GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

Van de Voleinding.

30 minuten leestijd

CCXXIII.

ZESDE REEKS.

XLVI.

In het derde jaar des koninkrijks van Jojakim, den koning van Juda, kwam Nebucadnezar, de koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde het. Daniel 1 : 1.

Komen we thans op de bijzondere bedenkingen, die tegen de echtheid van het boek Daniel zijn ingebracht, zoo kan er uiteraard geen sprake van zijn, dat we voor gewone lezers op alle deze bijzonderheden zouden ingaan. Dit zou voor hen, die niet in de geschiedenis van het Oosten uit die dagen gekonfijt zijn, en de talen niet kennen die destijds in die streken golden, onleesbaar en niet te volgen zijn. Elders zou zeer zeker een nauwkeurige beoordeeling van elk dezer tegenwerpingen thuis hooren, in artikelen als hier geboden worden, niet. Al brengen we dan ook een enkel punt uit deze critiek iets uitvoeriger ter sprake, voor heel het geding dat hier aan de orde is, moeten we ons bepalen tot wat van meer algemeene strekking is. Met het oog hierop nu ga een woord vooraf over het notarieel karakter, dat de bestrijders van Daniel's echtheid telkens weer van den tekst der Heilige Schrift willen eischen, want juist hieraan beantwoordt wat ons de Heilige Schrift, volstrekt niet enkel in Daniel, maar in alle stukken van Oud-en Nieuw Testament biedt, volstrekt niet. Overduidelijk ziet men dit reeds in de bericbJien, die door de Evangelisten tot ons kwam, en, omtrent hetgeen door den Christus bij onderscheiden gelegenheden gesproken is. Komen toch die raededeelingen bij meer dan één Evangelist voor, dan wijkt het ééne verhaal dat de Schrift ons hiervan biedt, lang niet zoo zeldzaam van het andere, op meer of minder in het oog loopende wijze, af; en zelfs daar waar die afwijkingen van zeer ondergeschikte beteekenis zijn, vinden we toch in den regel geenszins een viertal van geheel eendere, en tot op elke letter overeenkomende, teksten. Nu trekken we dit niet te ver. De zaligsprekingen b.v, die we in de Bergrede ons door den Evangelist Mattheus zien voorgelegd, wijken zoo in 't oogloopend af van wat de Evangelist Lukas ons in zijn 6e hoofdstuk biedt, dat hierin zeer wel aan twee onderscheidene tafereelen uit Jezus' leven te denken is, die, al waren ze verwant, toch ook weer aanmerkelijk uiteenliepen en verschilden. Doch ook waar blijkbaar gedoeld wordt op hetzelfde voorval in de historie van Jezus optreden zoodat een ieder bij het lezen voelt, dat hier geheel hetzelfde ons bericht wordt, is er toch tusschen hetgeen bij Mattheus en anderzijds bij Marcus of Lukas te lezen staat, in de keuze der woorden en in de wijze van uitdrukking vaak zulk een tastbare afwijking, dat elk notarieel karakter van gelijkluidendheid ten eenenmale ontbreekt.

Dit gaat zelfs door ten aanzien van het »Onze Vader.» Op zichzelf zou men gemeend hebben, dat althans bij de mededeeling van de Zaligsprekingen, en sterker nog bij het Gebed dat Jezus den zijnen te bidden gaf, een zoo preciese nauwkeurigheid zou gevolgd zijn, dat alle vier de Evangelisten althans deze beide stukken in volkomen ongereptheid van vorm zonden hebben medegedeeld. En toch is dit niet zoo. Het »Onze Vader« staat niet in Marcus, en is evenmin bij Johannes te vinden, en voorzooverre dan ten minste Mattheus en Lukas , er mededeeling van doen, wijkt toch weer beider bericht van elkander af. Vergelijk slechts den tekst ervan die in Matth. 6 : 8—13 en in Luk. 11 : 2—4 ons geboden is, en ge ziet het vrij aanmerkelijk onderscheid. Het eerste deel van het »Onze Vader* is bij beide Evangelisten geheel eender, en luidt dan: nze Vader die in de hemelen zijt!. Uw naam worde geheiligd. Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde«. Dan echter volgt reeds in de bede om ons levensonderhoud zeker verschil. Die bede toch luidt bij Mattheus: Geef ons heden ons dagelijksch brood», terwijl ze bij Lukas dezen vorm aannam: Geef ons eiken dag ons dagelijksch brood«. Geheel 'tzelfde, maar toch niet in notarieel precies eenderen vorm. Sterker nog is het onderscheid van wat daarna volgt. Dan toch heet 't bij Mattheus: Eh vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren», waarvoor bij Lukas staat: En vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven aan een iegelijk die pns schuldig is". Geheel gelijk is dan weer wat volgt in de bede: > En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons vanden Booze«, maar voorts valt dan ook alle gelijkenis weg. Dan toch heeft Mattheus nog dit besluit van het Gebed: Want U is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Agien», terwijl bij Lukas geheel deze slotzinsnede ontbreekt, en zelfs het Amen als besluit niet gevonden wordt. Nu heeft de Kerk van Christus steeds, om verwarring te voorkomen, één bepaalden vorm voor dat gebed geijkt, en daarbij de voorkeur gegeven aan den tekst uit de Bergrede, naar de lezing van Matheus. Vrijwel kan dan ook nu gezegd, dat de Christenheid in alle land en onder alle volk, alleen met den tekst, dien Mattheus in de Bergrede bood, rekent. Dit kon dan ook niet anders. Elke Kerk in haar Liturgie moest wel een vasten vorm aannemen. In de Liturgie is zulk een notarieel-vaste vorm zelfs onmisbaar. Bij den heiligen dienst kan die vaste vorm niet worden gemist. Maar juist hierom is het zoo hoogst opmerkelijk, dat de Schrift zelve ons, niet alleen in het gemeen, maar zelfs bij de Zaligsprekingenen bij het Onze Vader, niet aan de notarieele nauwkeurigheid en het precies eendere bond. Van de vier Evangelisten zijn er slechts twee die het Onze Vader ons brachten, terwijl Marcus en Johannes er van zwijgen. En bij de twee die 't ons dan overleverden, is er dan nog, gelijk we aangaven, zeer in 't oogloopend verschil.

Veel sterker nog is dit verschil waar het andere bijzonderheden, niet enkel uit de redevoeringen en gesprekken van den Heiland geldt, maar zelfs waar ons berichten uit Jezus leven worden medegedeeld. Denk. b.v. aan de Kruisvroorden, die bij alle vier variëeren. Denk aan de gesprekken eer Jezus Gethsemané bereikte. Kortom, in niets bijna vindt ge die tot in bijzonderheden afdalende praecisiteit, die 't alles gelijkluidend en eender maakt. Neem b.v. slechts hetgeen ons bericht wordt omtrent Jezus opstanding, en omtrent hetgeen van zijn opstanding tot aan zijn hemelvaart vermeld staat, en telkens bespeurt ge zeker onderscheid. We zeggen niet tegenspraak of tegenstrijdigheid, maar dan toch een variatie die soms zelfs zeer sterk in het oog springt. En geheel ditzelfde gemis van notarieele nauwkeurigheid en gelijkheid ontmoet ge nu niet minder daar, waar sprake is van aanhalingen uit het Oude Testament door Jezus of zijn apostelen. Men kan volstrekt niet zeggen, dat de teksten uit het Oude Testament, waarnaar verwezen wordt, steeds letterlijk en met volledige nauwkeurigheid werden overgenomen. Soms zelfs is de afwijking zoo sterk, dat het lang niet zoo licht was, om in het Oude Testament den tekst terug te vinden waarop gedoeld werd. Ook worden soms deelen van twee onderscheidene Oud-Testamentische uitspraken in het Nieuw-Testamentische citaat met elkander verbonden. Zoo wanneer in Rom. IX : 33 staat: elijk geschreven is: Ziet, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis; en een iegelijk die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden", dan toch wisten onze kantteekenaren in hoofdzaak alleen naar Psalm 118 : 22 en Psalm 2 : 12 te verwijzen, waar staat: De steen die door de bouwlieden verworpen was, is tot een hoofd des hoeks geworden" en:

»WelgelukzaHg zijn allen die op hem betrouwen" ; om dan voorts zich nog te beroepen op Jesaia 8 : 14, en 28 : IS, alsmede voor het tweede deel van den tekst op Spreuken 16 : 20, Jesaia 28 : 16 en Jeremia 17 : 7. Hieruit ziet men, hoe indrukwekkend de apostel gevoelde, dat hij wat hij betuigde, uit het Oude Testament overnam, maar dan toch tevens, hoe weinig sprake er van was, ^ om precies en met notarieele nauwkeurigheid de sprake van hét Oude Testament over te nemen. Het is telkens weer een vrij gebruik van wat in de geschriften des Ouden Testaments geboekt stond.

Hierbij nu worde tweeërlei in het oog gehouden. Het eerste is dat de geestesneiging in het Oosten, waar de profeten, waar Christus zelf en waar de apostelen optraden, niet dezelfde is, als bij de Europeesche volkeren. Bij ons komt telkens de verstandsrichting naar voren. Al wat ons bezighoudt of waarmee we bezig zijn, moet steeds in klare, preciese gestalte zich voor ons afspiegelen. De mystieke vorm is in het bij ons heerschende leven niet gemind, zelden gewild, en meest bestreden. Alleen in kunstkringen en in de kringen der geloovigen vindt ge hierop uitzondering, maar, in het gemeen genomen, kunnen wij, Westerlingen, van den technischpreciesen vorm niet wel aflaten. Hierin steekt vanzelf geen geringe verdienste. Het is toch aan deze neiging van den Europeeschen geest, dat we onze machtige vindingen op technisch gebied danken en een zoo ongemeene helderheid in de voorstelling verschuldigd zijn. In het Oosten daarentegen, waar de Openbaring Gods aan zijn volk gebloeid heeft, treedt dit verstandelijke op den achtergrond, en treedt het leven van het gemoed en van de verbeelding meer naar voren. Vandaar dat de wijze van uitdrukking hier veel vrijer en meer gevarieerd is, en de sfeef van het mystieke steeds meespreekt. En het tweede is, dat de Openbaring juist in varband hiermede steeds onder de bijzondere leiding van den Heiligen Geest stond. Bij het zeer vrije gebruik dat Christus en de apostelen van het Oude Verbond maakten, ontbrak toch geen oogenblik een innerlijke leiding. Dank zij die innerlijke leiding werd de zin en de bedoeling van hetgeen de Openbaring in het oude Testament bood, rechtstreeks van binnen uit gegrepen, en geheel onder diezelfde leiding des Geestes weergegeven in ziel en oor, gelijk zulks voor de Kerk des Nieuwen Testaments neodzakelijk bleek. Het onderscheid dat hier spreekt, is duidelijk. Wie letterlijk citeeren zal, leert van buiten. Bij dien is het geheugenwerk. Een geheugenwèrk, waarbij de geest van wie optreedt verstompen kan. Treedt daarentegen, gelijk in den apostel, een man van hooge roeping en van vrijen geestesaanleg op, en wordt zulk een schrijver bezield door den Heiligen Geest, dan is het gebruik dat zulk een apostel van het Oude Verbond maakt, niet een van buiten ; leeren en nazeggen, maar een innerlijk verwerken ervan om het geestesvoedsel, dat er in schuilt, naar nieuwen aandrang, en met het oog op de nieuw gerezen behoefte, bezield en tintelend van •levett geven.

Geldt dit nu reeds ten aanzien van die apostolische lectuur die bestemd was voor de Grieksche en Romeinsche wereld van Rome, Corinthe en Philippi, dan behoeft 't wel geen betoog, dat zulks nog veel sterker gold voor, den kring waarin Daniel gevormd was. Reeds bij Ezechiel die in Tel Abïb zijn leven sleet, en zoo ook bij Zacharia die nog later verscheen, treden dan ook die Oostersche inkleeding en gedachten steeds sterker op den voorgrond. Er was in Assyrië en Babyion, deels uit Egypte overgenomen, een zeer sterk indringen van het m3'stieke merkbaar geweest. Zelfs de astrologie was voor den Chaldeër heel iets anders en iets meer dan een spel der verbeelding. Ook in de Wijzen uit het Oosten bleek dit. Scherp en sterk stonden dan ook de t\yee bewustzijnswerelden, eenerzijds van den Grieksch-Romeinsche, en anderzijds van den Bab}-lonisch-Egyptischen kant, tegen elkander over. Zelfs de apostel Paulus schrijft op geheel andere wijs en in een geheel anderen toon naar de intellectueel ontwikkelde Christenen in Rome en Corinthe, dan naar de Aziatische christenen in Epheze en Galatië; en in de Openbaring van Johannes spreekt het apocalyptisch karakter van de revelatie zich zóó sterk uit, dat zelfs de naam en titel van Apocalypse, d. i. van Openbaring, hier gekozen werd. Zeer begrijpelijk is het dan ook, dat er in de reeks der groote Profeten een zeer sterk sprekend verschil te bespeuren valt, zoodra ge uit de klare, heldere, rijke periode van Jesaia overgaat in de apocalyptisch getinte sprake van Ezechiel, Zacharia en Daniel. Wie gelijk Daniel het grooter deel van zijn leven slijt in den kring van een Oostersch hof, geniet bijna niet van die heldere nuchterheid die den profeet in Israel beheerschen kon. Vergeet niet, dat de Joden meest landbouwers waren, dathetstadsleven onder hen niet den toon aangaf, en dat ze niet door een on-Goddelijke cultuur misleid werden. In den kring der Bab3-loniërs daarentegen stond dit geheel anders. Hier stond de Oostersche Cultuur op den voorgrond. Hier was menschelijke kunst opgebloeid. Hier was een rijke menschelijke ontwikkeling steeds verder vojDrtgeschreden. Ezechiel te Tel Abib en Daniel in Babyion moesten alzoo wel in dit rijker ontwikkelde mystieke leven indringen, er de termen van in eigen taal voor zich opnemen, er zelfde bewerking van ondergaan en ten slotte, Daniel vooral, in het apocalyptische doordringen. Zelfs kan het niet de minste verwondering baren, dat de latere Joodsche samenstellers van den Canon niet konden voelen noch inzien, dat Daniel's geschrift, ook al bevatte het vele Godspraken met het oog op de toekomst, in den bundel der Israelietische profetieën thuis hoorde.

Zij, die zonder oog hiervoor den onder ons veelal geldenden intellectueelen, notarieelen eisch aan het boek Daniel hebben gesteld, moesten daarom wel gedurig stuiten op gegevens en mededeelingen, die ze niet thuis wisten te brengen. Dat kunnen Europeesche geleerden niet, wier geest geheel vreemd is aan de tinctuur van den Oosierschen geest. Het is dezelfde tegenstelling die zich thans aan ons almeer op Java voordoet, alsook in onzen verderen Archipel. Ook met het oog hierop wisten de intellectualistisch gevormde Liberalen nooit anders te doen, dan de Javaansche bevolking aan geheel dezelfde leermethode te onderwerpen, die ten onzent gold, en hun van zelf te abstract was, en die ze nu voor Indië schier geheel naar Europeesch model poogden in te richten. Eerst de laatste jaren kwam hier eindelijk dan toch een breuke in. Men wil dit thans zelf niet meer. Men ziet het averechtsche er van in. En nu legt m, en zich er veeleer op toe, om voor de Javanen een methode van opvoeding en levensbestudeering in te voeren, die beter past bij hun, aard en zich aan het Oostersch element in zijn geest kan aansluiten. Dat met name . enkele Javaansche geleerden die naar Holland overkwamen, dit nog steeds eer bestrijden dan aanbevelen, is natuurlijk. Dit zijn dan Javanen, die jammer genoeg geheel ge-Europaïseerd zijn, en hun Oostersche natuur ten deele hebben afgelegd. Juist daardoor echter kan. men aan hun getuigenis niet de minste waarde hechten, en het is veeleer de Christelijke Missie zelve, die aan de Javanen op paedagogisch gebied den pols kan voelen, en kan aanwijzen welke methode hun 't leven tot rijpere en rijkere ontwikkeling brengen kan. Doch geheel datzelfde moet dan ook bij de Inspiratie der Heilige Schrift in aanmerking genomen worden. De Heilige Geest heeft zich steeds gericht naar den onderscheiden aard, die krachtens de schepping en de historische ontwikkeling, vooral na Babels torenbouw, tusschen het Oostersche en Westersche leven zich vertoond had. Vandaar dat de werking der Inspiratie op andere manier 'toeging, toen een man als Paulus naar Rome, dan toen hij naar Efeze schreef, en dat evenzoo de Inspiratie zich op andere wijs uitte, toen ze werkte in een Jesaja en Micha, dan later in een Ezechiel of Daniel. Dit nu hebben de critici die Daniel aanvielen, niet verstaan. Zei ven niet aan Inspiratie geloovende, en zelve in eigen persoon de bekeerende kracht van den Heiligen Geest niet ervaren hebbende, misten ze den zin en den smaak voor het mystieke en waanden op grond hiervan ook aan Daniel een maatstaf te kunnen aanleggen, die ten eenenmale niet bij Daniel past. Zoo min als een keurig mozaïek-toovenaar de problemen van het Pantheon kan doorzien, waren zij in staat om een hun geheel vreemde mj'stiek, die geheel Daniel's optreden beheerscht heeft, te doorgronden. Hoevelen zijn er niet, die de Moedermaagd van Holbein voorbij gaan, en alleen de Moedermaagd van Michel Angelo ideaal vinden, eeniglijk omdat de warmere vrouwelijke figuur hen boven de te sterk spiritueel getinte aantrekt.

En zoo nu ook is het hier. Zoo heeft men van critische zijde bedenking tegen Daniels echtheid op bedenking gestapeld. Men stuit op historische onnauwkeurigheden. Men acht dat Daniel, zoo hij waarlijk een profeet des Heeren ware geweest, niet met zulk een hooge waardschatting van zichzelf zou hebben gesproken, als dit hier in dit geschrift voorkomt. Men acht dat er in dit boek verhalen voorkomen, die te ongelooflijk zijn om ze voor goede munt aan te nemen. Men brengt tegen dit geschrift in, dat er dogmatische voorstellingen in zijn opgenomen, die niet te aanvaarden zijn. Men merkt op, dat er woorden en maten en munten in voorkomen, die uit de Grieksche wereld en niet uit hét Oostersche leven genomen zijn. Men is van oordeel dat de Chaldeeuwsche en Hebreeuwsche taal, die men hier te lezen krijgt, onzuiver is. En ten slotte zoekt men dit boek van Daniel zóó uit te leggen, dat het in zijn profetische tagil niet verder reikt dan tot aan Antiochus Epiphanes, op wien het dan eeniglijk doelen zou. Op elk van deze punten nu zijn de inbrengers van deze bedenkingen te woord gestaan, en zulks wel door wetenschappelijk zeer hoogstaande mannen, doch die in de mystieke actie van hun gemoed rechtstreeksche aansluiting genoten aan wat Daniel zelf bezield heeft. Niet die critische aanklagers, maar deze geloovige geleerden verstonden Daniel. Geheel hetzelfde deed zich hier voor, wat men gedurig in het leven kan opmerken. Als een stroef, streng Intellectualist met een teeder gemoedsmensch in contact komt, dai> blijkt aanstonds, dat deze twee niet met elkander overweg kunnen. Ze zien de dingen anders, ze denken anders, en vooral de saamvatting van hun indrukken is een geheel andere. Het resultaat is dan ook gemeenlijk, dat twee zulke mannen al spoedig geheel van elkander afraken, en elkanders omgang en verkeer eer schuwen dan zoeken. Meestal zelfs vonden ze het de moeite niet waard, naar elkanders betoogen, opmerkingen en antwoorden te luisteren. Ze passen niet bij elkander, ' en hun wereld van denken ea voorstellen is een andere. Ook hier geldt 't daarom een wetenschappelijken strijd die nimmer zal zijn uit te maken. Wie zelf vreemd is aan de wereld van voorstellingen, gedachten en aandoeningen, die in Daniël aan de orde kwamen, zal nimmer voor de uitspraak van het geloof hier zwichten kunnen; maar ook omgekeerd zal wie gelooft en met mystieke overmacht in de geestenwereld in werd geleid, eerbied voor de aanraking van het heilige kunnen hebben, die hij voelt dat hier plaats grijpt.

De eeuwen pleiten hier voor Daniel. Reeds in de vier, vijf eeuwen, die aan Bethlehem voorafgingen, was de indruk van Daniël zoo overmachtig geweest, dat de Christus en zijn apostelen er Gods getuigenis uit opvingen. Na de verwoesting van Jerusalem is bijna acht eeuwen lang, Porphyrins dan uitgezonderd, in heel Christus' Kerk al wat 't boek Daniël ons bericht, voor waarachtig aangenomen en geëerd. En hier staat nu niet anders tegenover, dan dat sinds nog geen anderhalve eeuw, in een periode toen het ongeloof zijn verwoestingen begon, in van den Christus afwijkende kringen, de twijfel aan de echtheid van zijn geschrift allengs opkwam, voortdurend veld won, en nu ten slotte den doorslag gaf. In het oog vallend is het, dat de vijl der critiek ten deze reeds bij het eerste vers van Daniel's geschrift aan het raspen ging. In dat eerste vers toch staat te lezen: »In het derde jaar des Koninkrijks van Jojakim, den koning van Juda, kwam Nebucadnezar, de Koning van Babel, te Jerusalem en belegerde haar«. Zie hier nu aanstonds, zoo roepen de critici u-toe, de historische onbetrouwbaarheid van dit geschrift. Immers Nebucadnezar is eerst in het jaar 60S v. Chr. tot Koning van Babyion uitgeroepen, terwijl Jojakim regeerde van 607-—597.Wie dan ook eeniglijk rekening hield met die laatste belegering van Jerusalem, die ten slotte tot de vernietiging van het Israëlietisch volksbestaan geleid heeft, zou moeten toegeven, dat het hier beweerde met de historie niet klopte. Doch wat blijkt nu? Dit im'merSj dat Nebucadnezar, reeds eer hij later tot den belissenden aanval op de heilige stad overging en haar positie te niet deed, enkele jaren vroeger een voorloopige belegering tegen haar ondernam, ' en er in slaagde haar zeer scherp zijn meerderheid te doen ondervinden, zoo in het rooven van veel uit den tempelschat, als door de wegvoering van ballingen, onder welke dan ook Daniël, met Sadrach, Mesach en Abednego behoord hebben. Dat de heugenis van deze twee belegeringen en het onderscheid tusschen beide later niet meer met zulk een klaarheid door de historie in heugenis werd gehouden, kan niet verwonderen; maar juist daarom is het té opmerkelijker, dat we hier in Daniel deze juiste en onderscheidende toedracht van het gebeurde met zulk een precisiteit vinden aangegeven, en blijft het alleen verwondering baren, dat Nebucidnezar reeds bij dat eerste beleg als »Koning van Babel« wordt ingevoerd, terwijl toch vast stond, dat destijds Nabopolassar nog de Koning . in Babel was, en dat Nebucadnezar eerst na diens dood, alzoo bijna twee jaar later, zich de kroon op den schedel kon zetten.

Doch ook dit behoeft ons niet op te houden. Nebucadnezar was destijds nog wel niet gekroond, maar hij was de kroonprins; en juist zooals thans bij Verdun de Duitsche kroonprins op het gevaarlijkste punt met het opperbevel werd belast, zoo is het uitnemend te verstaan, dat ook Nabopolasser den toenmaligen kroonprins, en dit was toen Nebucadnezar, met het opperbevel over de militaire expeditie tegen Jeruzalem belast heeft. Vooral met het oog op het ernstig gevaar dat voor Bab3'lon nog steeds van den kant van Egypte dreigde, was het alleszins zaak zoo mogelijk Jeruzalem en Juda dra aan het Rijk te verbinden, en het althans van Egypte af te zonderen. Nu was Nebucadnezar, gelijk uit de geheele latere historie blijkt, een generaal en legeraanvoerder van eerste orde. Het was daarom volkomen begrijpelijk, dat hij doortastte, en dat Jeruzalem met Juda, al was het nog niet nominaal, toch feitelijk toen reeds onder Babel kwam te staan. De moeilijkheid zou alzoo alleen daarin schuilen, dat Daniel, om precies te. zijn, had moeten schrijven: In het derde jaar des Koninkrijks van Jojakim, den Koning van Juda, kwam Nebucadnezar, de Kroon-

prins van Babel, te Jeruzalem. En dit nu staat er niet. Erstaat: e Aö? ««!^van Babel. Doch wat ligt hierin nu hinderlijks? Daniel schreef dit eerste hoofdstuk in het Hebreeuwsch, en alzoo zeer vermoedelijk lang na zijn in gereedheid brengen van de hoofdstukken II—VII, die reeds voor lang in het Chaldeeuwsch waren, opgesteld, toen hij het tweede deel veel later aan het eerste deel toevoegde en saam hoofdstuk VIII—XII in het Hebreeuwsch stelde. Dit kon moeilijk anders geweest zijn, daar toen de Perzen de leiding hadden verkregen, en het met Nebucadnezar gedaan was. Daniel sprak derhalve in hoofdstuk 1:1 uit de herinnering van voor vele jaren, toen de Kroonprins reeds lang niet alleen Koning geworden was, maar zijn rijk ten slotte had zien ondergaan. Voor een man nu als Daniel-, die zelf jarenlang aan het Hof van Koning Nebucadnezar geleefd, gebloeid en geheerscht had, was het volkomen natuurlijk, dat hij, op 't verleden teruggaande, reeds in het derde jaar van Jojakim van hem, niet precies als kroonprins, maar als van den grooten Koning sprak, wiens luister hij van zoo nabij gekend had. Wie thans nog van den eersten Napoleon spreekt, maakt in zijn verhaal geenszins altoos een onderscheid tusscben Napoleon als Consul en als Keizer. Het is altoos Napoleon als Keizer, waaraan de latere historieschrijver denkt, als hij van den grooten Napoleon te getuigen heeft.

Hier komt dan nog bij, dat de Grieksche historieschrijvers, met name Herodotus, blijkbaar niet geheel op de hoogte van het gebeurde waren, en dat zelfs Xefiophon zich vergiste. Veeleer schijnen Berosus, de Babylonische priester, en anderen de juiste toedracht der zaak in het oog te hebben gehouden. Men leze en herleze dan ook slechts de uiterst nauwkeurige en breede betoogen, die niet alleenKliefoth, Zündel en Kranichfeld, maar met hen Keil en zoovele anderen, ter bestrijding van deze onjuiste uitspraak der critiek, ten beste gaven. Er is in geheel deze critiek geen enkel punt, hoe onbeduidend ook, dat niet door bestrijding, stiptelijk en met onweerlegbare gegevens, weerlegd is. En nu teruggaande op wat we over het nimmer notarieele karakter van de uitlatingen en mededeelingen der schrijvers van de heilige boeken zoo 'straks opmerkten, treft het te meer, dat hier de volstrekte wederlegging van de geopperde bezwaren door mannen van den eersten rang niet slechts ondernomen, maar met kracht doorgezet is. Met zulk een kracht zelfs, dat thans de poging om reeds het eerste vers van Daniel als geheel onjuist voor te stellen, al meer omsloeg in een aan-het licht doen treden van de bijzondere beteekenis, die juist deze mededeeling in het eerste vers voor een juist inzicht van het gebeurde ons biedt. En of men nu van de zijde der critici al beweert, dat verdere bestrijding van de echtheid van Daniel veilig uit kan blijven, daar het nu reeds uitgemaakt is, dat het enkel verzinselen ons aanbiedt, de indruk dien deze taal der hooghartigheid achterlaat, is toch geen andere, dan dat wie zóó spreekt, gemeenlijk de voelhorens mist, om met kennis van zaken in dit heilige geding mee te spreken, maar zich van dit gemis niet bewust is.

') Voor verreweg de meeste lezers van dit artikel kan niet nader op het verschil tusschen het 3e en 4e jaar van Jojakim, dat zich hier voordoet, worden ingegaan. Toch zij hier in een noot een korte nadsre toelichting aan toegevoegd voor hen, die de noodige kennis bezitten om de gereede oplossing van dit geschil in te zien. Uitgangspunt is hierbij dan, dat Nebucadnezar niet pas toen hij aan het bestaan van den Joodschen Staat feitelijk een einde maakte, Jerusalem aanviel, belegerde, innam, plunderde en verwoestte, maar dat hij reeds vooraf in een vroegere expeditie Jerusalem zijn overmacht deed gevoelen, het aan zich onderwierp, en het noodzaakte én door het afstaan van ballingen én door het toestaan van tempelberooving, te zwichten voor geweld; en het is deze eerste verovering van Jerusalem, waarop Daniël dan doelt, als hij in 't eerste vers van zijn boek mededeelt, dat in het derde jaar van Jojakim's regeering, Nebucadnezar tegen Jerusalem optoog. Het was, toen deze eerste expeditie haar macht aan Jerusalem gevoelen deed, naar luid van hoofdst. I : 1, het derde jaar van Jojakim's bewind, en voor heel het toenmalig Oosten een zeer spannend moment. Assyrië was teruggedrongen en Babel naar voren getreden, maar tegelijk was in Egypte Pharao Necho heerscher geworden, en deze zon er op om in West-Azië zijn oppermacht te bevestigen en het optreden van een groote macht bij Tiger en Eufraat tegen te gaan. Hij vestigde daartoe een sterke militaire macht bij Karchemis, en was er in geslaagd te Jerusalem Koning Jojakim als zijn vasal de kroon te doen aanvaarden. Hij had daartoe Josia's leger moeten overrompelen, en toen na diens dood Joahaz als koning te Jerusalem was uitgeroepen, besloot hij dezen Joahaz op zij te dringen, en zoo besteeg toen Jojakim in diens plaats en als Pharao's vasal, in de laatste maand van 610 vóór Christus den troon van David. Te Babel zag men het zeer ernstig gevaar van dit opdringen van de Egyptische macht terstond in, en de toenmalige Koning van Babel, Nabopolassar, achtte het in overleg met zijn ministers noodzakelijk, niet langer te aarzelen, maar zoo mogelijk aanstonds aan Pharao den steun dien deze in Jojakim vond, te ontnemen. Daartoe zond hij toen in 607 een aanzienlijk leger naar het Westen, en zoo ook haar Jerusalem, om hier de Egyptische overmacht zoo mogelijk te breken. Het leger dat hij daartoe uitzond, stelde hij onder het bevel van den toenmaligen Kroonprins Nebucadnezar, en dit te eer, daar toen reeds meer en meer bleek wat eniale persoonlijkheid, wat machtig veldheerstalent, en wat regeerzin in dezen Kroonprins al meer aan net licht kwam. Deze veldheer-kroonprins Nebucadnezar toog toen eerst tegen Egypte op, en versloeg bij Karchemis in de vierde maand vari het jaar 607 v. Chr. de hoofdmacht van Pharao's leger, en slaagde er kort daarop in, ook op het f ebied van Palestina de bezettingen en legerafeelingen die Pharao er had weten te vestigen, zoo doortastend aan te grijpen, dat Pharao's macht hier voor goed gebroken - was. Dit nu sloot in, dat ook de invloed, dien Egypte zich in Jerusalem had weten te verzekeren, door Jojakim als vasal-Koning aan te stellen, geknakt moest worden. Jerusalem was een sterke vesting, en het beleg van Jerusalem kostte tijd. Toch werd in de 9e maand van 607 v. Chr. de tempelstad ingenomen. Met Jojakim werd toen accoord gesloten, en te Jerusalem kocht men den tijdelijken vrede door in tempelroof en in het uitvoeren van ballingen te berusten. Als ballingen koos de overwinnaar toen eenige talentvolle jonge mannen van aanzienlijke families uit. Deze werden te Babel terstond aan een Chaldeeuwsche priesterinrichting toevertrouwd, om ze geheel in het Chaldeeuwsche recht en in de Chaldeeuwsche hofusantiën op te voeden. Drie jaren zou die leertijd ook voor Daniël en zijn drie vrienden duren, en daar deze paedagogische opleiding begon in het jaar 607 v. Chr., moet ze in het jaar 604 v. Chr. afgeloopen zijn geweest. Nebucadnezar naih met dit doel deze jonge mannen niet zelf mede, maar zond ze onder hooge escorte naar Babyion vooruit, terwijl hij zelf alsnog in West-Azië achterbleef, om zoo mogelijk aan de Egyptische macht elk weeropkomen te beletten, en van de Tiger tot aan de iVIiddellandsche Zee de Babylonische macht te grondvesten. Aan dit voornemen nu in West-Azië kon hij intusschen geen afdoend gevolg geven, daar in 'het midden van 605 hem het bericht uit Babyion bereikte, dat zijn vader Nabolopassar gestorven was, en hij alzoo als Troonopvolger de kroon had te aanvaarden. Jojakim werd dan ook niet afgezet, maar bleef, nu onder Babylon's oppermacht, koning. Van trouw aan Nebucadnezar was echter bij hem geen sprake. Het samengaan met Egypte b'eef hem veeleer aldoor bekoren. Zoo verliepen er drie jaren na de eerste verovering van Jerusalem door Nebucadnezar, dat de verhouding onbeslist bleef, maar toen achtte Jojakim het oogenblik gekomen om voorgoed en openlijk af te vallen van zijn Opperheer. In het derde jaar na het eerste aangegane accoord, en alzoo in 609 v. Chr., ging Jojakim hiertoe over. Nebucadnezar zag toen geen kans om Jojakim hierin onmiddellijk tegen te gaan, zoodat Jojakim gedurende vier jaren aan Egyptes leiband liep. Maar eindelijk verdroot hem dit toch, en toen in het zevende jaar van zijn Koningschap, en alzoo in het elfde jaar van Jojakiras bewind, d. i. in het jaar 599 v. Chr., besloot hij een machtig leger tegen Jeruzalem uit te zenden, nam het na een niets sparende belegering in, en Jojakim verloor zijn leven.

Het tegenstrijdige in de tijdsopgave ligt alzoo hierin, dat Daniël in den aanhef van zijn boek spreekt van het derde jaar van Jojakims regeering, - . terwijl uit de overige gegevens bij Jeremia, in het boek der Koningen en der Chronieken volgt dat, zuiver chronologisch genomen, de eerste aanval op Jeruzalem plaats greep in het vierde jaar van Jojakims bewind. Stel, dat lojakim in de laatste maand van 610 den troon beklom, en dat Nebucadnezar - in de eerste maand van het jaar 607 als legerhoofd optrad, in de vierde maand van dat jaar bij Karchemis het Egyptische leger versloeg, en in de negende maand van 607 Jeruzalem innam en Jojakim onderwierp, dan kan en moet men, zuiver rekenend, chronologisch, zeggen, dat Jeruzalem werd veroverd in het vierde jaar van Jojakims bewind. Maar vraagt men, enkel op den duur van zijn bewind ziende, hoeveel jaren hij toen reeds regeerde, dan was het toch feitelijk eerst Jojakims derde regeerjaar, juist zooals Daniël in hoofdstuk I : 1 't zegt. Het is er mee als met de berekening van 'onzen eigen leeftijd naar onzen geboortedag. Wie in December geboren is, wordt eerst in December 1902 twee jaar. Doch naar den Almanak gerekend, was hij er reeds in 1900, doorleefde 1901 geheel, en nu ook 1902 bijna. Hij wordt dus pas twee jaar, maar is er toch in drie achtereenvolgende kalenderjaren reeds geweest. Volgt nu in Daniël II : 1 v. v., dat in het tweede faar van Nebucadnezar's Koningschap Daniels koningsdroom van het beeld met de vier metalen inviel, dan bleek toen de proeftijd van drie jaar te Babyion reeds achter hem te hebben gelegen. Ook dit echter levert geen bedenking op. Aan Nebucadnezar wordt in de H. Schrift een regeeringstijd van 45 jaar toegeschreven, terwijl Berosus hem op slechts 43 jaren stelt. Dit nu is daaraan toe te schrijven, dat Daniël rekent van af zijn optreden bij Karchemis, en tusschen den grooten s ag bij Karchenis en zijn kroning te Babyion verliepen metterdaad twee jaren. Vandaar dat eenerzij ds van 45 en anderzijds van een regeering van slechts 43 jaren gesproken wordt. Daar nu in Daniël II : 1 v.v. niet gedoeld wordt op wat Nebucadnezar als Kroonprins-veldheer voor de poort van Jeruzalem deed, maar eeniglijk op zijn feitelijk zitten op den troon van Babyion, kon hier niet anders gesproken worden dan van het tweede jaar van Nebucadnezar's Koningschap. Saam is er alzoo sprake van vier jaren. De leertijd van Daniël, Sadrach, Mesach en Abednego, had derhalve reeds een jaar geleden zijn einde bereikt, en zoo ligt er niets strijdigs in, dat Daniël als reeds volleerd droomduider reeds in het tweede jaar van 't feitelijke Koningschap van Nebucadnezar zijn plaats aan het Hof te Babel had ingenomen. Terecht is bovendien door de geloovige uitleggers van Daniel's geschrift opgemerkt, dat in Daniël I aansluiting bestond aan het leven van Gods volk, en dat daarom in het eerste hoofdstuk te rekenen viel met wat te Jerusalem de beslissing gaf, en alzoo twee jaren vroeger viel, doch dat daarentegen bij den droom van Nebucadnezar Israël uitviel, en alleen te rekenen was met Nebucadnezar's Babylonisch bewind. Wie dezen gang van 't betoog in de Schrift wil nalezen, heeft, gelijk we reeds aangaven, in het tweede boek der Koningen het verhaal na te slaan vanaf hoofdstuk 23 : 34 tot 24 : 7, in het tweede boek der Chronieken hoofdst. 36 : 4—8. En voorts vooral Jeremia 46 : 2, dan hoofdst. 25 : 1 v. v. en ten slotte hoofdst. 36 : 1 v.v. En hierbij komt dan het veelzeggende stuk uit het verhaal van Berosus, dat in Flavius Josephus en Appius' citaten voor ons Jjewaard bleef. Op Berosus dient hier nauwkeurig gelet. Hij leefde toch in Babel, als heidenpriester in den tempel van Bel, toen Alexander de Groote Babyion binnentoog. Hij schreef in het Grieksch een werk in drie afdeelingen over de Chaldeeuwsche geschiedenis onder den titel Chaldeica, Het archief van den tempel had hem hierbij als bron gediend, en van meetaf genoot dit werk in heel Griekenland en West Azië groot aanzien. Het werk zelf bezitten we niet meer, doch rijke citaten er uit staan nog ten dienste, die door Muller in 1848 te Parijs in de Fragmenta historica Graecorum zijn uitgegeven. Breeder mag deze noot niet worden. Ze geeft slechts een proeve van 't pleidooi voor Daniels echtheid, gelijk dit in tal van kundige 'Schrijvers ons ten dienste staat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 oktober 1916

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 oktober 1916

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren