GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Over Emil Ludwig.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Over Emil Ludwig.

14 minuten leestijd

Napoleon, door Emil Ludwig. 2e druk. N.V. Van Loghem Slaterus' tF. M. — Arnhem.

Als hieronder weinig gezegd wordt over het boek «n des te meer over den schrijver, dan vloeit dit voort uit tweeërlei. Primo uit den wensch der Redactie, in deze rubriek te bieden niet een recensie in den gangbaren zin_, maar de belichting van een strooming, de typeering van een stelsel, de bespreking van een schrijver in het algemeen. En dan uit het'feit, dat wie zich met LiUdwig's werk bemoeit, eerst stuit op den schrijver zelf, dien men telkens weer ziet staan, sterk emphatisch en suggestief in z'n wijze van voorstellen, tusschen zich en de geboden historische stof.

Emil Ludwig heeft de laatste jaren een interesse genoten als aan weinig schrijvers te beurt valt. Zijn boeken maken in honderdduizenden exemplaren de reis om de wereld. Elk nieuw werk — en deze •auteur is buitengewoon productief — maakt furore. De Duitscbe oplage van zijn „Wilhelm II" en „Juli "14" heeft in totaal het respectabele cijfer van een derde millioen reeds overschreden. In het buitenland trekken vooral die van zijn boeken, waarin mede behandeld wordt Duitschlands recente politieke geschiedenis, zeer de aandacht.

Ludwig, die Europa zijn vaderland noemt en "de Europeesche oorlogen burgerkrijgen, is in veler oog opgeklommen tot de beteekenis van een internationale figuur.

Toen hij, de Duitscher, dan ook in 1927 als privaatpersoon, zonder eenige opdracht, Londen bezocht, gewerd hem een enthousiaste ontvangst. Hij werd niet slechts begroet door schrijvers als Wells en Shaw, maar ook door de leidende persoonlijkheden in het publieke leven: Churchill, Grey, Balfour, Mac-Donald, Lloyd George — zoodat aan deze Londensche reis door sommige bladen zelfs werd bijgezet het gewicht van een politieke en cültureele missie.

Het is hier misschien de plaats om een enkele korte biografische aanteekening te maken. Emil Ludwig (pseudoniem voor E. Cohn) is voortgekomen uit een Duitsch-Joodsch geslacht van geleerden en industriëelen; studeerde kunstgeschiedenis en rechten in binnen-en buitenland; verwierf op z'n vele reizen bekendheid met menschen en talen; werd na zijn promotie in de rechten referendaris, daarna koopman (1 jaar), wijdde zich toen geheel aan de schrijfkimst. Eerst drama's en essays Ijan de drama's zijn enkele opgevoerd, zonder veel succes) vóór en in den oorlog houdt L. zich bezig met politieke journalistiek, sinds 1919 zet hij op een rij grootere en kleinere psychografieën, waarvan de voornaamste zijn: Napoleon, Bismarck, Goethe, Wilhelm II; (van de kleinere) Stein, Rathenau, Dehmel, Bang.

Hij staat politiek buiten elk j)aftij-verband; aanvaardt geen erfkele kerkelijke confessie. Verblijft 9 maanden van het jaar te Moscia bij het Llago» Maggiore (Zwitserland); brengt overigen tijd door met reizen.

Bsych o grafie, zielsbeschrijving, dat is het literatuur-genre, waarin Ludwigs beteekenis ligt. Hij gevoelt zich aangetrokken tot de groóte figuren, de heroën der menschheid, waar hij ze vindt: veldheeren, politici, kunstenaars, groot-industriëelen.

Maar het is hem niet te doen om de som van hun levens-ervaringen, hij wil niet geven een phiinomenologie (totaal der gebeurlijkheden) van hun geschiedenis, hij bedoelt geen feiten-registreering. Wat hij beoogt is de geschiedenis van een karakter, de uitbeelding van een menschenziel in haar conflicten en verwarringen, haar triomfen en nederlagen, haar moeizaam streven en doffe gelatenheid. Hij wil ons laten zien, hoe uit het zielsproces van gevoelens en stemmingen, van berekeningen en fantasieën, van besluiten en hun belemmeringen, van handelingen en haar reflexen zich geleidelijk de 'innerlijke geistalte van zijn held kristalliseeren gaat. Zijn^doel is niet de foto, die slechts het moment vasthoudt, maar het portret, dat de zielediepte onthult. Is hij: gegrepen door een of andere imposante figuur, die hij op zijn weg ontmoet, dan geeft het aanstonds een worsteling, om den vreemde het geheim zijns wezens te ontwringen, en Ludwig rust niet, eer hij het in zijn bezit acht. Daarbij maakt hij gebruik van de intuïtieve gave der Einfühlung, bet vermogen om zich in eens anders zieletoestand te verplaatsen, zich in fe voelen in eens anders zieleleven, welke gave Ludwig onmisfcenl)aar eigen is. Gewoonlijk vangt hij aan, zich te werpen op de beeltenissen, de „stomme verraders", die van gijn object voorhanden zijn — hij begint niet met over hem Ie lezen, h^ wil eerst zien. Is er ergens een foto, een teekening, een portret van hem voorhanden — de schrijver is er bij om' uit den spiegel van het gelaat de verborgen trekken van het karakter saam te lezen.

Ludwig getuigt, dat toen hij alle 165 afbeeldingen van Goethe nauwkeurig had bestudeerd (zonder verder iets meer van hem af te weten dan de doorsnee-Duitscher") hij diens zielsgeschiedenis neerschreef in tien bladzijden" en dat hij den grondvorm van deze schets niet heeft veranderd, toen hij later na kennisname van de historische documenten, Goethe's geschiedenis beschreef in 1400 pagina's. Op de afbeeldingen volgt het onderzoek van het handschrift — op de physionomie de graphologie. Vervolgens komen de gesprekken, de brieven en de dagboeken. En eindelijk de beschrijvingen van tijdgenooten en geschiedvorschers. Geen enkel middel wordt verzuimd om achter 't geheim van het te beschrijven karakter te komen. Zag Ludwig b.v. kans de nauwkeurige afbeelding van een hand machtig te worden, hij zou trachten uit de lijnen van die hand het karakter te duiden, en in sommige gevallen trekt hij iemands horoscoop (zooals van 'Bismarck) — pnnoodig te zeggen, dat de liieruit verkregen gegevens natuurlijk geheel overeenstemmen met Ludwigs opvatting van Bismarcks zieJsstructuur.

Ludwigs werk heeft heel wat pennen 'in beweging gebracht. De schrijver is beurtelings vergood en vertrapt. Men heeft hem genoemd de Duitsche Plutarchus, men heeft hem vergeleken met coryphaeën als Carlyle, Macaulay, Taine en Brandes. Hij is aangewezen als een der meest vooraanstaande mannen van Europa, Duitschland is gelukkig geprezen, een man als Ludwig te hebben voortgebracht, een enkele heeft voorgeslagen, hem een blijvende plaats te bezorgen in een of andere Siegesallée. Daarentegen noemt b.v. Marsman in „De Gids" (Dec. '29) hem een stommeling, hij scheldt hem uit voor een speculant, een begaafd prul, een slordig veelweter, een handig patheticus, een universeel en actueel schreeuwer, en zegt dat met griezel en verwondering het vulgus, waarvoor hij schrijft en waartoe hij behoort, zijn onthullingen gadeslaat. De vakgeleerden op het gebied der historie in Duitschland staan met Ludwig evenzeer op gespannen voet. Zij beweren, dat hij psychologische feuilletons schrijft, de historische bronnen niet dan vluchtig heeft ingezien en daardoor herhaaldelijk fouten maakt, oppervlakkig werk levert, en nooit een goed historieschrijver kan worden, omdat hij naar zijn aard veel meer impressief dan reflexief te werk gaat. Ludwig is hun het antwoord niet schuldig gebleven. Hij verwijt de „mannen aan het mikroscoop", dat zij niet schrijven kunnen, de groote massa nooit hebben kunnen bereiken; inplaats van in enkele bladzijden de resultaten van hun onderzoek mede te deelen, dikke vervelende boeken hebben geschreven, die niemand interesseerden en aldus de geschiedenis in een kwaden roep brachten; en ten slotte dat het hun al te vaak aan mensch enkennis en wereld wijsheid ontbrak om tusschen tegenstrijdige gegevens een juiste beslissing te treffen.

Om den veelschrijvenden en veelbesproken auteur Emil Ludwig recht te doen, moet aanstonds worden toegegeven, "dat hij in tweeërlei opzicht zeer buitengewone qualiteiten vertoont, n.l. als psycho^ loog en als schrijver. Ludwig is ontegenzeggelijk menschenkenner bij uitnemendheid. "Wie b.v. het fijne spel tusschen Napoleon en Talleyrand zóó open kan leggen als hij, wie een hoofdstuk kan schrijven als „Kabalen" in Wilhelm II, wie zóó analyseerend kan doordringen in een karakter als dat van Bismarck, wie in enkele bladzijden 'van de meest uiteenloopende figuren een fijn-geciseleerd beeld kan ontwerpen als Ludwig deed in zijn „Genie und Charakter", dien mag niemand den lof van groot, scherpzinnig psycholoog onthouden.

Het blijkt slag op slag, 'dat Ludwig niet slechts aan het leven van zijn helden „monomaan heeft gehangen", maar ook hun wezen tot op groote diepte doorschouwd heeft. Minstens even groot als psycholoog is Ludwig als schrijver. Hij beschikt over een 237 ongeloofelijke hoeveelheid materiaal, dat hij meesterlijk weet te ordenen. Wat men o6k in grootere geschiedwerken niet vindt, vindt m'en bij' hem, en omgekeerd: wat men overal vinden kan, heeft hi| opzettelijk weggelaten. Zijn stijl is brillant. Hij weet dien te smeden naar den éisch van het oogenblik. Soms ruischen z'n zinnen breed, lyrisch bewogen; vaker klinken ze forsch, overtuigend; heel dikwijls beitelt hij ze abrupt, markant, lapidair, met den korten, scherpen klank van ijzer op ijzer. In plastischuitbeeldend vermogen wordt hij door weinig schrijvers overtroffen. Het gaat niet aan, hier voorbeelden te citeeren; heel zijn werk js er voorbeeld van. Hij stelt altoos in het praesens: hij weet ook werkelijk het verleden op te roepen en, Tjezield, in het heden te doen leven. Ook schrijft hij „aus einem Gusz", wat te verwonderlijker is, omdat een groot deel van zijn werk wordt ingenomen door de eigen woorden van den beschrevene (bij „Bismarck" meer dan 1/3 van heel de stof) en toch: nergens hokt het, want !Ludwig verstaat de kunst deze eigen uitingen op de natuurlijkste wijze in zijn beschrijving in te vlechten. En wat niet het minst verdienstelijk is bij historie-beschrijving: de auteur houdt de aandacht van het begin tot het eind gespannen; in zekeren, ononderbroken gang, als een dramatische film, die onze attentie geen oogenblik loslaat, vliet het belangwekkende leveii, dat Ludwig ons Jooaf, aan onzen blik voorbij.

Psycholoog, schrijver — maar nu komt de zeer belangrijke vraag, óf Ludwig, die zich voornamelijk beweegt op het terrein der historie, ook historicus kan genoemd worden. Ludwig zelf wijst deze benaming af; hij wil zich als kunstenaar betiteld zien. Den geschiedvoTscher, zoo stelt hij het voor, is het om waarheid zonder meer; den kunstenaar om de waarheid in het gewaad der schoonheid te doen. Met de gegevens, die de historici hem verschaffen, wil hij het rijk der schoonheid bouwen. De geleerden vinden; de ontvankelijke kunstenaarsziel wordt door het gevondene geroerd, gegrepen, en weet dö losse, verspreide fragmenten tot één levende eenheid te doen samengroeien. Ironisch rekent Ludwig zichzelf ergens tot de bastaarden, geteeld uit historie en verdichting. Toch ligt in deze laatste uitdrukking veel waars. Zien wij wel, dan is Ludwig noch ten volle historicus, noch ten volle kunstenaar. Zijn kunstzinnige aspiraties zijn hem eenerzijds zeer te stade gekomen l)ij de bewerking zijner psyoho> grafieën. Anderzijds hebben zij de historische beteekenis van zijn werk belangrijk geschaad. In Ludwigs bastaardschap gelijk hij dat zelf teekent, ligt tevens in zekeren zin de tragiek van zijn levenswerk. ; '

Een enkel woord tot nadere toelichting.

Dat Ludwig geen historicus is in den engeren zin des woords, geeft hij niet slechts zelf toe, maar blijkt ook voldoende uit zijn arbeid. Het sierlijk en smaakvol stuk architectuur dat hij optrekt, heeft overal een te smalle, te zwakke basis. De behandelde personen zijn vrijwel geheel losgemaakt vaQ hun milieu. Van de cultuurphase, waarin ze optraden, van de heerschende zeden, van de geestelijke stroomingen, die hun tijd beïnvloedden, hoort men niets; de bestudeering van dit alles is door Ludwig verwaarloosd. Het is hem mogelijk, een boek als „Juli '14" te schrijven, donder van economische yerhoudingen te spreken en haar invloed op het ontstaan van den wereldoorlog. Een natuur als die van Ludwig is ook niet ingesteld op de moeizame studie van toestanden, maar op de teekening van zielsprocessen; doch dat gemis van het eerste op zichzelf reeds hem den haam van historicus doet inboeten, zal duidelijk zijn. Evenmin is Ludwig ten volle kunstenaar. Hij vergelijkt'ergens het werk van den kunstenaar bij het schikken ^n vlechten van bloemen, onder het gaan geplukt, tot een krans, frisch en bont als een beeld van de weide zelf. Doch eerste vereischte voor hem, diei aanspraak maakt op den kunstenaarsnaam, is toch wel het scheppend vermogen. En dat LHidwig dit vermogen niet bezit, blijkt overtuigend uit zijn drama's. Wie ze ter hand neemt, merkt aanstonds dat de schrijver wel talent heeft. Maar de gestalten, die hij ten tooneele voert, leven niet. Onwillekeurig denkt men onder het lezen aan liet visioen uit Ezechiël 37: Ludwigs figuren bewegen zich, ze bezitten beenderen, vleesch en zenuwen, maar er is geen geest in hen: z.e> zijn zeer dor. De scheppingsgave is Ludwig ontzegd. En nu heeft hij wel artistieke neigingen, er is wel kunstenaarsbloed in hem. Wie als hij de groeten in het rijk der kunst kan uitbeelden, moet een verwante ziel zijn. Ook zijn meesterschap over den vorm is onbetwist. Maar Ludwig vertoont juist op zijn zelfgekozen terrein, dat der psychografie, de gebreken zijner deugden. Hij bezit een „hang" tot dramatiseeren, dien hij niet onderdrukken kan. Reeds de indeeling zijner grootere biografieën legt hiervan getuigenis af. Nog meer valt dit op, als men let op het Rembrandtieke licht, het „hell-dunkel", waarmee Ludwig, ook naar eigen getuigenis, werkt. Maar wat den schilder geoorloofd is, is den historieschrijver niet vergund. Wat Ludwig hoogere werkelijkheid noemt, wordt op het terrein der historie licht onwerkelijkheid. Sommige partijen b.v. uit zijn „Napoleon" z'iijn te hel belicht; in zijn ^, Bismarck" met name zijn de schaduwen op meerdere plaatsen te zwart aange-

beslissen moet is eigen stichting (iets anders dan aesthetische bekoring!) en, daarnaast en niet minder, de stichting der gemeente.

En dan zal de beslissing wel niet bij allen, en ook niet onder alle omstandigheden, dezelfde zijn.

Want ook de omstandigheden spreken hier een woord mee.

Ik zou er b.v. naar het me voorkomt, geen bezwaar in hebben c.q. meestal bij dien Dienaar ter kerk te gaan, wiens prediking zich bet meest aansluit bij mijn persoonlijk zieleleven, zoolang, geen van de Dienaren, door het liefdeloos gebruik dat de gemeenteleden van hun vrijheid maken, ontmoedigd en verlamd dreigde te worden. Terwijl ik, zag ik, dat het gevaar voor dit laatste dreigde, het mijn plicht zou kunnen rekenen, bij den miskenden Dienaar ter kerk te^gaan.

'kZou me ook het geval kunnen denken, dat in de kerk, waartoe ik behoorde, een Dienaar — niet om de degelijkheid zijner prediking, maar enkel om z'n mooie stem, z'n mooie volzinnetjes, de mooie versjes, die hij zoo mooi te pas weet te brengen, of welke andere futiliteit ook die een prediker volle kerken kan bezorgen — c^p ongewettigde en overdreven wijze werd nageloopen; en dat ik het daarom m'n Christelijke roeping achtte, bij wijze van protest, en om een voorbeeld te geven, gedurende geruimen tijd bij zulk een Dienaar niet te kerken.

Ook uit een andere overweging zou ik tot zulk een gedraging kunnen besluiten.

Hetzoub.v. kunnen zijn, dat een der Dienaren van de kerk waartoe 'ik behoorde, inderdaad zóó ver lioven al de anderen uitblonk in macht om het Woord te bedienen, dat het een gewetensvraag voor me werd, of ik wel naar den eisch der 'liefde handelde, met me eiken Zondag maar weer een plaats onder zijn gehoor te veroveren, zonder er me erover te 'bekommeren, dat ik daardoor, in gemeenschap met de overige stormloopers, anderen die evenveel recht op den dienst van den gevierde hebben als ik, beroof van de gelegenheid hem te hooren. O, dat hollen en dringen en vechten om een plaatsje — en dat triumfeeren in het machtigworden ervan, is in den grond zoo'n liefdeloos en harteloos gedoe... „Een iegelijk denke niet aan het zijne, doch ook aan hetgeen dat der anderen is".

Ook zou het kunnen gebeuren, dat ik inzag, om niet eenzijdig te worden of in zekere eenzijdigheid te worden gesterkt, niet altoos de bediening te moeten zoeken van den Dienaar die me — laat ik het zoo noemen als het doorgaans heet — het best bevalt, — maar, althans van 'tijd tot tijd, me te moeten zetten onder het gehoor van een tegenvoeter. Want voorkeur voor een bepaalden Dienaar kan voorkeur voor me-zèlf beteekenen, en voorkeur voor me zelf is naar alle waarschijnlijkheid voorkeur voor een of andere eenzijdigheid.

Ook zou het kunnen zijn, dat ik met eenige beklemming dacht aan de onmogelijkheid voor de Opzieners der gemeente, om, 'bij het Zondagsche boompje-verwisselen van de leden der verschillende wijken, het kerkgaan der gemeenteleden te controleeren, en daarom oordeelde, dat ik mijn vrijheid' voor een deel ten offer had te brengen aan het opzicht.

En zoo zou ik meer kunnen noemen, dat wel verdient even onder onze aandacht te "komen, als we gaan denken over het gebruik, dat we hebben te maken van onze vrijheid in ons ierkgaan.

Misschien kan dit hier of daar iemand helpen, bij het vaststellen van wat in zijn geval „de goede en welbehagelijfce wil Gods zij".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1930

De Reformatie | 10 Pagina's

Over Emil Ludwig.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1930

De Reformatie | 10 Pagina's