GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

HOOFDARTIKEL

25 minuten leestijd

Naar een nieuwe Psalmbergming?

Onder „Kerkelijk Leven" besprak ik den nieuwen bundel van Ds Hasper. Hedenmorgen ontving ik, met verzoek tot spoedige plaatsing, «en „loedidliting", van de hand van Ds Haspei- zelf, waarin deze zich nader uitspreekt over enkele onderdeelen mijner bespreking.

Wat moest ik doen?

Ds Hasper onder ..Kerkelijk Leven" het woord verleenen? Maar dan moet ik wat voor die rubriek actueel is, met name de brochure van Prof. Dr V. Hepp, laten wachten.

Wachten, tot ik in ^, Kerkelijk Leven" ruimte vrij heb? Maar dan wacht Ds Hasper te lang, en raken de lezers den draad kwijt.

Een andere rubriek? Maar er liggen reeds zooveel copieën te wachten; ons blad, — ik wil dit wel eens met innigen dank in het hart zeggen — heeft geen de minste moeite om geregeld „vol te komen"; er is zooveel spontane hartelijke meder werking.

Na slechts een oogenblik weifeling koos ik de rubriek „hoofdartikel". Ik acht dat verantwoord. Zelf heb ik jaren geleden in diie rubriek over de psalmberijming geschreven. Bovendien stelt Ds Hasper de vraag aan de orde, of de Geref. Kerken niet veel kunnen doen, zij zelfs vóórop', om tot een nieuwe berijming te komen. De zaak heeft dus wel algemeene beteekenis. Al zijn er in Ds Haspers stuk enkele passages, die reageeren op diétails in mijn bespreking, en derhalve niet direct in een hoofdartikel thuishooren, toch lijkt voor 't geheel deze rubriek in de gegeven omstandigheden 'tge^ schiktst. Ik zal nu Ds Hasper eerst volledig het woord geven. Daarna hoop ik zelf mijn opmerkingen te geven.

Hier volgt dan Ds Haspers toelichting:

Oe nienwe Psalmbelijmingi

Bij de verschijning van de nieuwe rhythmlsche bewerking der Psalmen op rijm werd van alle zijden verwacht, dat Prof. Dr K. Schilder daaraan een uitvoerige bespreking zou wijden. Hij heeft die verwachting niet beschaamd („De Reformatie" van 15, 22, 29 Januari 1937). Persoonlijk ben ik hem zeer erkentelijk voor zijn waardeering van den ernst van dit werk. Te meer, daar zijn waardeering gemotiveerd is door een overeenstenuning met mij in oordeel over de Staatsberijming der Psalmen uit het jaar 1773, en feitelijk ook door onze eenstemmigheid ten aanzien van de voornaamste eischen, die in onzen tijd aan een nieuwe Nederlandsche bewerking der Psalmen voor liturgisch gebruik bij den gemeentezang moeten gesteld worden. Wij zullen vermoedelijk op dit punt tot nog grootere harmonie komen, wanneer ik enkele beginselen, die bij de bewerking voorop stonden, heb toegelicht. Deze Psalmberijming wil een nationaal werk zijn. Zij is niet in opdracht van een bepaalde kerk of ten behoeve van een bepaalde kerk geschreven. Gehoopt wordt, dat zij praktisch aanvaard zal worden door alle Nederlandsch sprekende Christenen. Eerst in gezinnen, scholen, vereenigingen; daarna wellicht in den eeredienst.

Dat er mij zooveel aan gelegen ig, dadelijk op de artikelen van Prof. Schilder te antwoorden, hangt hiermede samen, dat ik van harte zijn uitspraak onderschrijf, dat de „Nederlandsche gereformeerden" „nog het meest van alle menschenklnderen op den ganschen aardbodem de psalmen in eere houden", al zijn er onder de niet-Gereformeerden velen, die op dit punt voor de Gereformeerden niet wenschen onder te doen. Aan het einde van hetgeen ik voorloopig te zeggen heb, zal voor ieder gebleken zijn, hoe de thans aan alle Nederlandsch sprekende Christenen (over de geheele wereld) aangeboden Psalmberijming, naar ik hoop misschien niet al te ver blijft beneden het ideaal, dat Prof. Schilder" zich van een Psalmbewerking voor het gebruik in den eeredienst persoonlijk voorstelt. Een ideaal wordt nooit volkomen vervuld, vooral, dpordat bij elke aanvankelijke vervulling het ideaal weer hooger gesteld wordt. Het volmaakte zal hier niet komen. Maar, aangenomen, dat de op zichzelf rechtmatige wenschen van den een verwezenlijkt zouden worden, doch het ging gepaard met de onvoldaanheid van anderen, dan zou deze onderneming haar doel gemist hebben. Een Psalmberijming moet een nationaal bezit zijn. Daarom moet op dit gebied, naar het woord van den apostel, een iegelijk niet alleen zien op het zijne, maar ook op hetgeen der anderen is. Prof. Schilder is daartoe ook wel voor zichzelf bereid. Hij schrijft immers, dat een Psalmberijming „nooit voor de eeuwen" is. Hierin ligt de bereidheid, om in een bepaalden tijd en onder bepaalde omstandigheden (bijvoorbeeld in onzen tijd, waarin de wereld de openbaring van eenheid zoo noodig heeft; of gedurende de periode, waarin geen andere alle Nederlandsch sprekende Christenen bevredigende berijming is tot stand gekomen), mede te gaan met het beste, dat op het oogenblik te verkrijgen is. Natuurlijk moet hierbij aan de zijde van hem, die het werk bezorgd heeft, niet alleen de mogelijkheid, maar ook de noodzakelijkheid in het oog gehouden worden, om ook op dit punt tot de volmaaktheid voort te varen. Zoolang wij niet in Nederland de jongste phase van het staatkundige leven in Duitschland hebben doorgemaakt, zal de Regeering niet meer kunnen optreden, als' in het jaar 1773. Daarbij is een samenwerking van de kerken als zoodanig op dit gebied in Nederland ondenkbaar. Zouden de Gereformeerde Kerken deputaten zenden naar een vergadering, voor dit doel door de Algemeene Synode der Nederlandsch Hervormde Kerk belegd? Of zou de Algemeene Synode een uitnoodiging van de zijde van het Episcopaat der Roomsch- Katholieke Kerk kunnen aannemen? Alleen hetgeen uit particulier initiatief geboren wordt, is — indien de Nederlandsche woorden tegenover den Hebreeuwschen tekst verantwoord zijn, en indien de melodieën weer in haar oorspronkelijke zuiverheid hersteld zijn — voor ieder aanvaardbaar.

Hetgeen ik naar aanleiding van de door mij zoo gewaardeerde bespreking van de nieuwe Psalmberijming door Prof. Schilder te zeggen heb, moge ik samenvatten onder enkele punten, en daaraan tenslotte nog een conclusie verbinden.

1. Een tiental jaren geleden schreef Prof. Schilder in een opstel over „Onze Psalmberijming" (opgenomen in: „Bij Dichters en Schriftgeleerden"): „Dat de Nederlandsche psalmbundel van vandaag geen lang leven meer waard is, dat kunnen de theoloog en de litterator, ieder voor zich op eigen terrein blijvend, om 't hardst betoogen". De schrijver oordeelde, dat zij, „als ze thans werd aangeboden, geen kans van invoering zou hebben. Want ongeveer alle vitia originis, die 'ons volk' in andere dingen tegen de borst stuiten, kleven aan dien psalmbundel. Allereerst de invoering: het schrikkelijk stempel van den staat zit er op. Zijn wij voor dezen éénen keer vergeten, hoe horribel èndera bij orthodoxe kerkmenschen een kerkelijk 'staatscreatuur' is? " Juist omdat van Gereformeerde zijde zoo dikwijls gezegd was geworden: „Niet anders dan Gods Woord in de kerk!", was het niet verwonderlijk eindelijk eens een critiek te lezen op „de geestelooze rijmelarij", die samenhangt met „de smakeloosheid van heel de achttiende eeuw". De menschen in de achttiende eeuw hadden de „rijmlieden" gekregen, die zij verdienden. Zij vormden immers het „geslacht van slappelingen, die welhaast gereed stonden, de Fransche revolutie binnen te halen". „Maar", zoo ging de schrijver verder, „ons volk zal niet mógen doof blijven voor de klacht, dat zijn psalmberijming te kort doet aan het geopenbaarde Woord, en dat Woord soms verdringt. Een gemeente, die zichzelf respecteert, moet niet volstaan met het verlangen, dat er worde g e- preekt 'naar de meening van den Heiligen Geest'. Zij móét ook zelf zóó willen zingen. Dat is te zeggen: onze huidige psalmberijming moet w'èg". Wie zijn ooren niet toesluit, weet, wat reeds een halve eeuw lang de leiding gevende personen in de Gereformeerde Kerken tegen elkander hebben gezegd. Het kan worden samengevat in de woorden, die onlangs een andere hoogleeraar in de Gereformeerde Kerken tot mij zeide: „Elke dag, dien wij eerder verlost zijn van de oude berijming, is winst."

Ik ben het van mijn kinderjaren af daarmede eens. Alleen piëteit tegenover de mildere stemming van hen, die door het een of ander Psalmvers op bijzondere wijze gezegend zijn, weerhoudt mij om uit te spreken, welke reactie het moeten leeren van „psalmversjes" bij mij teweeg bracht. Maar toen ik ouder geworden was, kwam er bij alle bovengenoemde argumenten tegen liet nog langer handhaven van de Staatsberijming der Psalmen nóg een argument. Dit was voor mij zelf het gewichtigste. Het is het argument der onwaarachtigheid. Ik ken natuurlijk ook vele van die blaadjes en vlugschriften over den „Gezangenstrijd". Daarbij heb ik altijd gedacht aan Jeremia 8 : 8: „Ziet, waarlijk tevergeefs werkt de leugenpen der schriftgeleerden!" Het is onwaarachtig, wanneer men van Gereformeerde zijde met de Staatsberijming van 1773 in de hand strijdt tegen het zingen van „gezangen" in de kerk. Want een groot gedeelte van die Psalmberijming heeft niets met het geïnspireerde woord der Heilige Schrift te maken, doch bestaat uit versregels, die noch tot het Oude-, nóch tot het Nieuwe Testament teruggaan. Ik laat hier geheel in het midden, of in aansluiting aan Colossensen 3:16 berijmingen van 1 Korinthen 13, Romeinen 8 ; 31—^39, fragmenten van het Boek der Openbaring van Johannes, enz. toelaatbare onderdeden van den eeredienst in de Gereformeerde Kerken van Nederland zouden kunnen zijn, want het is niet mijn bedoeling om strijdvragen op te werpen, maar veel meer om de gescheiden deelen van Christus' Kerk weer zoo mogelijk te vereenigen. Doch wij moeten in alle dingen waar zijn. Wie tegen „gezangen in de kerk" is en tegelijkertijd de Psalmberijming van 1773 handhaaft, onder voorwendsel, dat men „Gods Woord" in de kerk alleen mag zingen, is onwaar. Van Psalm 1 uit de Heilige Schrift hebben de rederijkers een „gezang" gemaakt. En wel een gezang, dat met de Heilige Schrift in strijd is. ***

2. Nu ik over „onwaarachtigheid" gesproken heb naar aanleiding van de woorden der Staatsberijmingj moet mij nog iets van het hart over de onwaarachtigheid ten aanzien van de melodieën. De onteering van het erfgoed der vaderen is op zichzelf al een pijnlijke zaak, maar nög erger is het, dat het schoone werk van de Calvinistische Reformatie ten behoeve van den volkszang innerlijk verlengend is geworden. Ik bedoel nog niet eens, dat de woorden liegen tegen de melodie en de melodie tegen de woorden (men zinge de eerste vijf lettergrepen van de verzen van Psalm 141 op de oorspronkelijke melodie met de triolen!), maar de melodieën, die in de zuivere kerktoonsoortenreeksen gedacht zijn en door hun gaafheid en schoonheid op wonderlijke wijze onder de strenge tucht van Calvijn het wezenlijke van den psalm melodisch uitdrukten, zijn zoodanig in Nederland verbasterd, dat de waarheid uit de melodieën geweken is. Waarom rekenen de Calvinisten zich dit niet tot een smaad? Ik heb mij diep geschaamd, toen ik deze week door een klas van een Roomsch-Katholieke jongensschool de melodieën van Geneve zuiver hoorde zingen in het lichte en gemakkelijke rhythme van vier eeuwen geleden, terwijl deze kunst van zingen in de Protestantsche kerken is verloren gegaan. Nèch in 1773, nóch in 1803—1805 hebben de Gereformeerde Kerken zich met de zangvsdjzen bemoeid. Alles werd overgelaten aan de drukkers en die gaan ongestoord met hun bedrijf voort. Wie de afschuwelijke kerkboeken ziet met een point d' orgue op de laatste lettergreep van eiken regel, vraagt zich tevergeefs af, waarom hier niet ingegrepen wordt. Men zal zeggen, dat van deze nieuwigheid gelukkig nog maar enkele tienduizenden exemplaren in omloop zijn en dat er nog honderdduizenden boeken met het oude notenschrift bestaan. Wat moet ik daarop antwoorden? Inderdaad zitten in de Protestantsche kerken van Nederland nog eiken Zondag honderdduizenden menschen met een kerkboek in oud notenschrift voor zich. Maar... zij kunnen de muziek niet lezen! Zij kennen den altsleutel niet en weten niet de beweging, waarin de oude noten eertijds den gang der melodie aangaven. Het is dom, een kind een kerkboek in handen te geven, waarvan het de muziek niet lezen kan en waarvan men zeker weet, dat de gedrukte melodie nooit gezongen zal worden, gelijk zij geschreven is. Het is met de waarachtigheid in strijd, wanneer men doet, alsof men aan de toekomstige geslachten

de oude kerkmelodieën overlevert, terwijl hetgeen men aanbiedt en laat leeren in de Christelijke scholen niet anders dan een verbastering van het oorspronkelijke is. Ik maakte melding van een Roomsche jongensschool. Thans maak ik melding van het feit, dat van 1 December 1936 af de oude melodieën gebruikt worden voor alle morgenwij dingen van de A.V.R.O. Wèèr vraag ik mij af: moeten nu alle anderen ons voorgaan? Ds D. Sikkel schreef in de „Amsterdamsche Kerkbode" over een „fictief" bezit van de honderd vijftig Psalmen voor kerkelijk gebruik. Hij dacht daarbij aan de woorden. Maar ook de oude melodieën, die tot het beste behooren, dat ooit voor den volkszang geschreven is, zijn in Gereformeerd Nederland een „fictief bezit".

3. Het is aan Prof. Schilder opgevallen, dat de bewerker van 1936 de Psalmen in een zooveel korter bestek weergeeft dan de berijmers der achttiende eeuw. Wij moeten voor onzen tijd dezelfde dingen zeggen met wat minder woorden dan men in den regententijd beminde. Wij haten alle omslachtigheid en alle redeneeringen, die niet rechtstreeks op het doel afgaan. Prof. Schilder spreekt zelfs van een „verdienstelijke beknotting" hier en daar en noemt bij een reeks van Psalmen het aantal verzen van 1773 en van 1936 naast elkander. Toch is het woord „inkrimping" of het woord „beknotting" niet het woord, dat bij den opzet van dit werk past. Hierdoor wordt de indruk gewekt, dat de bewerker van 1936 zou zijn uitgegaan van de berijming van 1773, en dat wekt de nevengedachte op, dat hij iets zou hebben „weggelaten". De werkwijze is anders geweest. Het kwam mij voor, dat bij een Psalmbewerking, die voor alle Nederlandsch sprekende Christenen aanvaardbaar moest wezen, het uitgangspunt niet genomen mocht worden in de oude Staatsberijming, die aan de Gereformeerde Kerken van overheidswege werd opgelegd, maar dat moest worden uitgegaan van den tekst der Heilige Schrift. Men moet dus naast het aantal ' strophen der nieuwe Nederlandsche bewerking niet de getallen zetten van de Staatsberijming, maar van den Hebreeuwschen tekst. Ik neem nu eerlijkheidshalve dezelfde lijst van Psalmen, die Prof. Schilder noemt in zijn tweede artikel („De Reformatie" van 22 Januari 1937). Tusschen haakjes staan nu de getallen, die het aantal strophen verdeelen om formeele redenen of (in verband met den gedachtengang of met het aantal letters van het Hebreeuwsche alphabet) in het Hebreeuwsch aangeven.

Psalm 1:3 (3) 2:4 (4) 5:5 (5) 6:4 (4) 7:5 (3) 9 : 13 (3) 11 : 2 (2) 12:4 (2) 16:3 (3) 22:8 (8) 26:5 (3) 27:5 (5) 31 : 11 (5) 33:8 (5) 35:6 (4) 37 : 11 (8) 38 : 14 (6) 40:5 (5)

44 : 7 (6) 46 : 3 (3) 51 : 3 (5) 54 : 2 ( 2) 55 : 7 (3) 59 : 5 (2) 63 : 3 (3) 66 : 6 (5) 68 : 12 ( 9) 70 : 1 (1) 71 : 11 ( 9) 74 : 15 ( 4) 78 : 8 (7) 81 : 11 ( 6) 82 : 2 (2) 86 : 6 (6) 89 : 14 (14) 92 : 5 (5)

96 : 6 (5) 97 : 4 ( 3 102:9 (10) 104 : 10 ( 8) 105 : 14 ( 7 106 : 18 (14) 107 : 12 ( 8 108 : 4 (2) 109 : 12 ( 6 119 : 20 (22) 122 : 2 (3) 124 : 2 (2) 135 : 8 ( 3 136 : 17 ( 3 139 : 10 ( 4 141 : 8 ( 6 143 : 6 ( 6) 147 : 5 ( 3) 149 : 2 ( 3)

Uit dit overzicht blijkt, dat er naar gestreefd is, het aantal verzen in het Nederlandsch zooveel mogelijk gelijk te houden met het aantal strofen in het Hebreeuwsch. De getallen precies gelijk te maken, is voor den bewerker van het oorspronkelijke lied voor den volkszang in de moderne talen onmogelijk, daar het volkslied coupletten van een gelijk aantal regels en versvoeten moet hebben. Men zou van eiken Hebreeuwschen Psalm een „kunstlied" in een moderne taal kunnen maken, maar dit wilde Calvijn juist niet! Het volk moet de verzen van eiken Psalm op een en dezelfde melodie kunnen zingen. Maar wie zich dan bij de klassieke melodieën der zestiende eeuw aansluit, heeft daarin van te voren een eenmaal vastgesteld kader, waarin hij zich bewegen moet. Hiervan is het gevolg, dat een melodie ook wel eens te veel plaats ruimte biedt, om de woorden van een Hebreeuwsche strofe daar onder te brengen. In dat geval moet het couplet aangevuld worden vanuit den gedachteninhoud van het oorspronkelijke lied. Biedt een melodie t e weinig plaats, om den Hebreeuwschen tekst volledig weer te geven, dan moet een keuze gedaan worden. Doet iemand dit niet, dan wordt hij gedwongen een geheel vers er bij te dichten. Ontbreken hiervoor de werkelijke gegevens in het Hebreeuwsch, dan wordt zulk een vers eenvoudig een vrij „gezang". Wanneer nu eens daardoor enkele woorden „onbeiijmd" blijven, moeten wij dat niet al te tragisch opvatten. Prof. Schilder drukt zich zeker te sterk uit, wanneer hij zegt, dat een prediker, die over de laatste woorden van Psalm 12 gepreekt heeft, „dus niet uit dezen bundel kan laten zingen"; immers dezelfde gedachte keert in de Psalmen menigmaal terug. Men kan dus bij de prediking een anderen Psalm kiezen. Is een melodie eens zeer kort (bijvoorbeeld bij de Psalmen 9, 12, 74, 81, 135, 136), dan wordt in het Nederlandsch het aantal verzen spoedig verdubbeld of verdrievoudigd. In zulke gevallen komt voor het getal der strofen meermalen het getal van de groepen der strofen voor vergelijking in aanmerking. (Zie bij Psalm 31.)

Er zit een kern van waarheid in, wanneer Prof. Schilder zegt, dat de „bewerking" de „berijming" haast „verteerd" heeft. Het was misschien duidelijker geweest, wanneer Prof. Schilder gezegd had, dat dit nieuwe Nederlandsche kerkboek er niet naar streeft, de woorden van de Statenvertaling „op rijm" te brengen, maar met behoud van de structuur van den grondtekst den zin der Psalmen zoodanig weer te geven, dat de Psalm als Psalm tot zijn recht komt. Door de beknopte weergave zou misschien ook eindelijk een eind gemaakt worden aan de volkomen willekeurige verkorting en verminking van de Psalmen, waaraan ons Vaderland langzamerhand is gewoon geraakt. Men zingt geen „Psalm" meer, maar men zingt „versjes". En hoe dik­ wijls is juist van de meest geliefde „versjes" niets, maar dan ook niets terug te vinden in de Heilige Schrift. Het stukknippen van de Psalmen in verzen en het verwaarloozen van het grootste deel van ons Psalmboek wordt nog in de hand gewerkt door de oneerbiedigheid, waarmede de oude melodieën behandeld worden in de kerken. In den tijd, waarin Calvijn een geheelen Psalm uitzong, zingt de gemeente thans één couplet.

** 4. Geen bijzondere moeilijkheden leveren de punten op, waarin ik de exegese van sommige uitleggers niet kan aanvaarden, of waar ik meen, dat de diepe gediachte, die een apostel van Jezus Christus, door Gods Geest geleid, in een Oud-Testamentisch Godswoord ziet, toch niet ingelegd mag worden in den Psalm zelf. Ik ben gaarne bereid om, indien dit aan de algemeene invoering van dit Psalmboek kan ten goede komen, hier en daar de noodige correcties aan te brengen. Maar ik zou dit bijvoorbeeld niet kunnen doen in het eerste geval, dat Prof. Schilder noemt bij de bewerking van Psalm 123. Hij verwijst naar den commentaar van Prof. Noordtzij. Maar hetgeen Prof. Noordtzij bij dezen Psalm aanteekent, is eigenlijk geen „exegese", maar het inbrengen van een aan den Hebreeuwschen tekst geheel vreemd element. Wij moeten, wanneer in den bijbel van „slaven" en „slavinnen" gesproken wordt, niet altijd dadelijk denken aan de Negerhut van Oom Tom. Mijnerzijds is nimmer een bewerking van den genoemden Psalm te verwachten, die voor het drama van Prof. Noordtzij „ruimte" laat. Hoeveel juister en soberder spreekt ook Calvijn alleen van een vertrouwend uitzien om hulp en bescherming.

De uitlegging van het „man voor man" in Psalm 87 is voor mij in den commentaar van Prof. Noordtzij niet duidelijk. Ik heb de bladzijde verschillende malen overgelezen, maar begrijp zijn bedoeling niet. Mijn eigen bedoeling bij de bewerking van dezen Psalm was, op grond van den Hebreeuwschen tekst te doen uitkomen, dat ten aanzien van Israël gezegd mocht worden, dat het geheele volk als volk het volk van God was, en dat de heidensche volken niet als „volken" bij Israël zouden worden ingelijfd, maar „individueel". God roept uit het heidendom de bekeerlingen, de menschen persoonlijk, de enkelingen. Deze „enkelingen" vormen later' de scharen, die komen van het Oosten en het Westen, van het Noorden en het Zuiden. God roept niet „enkelen" = weinigen, maar „enkel i n g e n". Ik dacht, dat Noordtzij dit ook bedoelde, maar zijn commentaar is mij op dat punt, gelijk ik reeds zeide, niet helder.

Ik ben bevreesd, dat ik onbescheiden geacht zal worden, wanneer ik voortga met ongevraagd de andere genoemde plaatsen van mijn bewerking der 'Psahnen toe te lichten of te verdedigen. Gaarne zou ik over alle te berde gebrachte punten iets zeggen, en ben daartoe ook te allen tijde op verzoek gaarne bereid. Om maar iets te noemen: ovei het juiste gebruik van het vvoord „massa" in Psalm 73, omdat daar reeds de scheiding in den volkskring van Israël innerlijk voltrokken wordt gezien. Met het woord „massa" wordt juist niet „het volk des verbonds" (Noordtziji) bedoeld. In den kerkzang zou niemand bij de vijfde strofe van dien Psalm m.ogen denken: dat is nu de Kerk! Hier liggen de onderscheidingen van Johannes 6 : 31, 32; 10 : 26, 27; enz. Zoo is er veel meer. Wanneer in het Nieuwe Testament een woord uit een Psalm wordt aangehaald, beteekent dit niet, dat dit woord in het kader van den Psalm als zoodanig meer essentieel is dan andere woorden uit hetzelfde lied. Alleen over dit punt reeds zou een uitgebreide monografie geschreven kunnen worden. En de vraag, hoe gehandeld moet worden, wanneer in het Nieuwe Testament een Psalm geciteerd wordt naar de Septuaginta, hoewel deze in het daar gebruikte handschrift een andere lezing heeft dan de Hebreeuwsche tekst, ka.n eigenlijk in een kerkelijk weekblad niet aan de orde gesteld worden. D'e „goede greep" (Schilder) van de StaJatsberijming, in Psalm 40, zullen anderen wetenschappelijk niet t© verdedigen vinden, daar men zich in 1773 „gered'' heeft door het bijeenbrengen en samenvoegen van twee onderling van elkander afwijkende lezingen. Ik zou den door Prof. Schilder aangehaalden commentaar van Prof. Grosheide, die „het graven van ooren" en het „toebereiden van een lichaam" met elkander wil vereenigen door de „ooren" als een pars pro toto van het „lichaam" te beschouwen, niet kunnen volgen.

Houden wij' de Psalmen voor geïnspireerd, dan moeten wij ons aan de lezing van den Hebreeuwschen tekst houden. Het verschil in lezing is overigens in het geheel niet raadselachtig, wanneer men in de onlangs verschenen nieuwe uitgave van de Septuagint (van Rahlfs) bü de aanteekeningen ziet, dlat weliswaar de Vaticanus, de Sinaïticus en de Alexandrinus „lichaam'' hebben, maar 'het Psalterium Gallicanum hier ook, evenals in het Hebreeuwsch, „ooren" leest. Het gaat om. de wijze, waarop een oude afschrijver van een aan de genoemde handschriften voorafgaanden tekst twee woorden gescheiden heeft. De laatste letter van een woord (een s) •heeft hü aangezien voor de beginletter v'an het volgende woord. Het komt mij niet juist voor, gezien de oude handschriften, in de 'bewerking van dezen Psalm dezelfde uitdrukking van het oorspronkelijke lied tweemaal, en d'an geheel verschillend, te vertalen.

5. Thans behoor ik mij nog uit te spreken over mijn zienswijze ten opzichte van de bewerking der Messiaansche Psalmen. In het algemeen gesproken, geloof ik niet, dat ik ergens „essentiëele Schriftgedeelten" heb weggelaten. En Prof. Schilder zal bij nader inzien zeker bereid zijn, de gedachte te laten varen, dat ik nu en dan de intentie zou hebben gehad, om het Messiaansche uit een Psalm „weg te rijmen". Reeds in de maand December ontving ik uit Nederlandsch Oost-Indië per vliegpost bericht over een correspondentie aldaar in zake de bewerking van Psalm 2, waarin ik, „om het Messiaansch karakter van den Psalm duidelijk te doen uitkomen, opzettelijk een woord van Jezus letterlijk heb aangehaald". Men achtte dit niet verantwoord tegenover den tekst van het Oude Testament. Deze opvatting ben ik niet toegedaan. Wie thuis is in den bijbel, za) op meer plaatsen in de bewerking woorden uit hel Nieuwe Testament als het ware hooren s a m e n k 1 i n- k e n met het Oudtestamentische Godswoord. Maar ik heb mij juist met het oog op een eventueel gebruik in de Gereformeerde Kerken niet verantwoord geacht, de Psalmen voor den volkszang onder de bestraling van Nieuwtestamentisch licht te bewerken. Waarom niet? In de allereerste plaats zou dat dan niet alleen moeten gebeuren met de Messiaansche Psalmen, maar ook met de andere, bijvoorbeeld met name met de vloek- en wraakpsalmen. In de tweede plaats zou men door zulk een bewerking in den grond der zaak „ E v a n g e 1 i- sche Gezangen" verkrijgen. Wil men die hebben voor den eeredienst, dan acht ik het juister, gedeelten van het Nieuwe Testament zelf voor den volkszang te bewerken ot het schoonste van het geloofslied der eeuwen uit te kiezen, dan dat iemand gedachten van het Nieuwe Testament inbrengt in den ons als O u d - Testament overgeleverden tekst. Zulk een Nieuwtestamentische bewerking zou nimmer algemeen aanvaard worden, en daarbij zou ik onnoodig een twistappel geworpen hebben in het Gei-eformeerde huisgezin. Dif zou ik op geen enkele wijze willen. Integendeel, waar ik met vrede en vreugde vroeger de Gereformeerde Kerken van het oude verband gediend heb, heb ik mi] veel meer afgevraagd, wat ik door mijn arbeid tot herstel van de Psalmmelodieën der zestiende eeuw en door een nieuwe Nederlandsche bewerking der Psalmen alsnog voor die Kerken zou kunnen doen. Het gaat hier om cultureele en nationale belangen, die ieder Nederlander zal erkennen, maar in de voornaamste plaats gaat het om nog veel gewichtiger dingen. Het gaat om verdieping van de kennis der Heilige Schrift; en voorts ook om te beproeven, door het lied allen, die in Jezus Christus gelooven, weer samen te brengen, Voor dit ideaal moeten wij misschien iets van het ons eigene of geliefde prijsgeven.

Ik heb het dus niet mijn taak kunnen achten, de Psahnen zoo te bewerken, dat het Nieuwtestam'entisch lied overbodig zou worden. Dit scheen mij niet verantwoord tegenover hetgeen Gods Geest in de harten der apostelen heeft levend gemaaifct. De Kerk der Eeuwen heeft een schat van geloofsliederen zoowel uit den tijd vóór als na 'de geboorte van Jezus Christus. Wat iemand persoonlijk, of wat een kerkgemeenschap daarvan meent te moeten gebruiken of meent te moeten wegleggen, staat niet aan my' ter beoordeeling. Het doet mij echter eenigszins vreemd aan, wanneer ik in een zoo ernstig en mü sympathiek betoog van Gere^ formeerde zifde lees, dat men het beziwaarlyk vindt een „Bij'belpassage ongezongen'' te laten. Dat doet men toch met 95 pet. van de Heilige Schrift. Voor iemand, aan wien het onderscheid tusschen Gods Woord in het Oude en het Nieuwe Testament niet zóó duidelijk is geworden, dat hij 'het Nieuwtestamentisch lied uit den eeredienst zou durven weren, klinkt daarom de uitdrukking: „Gods Woord onnoodig buiten den kerkzang houden" te zwaar; en aeker, wanneer deze uitdrukking alleen maar zou zien op het onberijrnd laten van een, enkele zinsnede, die niet meer behoorlijk kan worden ondergebracht in den gegeven vorm eener melodie. Mijn toeleg was juist, om zoo weinig mogelijk van het schoone boei der Psalmen ongezongen te laten. Vandaar ook, dat de melodieën weer geschreven zijn in het oude en vlotte tempo, opdat niet in den eeredienst bij e 1 k e n Psalm het grootste stuk zou worden weggelaten.

6. Wat de „vloekpsalmen" betreft, bedenke ieder, dat hij die het beste in het oorspronkelijke kan lezen, en dal hij ze zal kunnen verstaan, wanneer hij bereid is, dooi zich volkomen in te leven in de geschiedenis van Israël uit den tijd vóór de komst van Je'zus GhristuS', als het ware een Jood uit de dagen van Israels oude volksbestaan te worden. D'at voor liturgisch gebruik (dus niet voor bestudeering) hier en daar een spreekwijze verzacht is geworden, ligt voor de hand. Dat was om te verhoeden, dat die Psalmen gehéél buiten het gebruik in den eeredienst gesteld zouden worden. Overigens weet niemand, in welke richting zich de tijden in het laatste der dagen zullen ontwikkelen, en of niet juist de Psalmen, die sommigen wel uit het Psalmboek zouden willen verwijderen, een nieuwen uitdrukkingsvorm geven aan het hart, dat in strijd en vervolging daemonische macliten aan het werk weet. Wie ze niet zingen kan, sla ze over. Dit kan toch eigenlijk ook in den kring der Gereformeerde Kerken niet zulk een grooto moeilijkheid opleveren, daar men er toch al aan gewend is, meer dan zeven tienden van het kerkboek van 1773 over te slaan.

7. Mijn conclusie is 'de volgende: Laat men j u i s t in de Gereformeerde Kerken, in scholen, gezinnen, vereenigingen, allerlei samenkomsten V 1 ij t i g deze Psalmen bestudeeren en de prachtige melodieën oefenen. Prof. Schilder heeft opgemerkt, dat de tegenwoordige jeugd zoo weinig Psalmen kent. Hij vraagt, waardoor dat kan kom'en. Dat komt niet dooi onverschilligheid, maar door een steeds sterker wordende vraag in het kerkelijke leven naar waaiheid en zuiverheid. Ook wil de jeugd het onnatuurlijke niet meer van het langzame on trage zingen. De jongeren voelen dat aan als onecht. DaarWj verstaat de jeugd de Stalep.vertaling en elke andere vertaling van de Psalmen in proza beter dan de omslachtige en halfslachtige verzen der achttiende eeuw. Handhaving van de Staatsberijming der Psalmen beteekent voor onze dagen: niedewerken tot verdere vervreemding van de jeugd van Bü'iel en KeA. Het zingen in de Protestantsche Kerken van ons Vaderland heeft niets meer met „zang" te maken. Dat is geen deugd, maar een gebrek.

In deze bewerking der Psalmen komt geen andere Schriftbeschouwing uit dan Prof. Schilder is toegedaan, en daarom is het ook niet noodig, dat de Gereformeerde Kerken om. verschil in Schriftbeschouwing „liturgiscD in het isolement gedrongen worden". Zij zijn in de geW' genheid om hier den toon aan te geven, en velen verwachten ook, dat dit zal gebeuren. Ik heb in alle oprechtheid gemeend, door deze Psalmbewerking ook het leven in de Gereformeerde Kerken te dienen, en met name oP

die Kerken is mijn hoop gevestigd, dat door haar krachtige medewerking siraka een nieuw Psalmgezang door de wereld zal gaan.

's-Gravenhage, 30 Jan. 1937.

H. HASPER.

Tot zoover Ds Hasper. Volgende week hoop ik mijn atitwoordi te be-

ginnen.

K. S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

Bladeren