwil van alle deze stellige uitspraken, de bewering aandurft, dat toch de Schrift des Ouden Testaments het Goddelijk zegel mist? De Groninger Godgeleerden, de modernen, en de volstrekt ongeloovigen kunnen zich hier redden. Voor alle deze toch ligt er niets vreemds of ondenkbaars in, dat Jezus zich zal hebben vergist. Vergist, niet met een enkel citaat, maar vergist in dèn grondslag waarop al zulke citaten rusten, want dat Jezus, hoe hoog staande ook als mensch, toch mensch was en bleef, en alzoo aan menschelijke dwaling onderworpen was. Maar wat niet kan, en dan ook geen oogenblik mag worden toegegeven, is, dat ge eenerzijds in den Christus den Zone Gods .belijdt, en dan toch anderzijds allerlei menschelijke zwakheid en dwaling in Jezus voor moge lijk houdt. Dit is in lijnrechten strijd met al wat de Christus omtrent zich zelf betuigd heeft. Wie aanneemt of ook maar één oogenblik als mogelijk stelt, dat de de Christus zich in zijn opvatting omtrent de volstrekte betrouwbaarheid van het Oude Testament, radicaal vergist heeft, d.i. zich principieel vergist heeft ten aanzien van wat de gansche Openbaring aan Israel betrof, die kan niet in dienzelfden Christus den Zone Gods eeren. Dit is een breken van zijn heiligen Persoon in twee stukken, die op geenerlei wijs weer te vereenigen zijn. Zooals de Christus zelf in de Evangeliën optreedt, en zich over het Oude Testament uitlaat, heeft hij op dit Oude Testament een Goddelijk zegel gedrukt, dat voor wie in Christus als den Zone Gods gelooft, de zaak beslist en afdoende zekerheid geeft. Wie zich vermeet in zoo stellige uitspraak van den Christus onhoudbare en onduldbare vergissingen te lezen, randt Jezus in zijn heilige persoonlijkheid aan.

Dit nu moest met zoo stellige beslistheid op den voorgrond worden gesteld, omdat het Oude Testament het fundament is, waarop geheel de bouw van het Nieuwe Testament rust. Het Oude Testament is ^Is gewijde oorkonde niet af. Het is een rijke grondslag, maar de bouw die er op verrijzen moest, zou onvoltooid zijn gebleven, zoo niet het Nieuwe Testament er aan was toegevoegd. Het Oude Testament alleen, en zonder meer, is profetie zonder vervulling, belofte zonder dat het beloofde komt. Het geeft u weeën, maar zonder geboorte. Zooals het daar ligt, is het een bezield begin, maar zonder slot. Zonder meer, roept het om wat komen moest, maar uitblijft. Het geeft het type van den ongeloovigen Jood, die roemt in Mozes en de Profeten, maar die daarbij zich vergaapt aan de prachtige spijskaart, onderwijl hij hetgeen die spijskaart hem voorspiegelde, geheel mist.

Als vanzelf is dit Nieuwe Testament dan ook op het fundament van het Oude Testament geschoven. Niet eerst later, maar reeds binnen één menschenleeftijd na het uitsterven van het apostolaat. Reeds Petrus spreekt van een collectie van de brieven van Paulus, maar toen Johannes ook de Apocalypse had doen uitgaan, en met hem het Apostolaat ophield, is binnen 30, 40 jaar in de voornaamste kerken reeds een verzameling afschriften van de voornaamste deelen des Nieuwen Verbonds bijeengebracht. Dit is niet notarieel met onderteekende acte toegegaan. Het was de behoefte aan vastigheid voor leven en belijdenis, die, toen de apostelen waren weggevallen, naar een Schriftuur van algemeene geldigheid deed tasten en grijpen. Reeds toen toch rees er verschil van meening over nog niet uitgegeven stukken der waarheid. Er was eenerzijds nog altoos zekere neiging om in het Joodsche element terug te zinken, en aan den anderen kant een schier nog sterker drang, om de belijdenis der Kerk met allerlei Heidensche voorstellingen in verband te brengen. De bedienaren des Woords die de waarheid bedoelden, zochten daarom steun voor hun zuivere gevoelens in overgeleverde Schrifturen, zoo dikwijls ze rherkten dat deze Schrifturen schier overal als echt werden erkend en ingang vonden. En nu doet zich het hoogst opmerkelijke verschijnsel voor, dat al zeer spoedig de overtuiging post vatte van de volkomen betrouwbaarheid voor wat aangaat de vier Evangeliën, de Handelingen, de brieven van Paulus, een brief van Petrus, een brief van Johannes en de Apocalyp.se. Het was deze Schriftuur, die elke kerk zocht machtig te worden. Het waren alzoo de hoofdbestanddeelen van het Nieuwe Testament, die aanstonds in nieuw gestichte Kerken werden ingedragen. Eerst v^raren die deelen dan nog apart, maar al spoedig werden ze samen bijeen genomen. Tegenspraak en twijfel is eerst later ingeslopen, op grond van afwijkende opiniën omtrent de Waarheid, gelijk men dit bij de Apocalypse van Dionysius van Alexandrië vernam, die de Apocalypse ter wille van den Chiliast verwierp. Maar aanvankelijk vond wat we opsomden allerwegen ingang. En reeds in de eerste helft der tweede eeuw kan men zeggen dat het Nieuwe Testament vrijwel vastehjk geformeerd was. De twijfel die reeds in die eerste tijden rees wat 2 en 3 Johannes, 2 Petrus en Judas betreft, is van ondergeschikte beduidenis. Ook al denkt ge u deze geschriften geheel weg, het Nieuwe Testament zou er zijn substantie niet door inboeten. Vermoed mag dan ook, dat juist het minder gewicht van deze Schriften aan hun onverwijlde erkenning in den weg heeft gestaan. En dit te meer, waar er niet wéinig Schrifturen van andere leeraars waren, die reeds spoedig naast de Schriften van het Nieuwe Testament rondliepen. Vele van dezen zijn tot ons gekomen, en men behoeft deze soort schriftuur slechts met hetgeen het Nieuwe Testament biedt, te vergelijken, om aanstonds te gevoelen, dat men met schrifturen van geheel anderen oorsprong te doen heeft. Met geestelijken tact hebben de Kerken dan ook van meet af tusschen wat van heiliger oorsprong en wat namaak was, weten te onderscheiden; en juist de critiek die hierdoor werd uitgelokt, gaf een bewijs te meer, dat de Kerken met alleszins juist inzicht haar canon regelden.

Nu is deze gewichtige keuze en b voeging intusschen in geen enkel 0| mechanisch en met mathematische tec toegegaan. De Apocalypse uitgezoi droeg zelfs die inspiratie bij de gesel des Nieuwen Testaments noodzakelijke , ., .... een ander karakter, dan bij de Oud-Testamentische Profeten en Psalmisten. Wat zij in zich opnamen, doordachten en te boek stelden, was hun veel minder een vreemd bestanddeel dat hun werd aangebracht, dan iets dat vanzelf oprees in hun bewustzijn, zoodra de werking van den Heiligen Geest in hen als geloovigen en als geroepenen den drang tot productie te weeg bracht. Het verschil tusschen de oude en de nieuwe bedeeling was juist, dat onder het Oud Verbond het geestelijke van buiten bij het leven der Profeten en Gods mannen bijkwam, terwijl onder het Nieuwe Testament de uitstorting van den Heiligen Geest de realiteit van het eigen zielsleven des auteurs met het hooge bedoelen des Geestes in organisch verband deed werken. Maar al valt hierdoor het mechanische bijna geheel vf& ^, de organische bezieling was niet minder treffelijk en rijk, en het is juist die organische bezieling, inspiratie en leiding, waarin de Christus, die aan de rechterhand des Vaders was gezeten, zijn Kerken ten goede kwam. Ook nu nog werkt de Christus van uit den hemel in het hart van Gods kinderen geestelijk in, doch thans draagt die inwerking een meer persoonlijk karakter; destijds daarentegen bedoelde die inwerking van den Christus, door den Heiligen Geest, in het gemoed, in het zielsleven en in het denkbewustzijn van zijn apostelen en verkoren leeraars, nog een heel ander resultaat van algemeener en duurzamer strekking; en het is dit resultaat dat door de Kerken in ontvangst werd genomen, toen ze in de Evangeliën, de Acta, de brieven en de Apocalypse de rijke vrucht ontvingen van wat hooger bestel, als voor de Kerken aller eeuwen onmisbaar, dan nu ook van meet af aan die Kerken schonk. Zoo en niet anders heeft de Christus van uit den hemel het Nieuwe Testament, op den grondslag van het Otide Testament, in den geest van zijn apostelen en Evangelisten, doen opkomen, en door hun pen voor de Kerken aller eeuwen als heilig erfstiik gedeponeerd.

Het geheel eenig karakter van dit Nieuwe Testament, als heilig, onder Jezus eigen zorge en leiding, aan de Kerken aller eeuwen toegekomen document, blijkt dan ook, veel sterker dan uit alle betoog, uit het feit zelf van de historie die ons in dit Nieuwe Testament wordt voorgelegd. Niet het Oude Testament was een wereldlitteratuur geworden. Wel was ook het Oude Testament in meer dan één taal overgezet, en vond het ook buiten den engeren Joodschen kring verbreiding, maar toch, dit bleef bij zeer enkele talen, en was steeds beperkt tot zeer eng terrein. Het Oude Testament zelf was nimmer een mondiaal stuk geworden. Eerst het Nieuwe Testament heeft in zijn onmetelijke vlucht het Oude Testament mede tot een wereldgeschrift gemaakt. Zeer zeker is dit zoo van het Nieuwe als van het Oude Testament eerst door de drukkunst mogelijk geworden. Niet alleen het vertalen, maar ook het afschrijven van geheel de Heilige Schrift vergde, eer de drukkunst te hulp kwam, zoo zeer ernstige inspanning, dat de gemeenten in haar talrijke leden tot aan den nieuwen tijd toe weinig anders van het Nieuvi^e Testament vernamen, dan wat in den Kerkelijken dienst, de gebedenboeken, of in .stichtelijke lectuur on der haar bereik kwam. Te zeggen dat de Kerk eertijds opzettelijk de Heilige Schrift verborg is een min juiste voorstelling. Voor elk gezin een Bijbel! was, eer de drukkunst te hulp kwam, een ondenkbare eisch. Ook is onzerzijds nooit beweerd, dat een gemeentelid heel de Heilige Schrift verstaan en begrijpen kon. Staande werd gehouden, en hierin geven we nog niets toe, dat ieder kind van God in de Schrift ontdekken kan,

wat tot zijn zaligheid te weten van noode is, maar nooit is volgeiiouden, dat een eenvoudige herdersjongen of arbeider op een fabriek' alle profetieën in Oud en Nieuw Testament doorgronden kan. Juist daarom is er dan ook een Dienst des VVoords, en zijn het de Bedienaren des Woords die de mysteriën hebben te ontsluiten. Maar dit neemt niet weg, dat eerst de wondere uitvinding van Laurens Janszoon Koster den Bijbel tot het wereldboek gemaakt heeft.

Thans toch kan zonder zweem van aarzeling gezegd, dat er nooit, dat er in niet een land, dat er onder niet één volk, waar of hoe dan ook een boek is te schrift gesteld, ' hoe classiek en van wat kostelijken inhoud ook, dat ook maar van verre de vergelijking als wereldboek met de Heilige Schrift zou kunnen doorstaan. Reeds liep het hoog, indien van een in strengen zin classiek geschrift een dertig vertalingen het licht zagen, hier daarentegen is sprake van een breede, rijke verzameling van geschriften, die althans voor wat het Nieuwe Testament aanbelangt, reeds in meer dan vier honderd talen werden omgezet. De groote Encyclopaedia of Missions, te New York, anno 1910, in tweede editie uitgekomen, geeft de breede lijst ervan op blz. 827—829 in haar derde appendix. Rekent men daarbij nu met het alle verkoop van andere boeken zeer verre overtreffend debiet, dat de Heilige Schrift over heel het aardrijk gevonden heeft, zoodat een enkel Bijbelgenootschap de verspreiding van één jaar op vier millioen schat, dan zinkt, vergeleken hierbij, de verspreiding van elk ander boek, hoe hoog geloofd en veel gezocht ook, zoo in het niet terug, dat het zelfs niet in aanmerking komt. Een eere als aan geen ander geschrift uit wat land of eeuw ooit ten deel viel, was voor den Bijbel als Bijbel weggelegd op een schaal, die nog verbaast, wie de lijst ervan voor zich krijgt. De Bijbel staat nog altoos geheel eenig onder alle menschelijke literatuur in het zenith. Reeds door die vvereldbeteekenis van den Bijbel gevoelt men, dat een boven het gemeen-menschelijk uitgaande werking den Bijbel bij zijn ingang in de wereldhistorie gedragen heeft, en het is die won-Jcic 'werking, die de Kerk van Christus niet anders verklaren kan, dan door ze te zoeken in den Christus, haar Heiland, die na zijn opvaren ten hemel aldus zijn Kerk op aarde verrijkt heeft.

Zoo is het de ten hemel gevaren Christus, die, van uit den'hemel, eerst de Uitstorting van den Heiligen Geest gaf; die den man van Tarsen riep om de heidenwereld te veroveren ; die in Jerusalems verovering den Joodschen volksstaat zijn oordeel deed vinden; die in de Openbaring van Johannes ons zijn testament schonk voor de komende Voleinding, en die evenzoo op zeer wonderbare wijze de Heilige Schrift in zijn Kerk op aarde heeft nedergelegd. Wat verschillen dan ook thans de Kerken verdeden, de Heilige Schrift blijft als de Canon van belijdenis en leven nog altoos aanvaard in de Gereformeerde Kerken, in de Luthersche Kerken, in de Roomsch-Catholieke Kerken, in de Grieksch-Oostersche Kerken. De Schrift zakelijk, evenals de Doop in formeelen zin, is nog tot op den huldigen dag datgene wat alle Christelijke Kerken op aarde, zoo men enkele secten afzondert, verbindt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juli 1915

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juli 1915

De Heraut | 4 Pagina's