GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

LITERATUUR EN KUNST

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

LITERATUUR EN KUNST

11 minuten leestijd

Calvinistische Litteratuurbeschouwing.

I.

Het jongste April-nummer van Opwaartsche Wegen bevat een artikel van één zijner Redacteuren onder den welmeenenden titel: „Bezint... eer gij verder gaat" en gericht tegen een opstel over ..Christelijke litteratuur", door schrijver dezes gepubliceerd in De Reformatie van 24 Jan. 1936.

Daar Roel Houwink tegen de hoofdstrekking van ons betoog prindpiëele bezwaren inbrengt en lijn opmerkingen besluit met de woorden: „Bezint (letterlijk geciteerd, D.), gij waarde broeder in Christus, eer gij verder gaat! En zoo gij meent, dat de Waarheid (en niet uw waarheid) u tot „scheiding" drijft, onthoud ons uw klare argumenten liet in zulk een belangrijke zaak"; daar dus onze opponent prijs stelt op nadere toelichting, achten we het onzen Christenplicht meer in bijzonderlieden rekenschap af te leggen van ons gevoelen. Tot recht verstand van het volgende herinneren weeraan, dat we destijds definieerden: Christelijke Meratuur in den eigenlijken zin des woords is Calvinistische litteratuur. Daarmede onder meer beoogend het achteloos spelen met den term Chrislelijk, ook in deze verbinding, onder ons tegen Ie gaan. Tegen de gelijkstelling: Christelijke litteratuur = Htteratuur van Christenen teekenden we protest aan, van meening, dat het Calvinisme deze verlegging van de norm naar het subject des auteurs geenszins gedoogt.

Evenmin achtten we Roel Houwinks dialectisch gekleurde aestlietica-in-nuoe „Christelijk". Een Ghr. letterkunde, zoo had hij n.l. betoogd, welke niet weet van de crisis, die over de door haar geopenbaarde daemonic der schoonheid vonnis strijkt, zuLk een Christelijke letterkunde draagt haar naam ten onrechte. Wij vragen — dit in het voorbijgaan — of wie zóó scTierp en principieel de dingen stelt wel veel reden heeft over anderer „separatisme" zich te beklagen. Niet dat we deze scherpte alkeuren. Het Christelijk leven in de crisis stellen beteekent ook: onverbiddelijk front maken tegen zulk een litteratuur en litteratuurbeschouwing, welke roemt in haar uit Christus ontvangen bezit, waarheids- en schoonheidsbezit. En van zijn zijde belijdt de Calvinist, dat men in de schoonheid geen doemwaardige daemonie kan leggen zonder blasphemie tegen aller schoonheid eeuwige Fontein. Het is goed deze dingen elkander rustig en onomwonden te zeggen.

Overigens spraken we, om tot ons vorige artikel terug te koeren, duidelijk uit, het begrip Gereformeerd niet enkel antithetisch te willen verstaan.

Eindelijk noemen we zulk een probleemstelling onjuist, die uitgemaakt wilde zien, hoeveel een litterair werk aan waarheidsgehalte prijs kan geven zonder het recht op den naam „Christelijk" te verbeuren.

Tegen deze dingen komt Roel Houwink in verzet. „Hier staat voor de zooveelste maal het separatisme (de schrijver bezigt zelf het woord nadrukkelijk) aan de deur en eischt zijn buit". Inderdaad gebruikte de schrijver dit woord, edoch in de oratio obüqua, als te verwachten verwijt, i) En blijkbaar bedroog zijn voorgevoel hem niet. Maar waarlijk bevreemdend is de argumentatie, die deze beschuldiging van „separatisme" waar moet maken. Onze opponent acht zich n.l. gerecihügd Paulus' vermaning aan de Corinthiërs tegen ons te keeren, die twistten over het volgen van Paulus, Apollos, Cephas, Christus. 2) „Wij, Calvinisten; wij, confessioneelen; wij, „dialectici" en wie gij meer wilt, wij staan allen onder dit woord. Is Calvijn voor ons gekruist, of soms Kuyper of Harth of Kohlbrugge — of Christus? " Het is niet onze schuld, dat we hier herinneren moeten aan de elementaire waarheid, dal hier door Paulus bestraft wordt het scheurmaken om niets, de verdeeldheid om menschen, om dienai'en Gods, één in prediking en leer. „Maakt" soms de dialecticus „nat" wat Kuyper heeft geplant?

Daar komt bij: óf het „wij staan allen onder dit woord" is van allen redelijken zin ontbloot, öf de schrijver heeft ook zelf gekozen. En behoort dus tot hen die zeggen: „Ik ben van..." En we zouden ons daarin verheugen. Een karakterloos Christendom is een bleek fantoom dat, gelijk aan de schimverschijningen bij de Klassieken, aan alle omhelzing zich onttrekt.

Dezelfde Apostel Paulus waarschuwt tegen „zware wolven"'); tegen „wind der leer"*); tegen „argUsügheid om listiglijk tot dwaling te brengen"*); tegen lieden „welken men moet den mond stoppen" 5); tegen kettersche menschen, die men moet verwerpen na de eerste en tweede vermaning 6); tegen hen wier „woord zal voorteten gelijk de kanker"'). Ja, hij smeekt zijn broeders: „neemt acht op degenen die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer die gij van ons geleerd hebt, en wij k t af van hen" *). Nu dus ook Paulus met zijn „wijkt af" tot separatist geworden is (in den door R. H. aan dit woord geschonken zin), dragen we deze beschuldiging zeer getroost. En, luisterend naar Paulus', d.i. Christus', woord, zijn we ons ervan bewust, dat ketterij en ergernissen er wel minder herkenbaar, maar niet minder verleidelijk op plegen te worden, als ze het kleurig gewaad van poëzie of roman om zich heen drapeeren.

Separatisten waren we dan, wanneer we slechts litteratuur van Calvinistischen huize Christelijk noemden. Het sdi^ijnt R. H. nog niet geheel duidelijk te zijn, hoe wij op ons standpunt ons vrij kunnen houden van die onzalige schijn-consequentie. Reeds de ruime doopserkenning aan de zijde der Calvinisten had hem kunnen leeren^ dat dezen allerminst - enghartig de werkiiig van Gods Woord en Geest binden aan den engen kring der geestverwanten. Om met Fabius te spreken: „het Gereformeerde (is) niets anders dan het echt Christelijke, de van veel mensehelijke dwalingen gezuiverde Waarheid Gods"^). Wlaar in de htteratuur we die waarheid vinden, in verheerlijking van den Christus naar de Schrift, begroeten we haar als echt Christelijk met groote vreugde. Zonder concrete toelichting /ou dit getheoretiseer kunnen schijnen, waarom we in een volgend artikel aan de hand van voorbeelden willen aantoonen hoezeer hiermede een reëel belang is gemoeid.

R. H. onderstelt verder bij ons beduchtheid voor bet trekken van grenzen in de praktijk en meent dat we ons „op de vlakte" houden.

Het bitse van dezen uitval laten we, als niet ter zake, rusten, al kunnen we een lichte bevreemding over deze beschuldiging niet van ons afzetten.

Niemand zal, dunkt ons, volhouden, dat het begrip „Christelijk" öf nauwer öf scherper begrensd is dan dat van „Calvinistisch". Eer kan men het tegendeel volhouden. Wanneer was het dus te verstaan, dat men ons onklaarheid en lijnenschuwheid verweet? Indien we aan het woord, dat in het gewone taalgebruik ruim-er en meer vlottend van beteekenis is, de voorkeur gaven boven het strak oimlijnde, dat voor onzekerheid of twijfel heel weinig ruimte laat. Nu is precies het tegendeel het geval. We willen nl. niet ia eerste instantie deze vraag stellen, we durven haar niet in alle gevallen beantwoorden: kan dit bepaalde gedicht of boek (misschien nog juist) als Christelijk worden aangediend? Uit vrees voor het verdoezelen van grenzen willen we deze diepere en scherpere vraag stellen en beantwoorden: of dit concrete werk volledig en in zijn onderdeden Schriftuurlijk is en dus zuiver Christelijk, c.q. waarin wel, waarin niet. We willen met andere woorden de htteratuur (evenals onze eigen innerlijkste gedachten en gevoelens) gesteld zien onder de tucht van het gepredikte „Woord Gods... levend en krach-

tig, en scherpsnijdender dan eenig zwaard", i») tweesnijdend

En om weer zooveel mogelijk alle onzekerheid af te snijden verklaren we onbewimpeld de Schrift te bedoelen, zooals die door de Gereformeerde belijdenis wordt verstaan, naar inhoud en gezag. Als dat beteekent „zich op de vlakte te houden", naar de weinig elegante formuleering van R. H., moeten we eerlijk verklaren aan het eind van ons Latijn te zijn.

Dit stond in ons artikel zeer duidelijk te lezen. Vandaar dat deze opmerking van Opwaartsche Wegen ons voor een probleem stelt: „De vraag komt zelfs niet bij hem op, dat wat door hem „Schriftuurlijk" wordt genoemd door anderen wel eens „onschriftuiu-lijk" zou kunnen worden geheeten. En omgekeerd".

We gelooven, dat het juist de door ons getrokken lijnen zijn en de hem te scherpe grensbepaling, die R. H. dreven tot criuek. Immers hij vraagt: „Waar is het laatste recht van welke Schrift-interpretatie dan ook? Toch zeker niet bij wat de mensch zich uitdenkt, maar bij hetgeen de Heilige Geest hem als Waarheid doet gelooven. En daarmee komt wat „wij" met de Schrift doen kunnen in een geheel ander licht te staan. Wij kunnen de Schrift nu niet meer als „Wetboek" gebruiken, waaruit wij hier en daar een paar toepasselijke ai-tikelen „trekken" kunnen, die „slaan" op een bepaald geval. Wij kunnen niet meer een roman of een gedicht nemen en dan den Rijbel er geopend naast leggen om uit te maken, of „hel" klopt. Wij kunnen alleen maar, ons gedragen wetend door de Waarheid, die ons in Gods Woord is geopenbaard, den geest trachten te verstaan, die uit het betreffende werk tot ons spreekt en deze toetsen aan dien gansch anderen Geest, die uit den Bijbel tot ons spreekt, wanneer en voorzoover wij in het geloof worden geleid."

Dit is „der springende Punkt" in het gescliil tusschen „Opwaartsche Wegen" en ons. Daar wordt de belijdenis gezien als nienschenwerk, in den vollen zin des woords. Wij achten haar geen menschenvondst, maar werk van den Heiligen Geest, , welke niet alleen ons geloofsoog ontsluit voor de goddelijke autoriteit van het door Hem voortgebrachte Woord, maar dat ook uitlegt door den dienst van menschen, van Zijn Kerk.

Hierin slaat R. H.'s overtuiging onverzoenlijk tegenover de onze. H ij wil cliaotisch en atomistisch ieder voor zich naar de ingeving van het oogenblik, vooral zonder gebondenheid aan wat geschreven slaat, laten uitmaken, welke Geest „uit den Bijbel tot ons spreekt". Wij erkennen het gezag ook van de woorden „die de Geest tot de gemeenten zegt".

Is het nu nog noodig te zeggen, dat de Schrift als organiscli geheel ons ten Ucht is? Dat onze dogmatiek, onze wetenschapsbeoefening, onze levensbeschouwing niet op losse texten steunt? De banale (schoon Barttiiaansch geünte) oaricatuur van het welhoek met zijn genummerde paragraph en, vlijtig van buiten geleerd of nageslagen door een perkamenten geest, was R. H., bij ietwat breeder blik, niet ontsnapt.

„N a b ij u is het Woord, in uwen mond en in uw hart""). Naarmate we, toenemend in Uefde tot God, meer inleven in het Woord, dat „nuttig is tot leering, lot wederlegging" (waarom bestrijdt R H. ons met een verdraaide Scliriftuurplaats? ), zullen we het assimileeren als ons onvervangbaar geestesvoedsel. Niet om nu vrij en onafhankelijk te gaan profeteeren, maar sprekende met de woorden Gods (et. Ezech. 3:1 en volgende). Wat inderdaad een geopenden Bijbel veronderstelt, alleen maar, niet op de wijze van een logarithmentafel.

Nu kan een Calvinist tegenover een socialistischen of „Christelijk-democratischen" roman principieel niet anders staan dan tegenover een politiek vlugsdirifl, dat door die beginselen wordt ingegeven.

Zooals het vanzelf spreekt, dat de prindpiëele waardeering door een communist van een antirevolutionairen roman en van een overeenkomstig staatkundig vertoog niet belangrijk zal verschillen.

Zooals het wederom vanzelf spreekt, wanneer een man, die in dialectischen ijver tegen Gereformeerde dogmatici toornt, niet verrukt wordt door verzen van Calvinistische inspiratie.

De litteratuur kan zich niet opsluiten in een ivoren toren. Men kan het ideeëngeheel van een litterair werk niet buiten den schoonheidscirkel sluiten zonder de schoonheid zelf te verarmen en te vervluchtigen. Sterker: zonder wat de Schrift de „heerlijkheid" van God noemt van haar kern te berooven.

Wij zullen, als levende menschen, de waardeering der ideeën in die mate laten medespreken bij de bepaling der schoonheidswaarde van een litterair werk als die ideeën voor den opbouw van dat werk van constitutieve beteekenis zijn.

Het is bedenkelijk benepen, als een litteratuurleeraar van verdienste voor Bilderdijks lyriek geen beter woord over heeft dan „machtelooze rhetoriek" ^^}, maar hierin verheldert het ons inzicht: dat waarheid en schoonheid ook in onze waar^ deerende beschouwing niet zijn te scheiden. Geen eenerlei wetenschap, zoo hebben we van Kuyper geleerd. Maar dan ook geen eenerlei litteratuurwaardeering en - kritiek.

En zooals langzamerhand buiten onzen kring hei inzicht daagt, dat een Calvinistische wetenschapsbeoefening niet minder wetenschappelijk is om haai- ruiterlijk beleden fundeering in Gods geschreven Woord, zoo zal, gelooven we, het besef doorbreken van de onmogelijkheid eener „voraussetzungslose" litteratuurkritiek; het besef, dat die kritiek er waarlijk niet minder „artistiek" of „wetenschappelijk" door wordt, wanneer ze in datzelfde Woord is „geworteld en gegrond". Dat hier een zware eiscla wordt gesteld, is wel zeker. Eveneens, dat we nog aan het begin staan van een langen weg. Maar het moet.

Dit ier nadere verklaring van ons vorig artikel. Intusschen, èn omdat nog een punt onafgehandeld bleef (zie boven) èn omdat Opwaartsche Wegen benieuwd is naar de uitwerking dezer beginselen in de praclijk, stellen we ons voor in twee volgende artikelen eenige gedichten naar deze gezichtspunten te bespreken.

Drie gedachten in 't bijzonder zouden we gaarne aannemelijk maken:

dat geloofsgehoorzaamheid ons leert den geest van de litteratuur als belangrijksten waardebepalenden factor te onderzoeken; dat ze andere waardemeters niet overbodig verklaart; dat ze het Scliriftuurlijke ook buiten het Calvinisüsdli territoir vinden doet en liefhebben om Christus' wil.


1) Woordelijk: „Wie geneigd mocht zijn tiier separatisme af te keuren, overw^ege" enz.

2) 1 Cor. 1:11—13.

3) Hand. 20:29.

4) Efeze 4:14.

5) Titus 1:11.

6) Titus 3:10.

7) 2 Tim. 2:17.

8) Rom. 16:17.

9) Beginselen en Eischen, Leiden, 1903, pag. 25.

10) Hebr. 4:12.

11) Rom. 10:8.

12) W. L. M. E. van Leeuwen in „Rondom het Boek", 1936.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

LITERATUUR EN KUNST

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1936

De Reformatie | 8 Pagina's