GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKLEVEN

27 minuten leestijd

DE SMARTEN VAN EEN GEREFGRIMEERD PREDIKANT.

Ieder gereformeerd predikant loopt, om zoo te zeggen, met een zichtbaar kenmerk rond. Een „merken veldteeken". Het is de gereformeerde be- 1 ij d e n i s.

Zegt men hem: mijnheer, u is dominee, en u moet u dus alleen maar met de u aanbevolen „zielen" en uw zielszorg bemoeien, en niet met „politiek", dan antwoordt hij, pardon, mijnheer, u stelt de zaak niet juist; want al is het mijn taak niet, rechtstreeksche politiek te voeren, ik heb een b e 1 ij d e n i s onderteekend; daar heb ik, om zoo te zeggen, op gezworen, daar wil ik ook me mee presenteeren bij de overheid. En die belijdenis zegt ter dege iets over de beginselen, waarvan alle leven,

dus ook alle politieke leven dient uit te gaan; beginselen, waaraan zoowel overheid als onderdaan, in bezet en in niet-bezet gebied, steeds zijn gebonden. Die belijdenis, zoo zal onze geïnterpelleerde predikant vervolgen, zegt iets, en dat „iets" is héél wat, over God als schepper, en als wetgever van alle ding, en van allen levenskring; en over het onfeilbare Woord, dat zich niet laat vertreden; en over de kerk, die zich ook in eigen welbewuste daad vergadert, „al w a e r t schoon, dat de Overheydt ende der Princen mandamanten ende gheboden daer teghen waren, ende dat de doodt ende lijflicke straffe daer aen hinghe". En zoo voort.

Als men hem dan zou zeggen: mijnheer, dat is een aardig en allicht wel stichtelijk woordje voor de binnenkamer, en voor de ruimte binen de kerkmuren, met name dan voor de plek, waar het kerkelijk archief is opgeborgen, dan zal die predikant, iedere gereformeerde predikant, die er op staat, dat men zijn eeretitel en goede trouw ontziet, verzekeren: u hebt 't mis, meneer. Van archief gesproken, kent U niet de aardige uitgaaf van de Nederlandsche, de destijds Groot-Dietsche Geloofsbelijdenis, die eerst verschenen is bij Adolf Blomhert te Nijmegen in 1865, en later opnieuw bezorgd door dr A. van der Linde, leerling van Kampen, en naar de uitgave van 1562 op geschept papier letterlijk herdrukt door Joh. Enschedé & Zonen, Haarlem? Neen. Nu, ik zal u dan eens voorlezen wat mijn geestelijke Groot-Dietsche voorouders op de eerste pagina hebben laten drukken:

Eer datmen sentencie zal prononcieren Tsy Crime, oft Civile, ist wel nootelick Voor alle Richters, dat sy wel examineren, Waer uyt de sake is spruytende blootelic: Diis moet men alle partijen minootelick Ghehoor gheven, want die alleen tspreken voorwaar Heeft, tsy by gelijc oft ongelijc: verstootelic Sijn wy, die niet en mogen spreken openbaer Want men doet ons swijghen, dits voor elcken klaer. Dus O Eerweerdighe Koninck verheven Wilt ons door u goedertierenheyt eerbaer. Voor uwe Maiesteyt ghehoor toch geven. Ghy Richters, laet u de sake ooc aenkleven. Op dat wy door u advijs mochten verwerven Octroy, so sal u de wijsheyt niet begeven, Want «ïtis doende suldy recht oordeel beerven En des vleesch genegentheyt wilt afsterven End ons Belijdenisse wel incorporeert, Suldy bevinden, dat wij menichwerven Van u tonrechte worden gecondamneert.

Ziet ge wel, zoo zal iedere gereformeerde predikant willen tegenvoeren, mijn vaderen hebben die belijdenis niet in het archief, maar op de overheidstafel neergelegd. Toen ze niet gevraagd werd, hebben zij haar daar neergelegd. Ze kwamen den schuilkelder uit, ze trokken de uniform aan. Die belijdenis van mijn vaderen is een publiek stuk geweest, en ook ik heb er mijn merk- en veldteeken van gemaakt; ik loop, moet u weten, altijd in mijn uniform, en heb ze nooit uitgetrokken; zóó iets, daar heb ik geen woorden voor. Wij, nederlandsche gereformeerden zijn geen vermomde soldaten, meneer.

En als dan de tegenspreker van daareven zou zeggen: ja, maar, meneer, dat allemaal was tóen, maar thans hebben we een nieuw Europa, en een nieuwe volksche gedachte, — dan zal hij zeggen: volksch? volksch, dietsch? maar man, zóó hebben ze ons toch het Wilhelmus leeren zingen, sommigen met gestrekte hand zelfs: het Wilhelmus, dat daar zegt:

Den coninc van Hispanien heb ie altijd gheeert?

Wat anders zou dit beteekenen, dan dat onze dietsche vaderen zich tot koning Filips hebben gewend, net zoo lang als 't maar kon? Omdat ze geen revolutie, doch alleen maar reformatie wilden? In die lijn ligt immers ook de voorrede van de Gereformeerde Geloofsbelijdenis ?

„De gheloovige die daer in de Nederlanden zijn, welcke na der warachtigher reformacie des Euangeliums ons Heeren lesu Christi begheeren te leven, aen den onoverwinnelicken Koninck Philippus, haren ouersten Heere" .Dat is de aanspraak, 't Stuk komt op de tafel van de wettige overheid, de onoverwinnelijke! Wij zouden u graag eens spreken, majesteit, maar u wilt niet; daarom moet u maar eens lézen, wat alle gereformeerde dominees bezweren! „Na dat onse vyanden" (d.w.z. andersdenkende volksgenooten) „u de ooren met so veel valsche aenklaghen ende rapporten vervult hebben, dat ons niet alleenlick verhindert en wordt voor u aenghesichte te verschijnen, maer worden veriaecht uyt uwe landen, vermoort ende verbrant...", zoo 1 é é s toch dit ons publieke stuk, onze Gereformeerde Belijdenis.

Aldus de voorrede. En dan dat slotwoord! Groot- Dietsch:

Vermaninghe ende vertooch tot den Overheden, vanden Nederlanden, namelick. Vlaenderen, Brabandt, HoUandt, Zeélandt, Henegouwe, Artoys, Castelynschap van Ryssele, ende andere omligghende Landtschappen.

Wie graag van Groot-Dietsch spreekt, •— in Lunteren heeft de heer Mussert 't nog pas gedaan — die kan hier terecht, en kan proeven, wat allen, die eens hun stempel op het grootsch-dietsche land en zijn historie drukten, willen. Ze willen, dat de overheid van hun bedoelen ter dege op de hoogte is, ook al is dat misschien een bron van nieuwe moeiten. „Na den vleesche mochten wy veel gemackelicker zijn, sonder deese leeringe voor te staen ende te beweeren: maer (wy) hebben de vreese Gods voor oogen, verschrickt zijnde van dat dreyghement Jesu Christi, die daer seyt, dat hy ons sal verloochenen voor God synen Vader, so wy hem voor de menschen verloochenen: wy bieden den rugghe den slaghen, de tonghen den messen, de mont den breydelstocken, ende het gantsche lijf den vyere"... Wee ons, als wij het niet doen, — dat ware het ergste bravourstuk... tegen onzen hemelschen en dreigenden (!) koning. Bravourstukjes tegen u, a a r d se he koning Filips, halen anderen misschien uit (b.v. de lieden, die wapens opslaan, en een burgerkrijg er voor over hebben), maar w ij doen dat vast en zeker niet. Wij zijn niet schismatiek. Als u onze belijdenis leest, o koning, „suit ghy bekennen, dat men ons ten onrechte naemt Sohismatycke ofte verscheurders der eenieheyt..." , , Die dit woort der waerheydt in synen mondt draecht, is hy oproerich, omdat de menschen haer hier teghen opstellen? ter contrarie, men moet den oproer ende erghernisse toeschrijven den onversoenlicken vyanden Gods ende der menschen, namelick den Duyvel" Het behoort u toe, ghenadichste Heere, het behoort u toe, kennisse deser saken te hebben, om u tegen de dwalingen te stellen..."

En wat u betreft, landsoverheden onder den koning, „so ghy in het middel der vlammen ende benautheden des doodts, den gheloovighen Martelaer niet en kont onttrecken het betrouwen, dat hy heeft in Jesum Christum ghestelt, en suit ghy niet belijden, dat ghy Jesum Christum van nieus vervolghet ende cruycighet...? Wy bidden u in den Name Gods, dat ghy wilt een weynich ophouden ende onderlaten desen uwen verstandeloosen wreeden ijver... Hoe lange suit ghy in sulcke lijdtsaemheyt hooren, die daer seggen, het licht duysternisse te wesen, ende duysternisse het licht? hoe lange suit ghy den onnooselen (onschuldigen, K. S.) sondaer te hooren versteken, ende u niet teghen het gheweldt van zijn teghenpartie stellen, die hem teghelijcke beschuldighen ende veroordeelen...? Wie den Godloosen recht seyt te wesen, ende den gherechten verdoemt, die zijn beyde den Heere eenen grouwel..."

Dat is mannentaal geweest; niet van revolutionairen, doch van trouwe belijders. O neen, niet van revolutionairen: „wat dracht van wapenen, wat raedtslach heeft oyt ontdeckt gheweest, tselfs als wy door die ghene, die haer decken met uwen name ende macht wreedelijck ghep ij nicht ende ghetormenteert geweest zijn ? Niet wij dragen wapenen, niet wij bereiden den burgerkrijg, — kijk wat dat betreft, een anderen kant uit, o koning. —

Deze geloofstaal van onze vaderen, dit appèl aan hoogere en lagere overheden, omklemt de gereformeerde belijdenis en is allen gereformeerden dominees volgens hun zeggen uit het hart gegrepen.

Ook, volgens zijn eigen publieke verklaring, dr H. W. V. d. Vaart Smit.

*^ Dat wij hier een bepaalden naam noemen, heeft zijn reden. Ons kwam dezer dagen volgend stuk onder de oogen:

TENAX-PAKKET RUBRIEK I — VRIJE ARTIKELEN I Uitgave van het Uitgeversbedrijf De Pauw Koninginnegracht 70 — Den Haag Afdeeling Persagentuur. Telefoon 115528 — giro 360574 Nr. 188 van 18—21 Juni 1940.

DE TOEKOMST.

Al naarmate de toekomst voortschrijdt, teekent de toekomst zich af.

Het is wonderbaarlijk zooveel succes als de Duitsche wapenen in dezen oorlog hebben. De Poolsche veldtocht vorderde slechts 18 dagen, hoewel het toch een volk van 32 millioen zielen was dat hier als tegenpartij stond. Hoe het in Noorwegen gegaan is, weten we allen. Nederland en België zijn gevolgd. En thans Frankrijk. In een minimum van tijd is de Fransche hoofdstad gevallen. En de trotsche vesting Verdun, waar van 1914—1918 de Duitsche troepen vergeefs 400.000 dooden offerden in den bloedigsten en langdurigsten veldslag die in dien oorlog geleverd is, is thans schier spelenderwijs overmeesterd.

Wij kunnen ons voorstellen hoe de oud-strijders van 1914 —1918, zoowel Duitschers als Franschen, die toen in die jarenlange taaie worsteling elkanders krachten hebben leeren kennen, zich te moede gevoelen moeten bij deze verbijsterende successen. Verdun gevallen! De Maginotlinie doorbroken! Parijs bezet! Alles in een enkele week bij elkander. De Duitschers gevoelen zich gelukkig en trotsch. Ze hebben er reden toe. De Franschen voelen zich wanhopig neerslachtig; het is geen wonder. Frankrijk is verloren. De geleden verliezen aan manschappen en nog meer aan materiaal zijn niet meer te herstellen en de rest van het land heeft geen voldoenden tegenweer meer. Wat thans nog volgt zijn slechts de laatste stuiptrekkingen van een goed soldatenvolk, dat nimmer laf is geweest en in de geschiedenis tal van roemrijke bladzijden heeft gevuld, maar nu de meerderheid van zijn tegenstander moet erkennen en zelfs met de grootste dapperheid de geleden verliezen niet meer inhalen kan.

Wij zouden blinden zijn, indien wij niet wilden of konden zien, waar een en ander op uitloopt. Het is nog oorlog, ongetwijfeld, en zoolang er gevochten wordt, is de krijgskans een kans, die keeren kan. Maar allengs wordt dit reine theorie. Duitschland en Italië staan momenteel zoo geweldig sterk, dat de afloop van den oorlog zich reeds afteekent. En — gesteld dat we dit juist zien, dan is één ding duidelijk, namelijk dat de toekomst van Europa door het nationaalsocialisme en fascisme bepaald zal worden, niet alleen elders, maar ook in ons land.

Wij vragen nu niet, of ieder dit aangenaam vindt, of reeds gereed staat deze wereldbeschouwingen te omhelzen. (Zie vervolg op blz. 310.)

Wij kunnen ons voorstellen, dat karaktervaste menschen, die levenslang aan een bepaalde politieke beschouwing zich gebonden voelden, er niet over denken om nu op eenmaal uit hun oude huid te kruipen en binnen een paar weken in een nieuwe huid te verschijnen. Het zou ook weinig eerbied wekken en veeleer verachting verdienen. Een eerlijk mensch kan het niet doen, zelfs al zou hij het willen!

Maar dat neemt het groote feit toch niet weg, dat de toekomst, aangenomen het feit, dat Midden-Europa den krijg niet meer verliezen kan, door het nationaalsocialisme en fascisme bepaald zal worden en dat ieder Nederlander daar ook in Nederland mee rekening zal moeten houden, hetzij vrijwillig, hetzij noodgedwongen.

En wij gelooven, dat daar ook een andere consequentie uit voortvloeit, n.l. dat het verkeerd zou zijn om zich nu uit te putten in lijdelijk verzet of in pogingen om den gang der dingen zooveel mogelijk te vertragen of te hinderen. Zulk negatief werk zou alleen nut kunnen hebben in de overweging dat Engeland misschien den oorlog nog wint, maar brengt tegelijk de schade mede, dat de Duitschers dit negatief werk niet zullen dulden en bovendien indien Engeland verliest, alle aanhangers van dit negatieve werk zichzelf den ondergang bereid zullen hebben en aan hun eigen land en volk inmiddels groote schade hebben toegebracht. Wij meenen, dat de omstandigheden rechtvaardigen, dat wij daartegen waarschuwen. Wij gelooven dat aanbeveling verdient, om een positieve houding aan te nemen en positief mee te werken. Dit is — gegeven al wat boven gezegd werd — de weg en zelfs de e e n i g e weg naar de vrijheid, die de Duitsche rijkscommissaris aan ons land en volk beloofde. Het zal velen moeilijk vallen. Maar er is nu eenmaal iets veranderd. En dat moet men onder de oogen zien met den nuchteren werkelijkheidszin, die steeds een kenmerk van ons volk is geweest.

Boven dit stuk staat als plaats van verzending aangegeven: Koninginnegracht 70, Den Haag, Telefoon 115528.

Wie de jongste uitgave van den Telefoongids opslaat, vindt vermeld: Ned. Chr. Persbureau, directeur dr H. W. v. d. Vaart Smit. Het adres is hetzelfde: Koninginnegracht 70, Den Haag. Het telefoonnummer: 115528.

Nu weten we, dat dit Ned. Chr. Persbureau, kort vóór de oorlog in ons land uitbrak, door de meesten zijner bestuurders verlaten is. Maar we weten ook, dat dr V. d. Vaart Smit gebleven is, en dat, wie hem spreken wil, moet bellen: Den Haag 115528.

De vraag is nu: wat wil dr H. W. v. d. Vaart Smit? Is hier een uitgeversbedrijf „De Pauw" in zijn residentie ingebroken? Is hij overweldigd? Verhuisd? Verdrongen? Uitgeschakeld? Gelijkgeschakeld? Ingeschakeld? Gemuilkorfd? Gaan dergelijke stukken zijn deur uit tegen zijn wil ? Zoo ja, dan zijn de smarten van dezen gereformeerden predikant, die, naar wij weten, . op behoud van zijn kerkelijken titel staat, wel zeer groot! 't Zijn dan de smarten van den geknevelde. Wij zien hem dan al zuchten onder vreemd geweld! Een uitgeversbedrijf „De Pauw", dat stukken lanceert, en ze expediëert door dezelfde deur, die ook door den directeur van het Nederl. Christel ij k Persbureau geruimen tijd is gepasseerd.

Of, is dr H. W. v. d. Vaart Smit niet overweldigd? En verlaten zulke stukken het huis, waar men hèm opbellen kan, niet tegen zijn wil? Zoo ja, dan zullen de Gereformeerde Kerken zich over zijn positie als drager van den naam en de eere van gereformeerd predikant moeten beraden. En de duitsche autoriteiten zullen moeten weten, dat deze niet-meer-in-gewonendienst-zijnde gereformeerde predikant met ons beleden heeft, en kwaad zou worden, als men 't anders van hem verwachtte :

a. het is aller geloovigen schuldige plicht, ... dat zij „hen afscheyden van den ghenen, die vander Kercken niet en zijn, ende hen onder dese vergaderinghe begheven, al waert schoon, dat de Ouerheydt ende der Princen mandamanten ende gheboden daer teghen waren, ende dat de doodt ende lijflicke straffe daer aan hinghe", (art. 28);

b. het ambt en officie der overheid is o. m. , , om te (be)vorderen het Koninckrijke Jesu Christi" (art. 36), of, naar de huidige redactie, „de hand te houden aan den Heiligen Kerkedienst; en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het Woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt";

c. „een yeghelick, van wat state, qualiteyt, of condicien, dat hy zy, moet der Ouerheyt onderdanich zijn, ende... hen gehoorsaem zijn in alle dinghen, die den woorde Gods niet teghen en zijn, en bidden voor haer in haren ghebeden" (id.);

d. „in alle ootmoedicheyt ende eerweerdicheyt aenbidden wy de rechtveerdighe oordeelen Gods, die ons verborgen zijn, ende stellen ons te vreden, dat wy moghen zijn leerjongheren Christi, om alleenlick te leeren het ghene dat hy ons door zijn woordt aenwijst, ende en willen dese palen niet over treden" (art. 13).

Welnu, deze en dergelijke uitspraken, waarop dr H. W. V. d. Vaart Smit wil geacht worden gezworen te hebben, en te zweren, weerspreken heel het miserabele stuk proza, dat van Koninginnegracht 70, Den Haag, onder ons volk is uitgegaan.

Wie immers belijdt, wat onder a. gezegd is, die kan niet anders dan zich schamen, als van achter de deur, die een gereformeerd predikant placht dan wel pleegt in en uit te gaan, de vermaning klinkt, om toch niet te pogen, den gang der dingen zooveel mogelijk te vertragen of te hinderen. WELKE dingen? Wij hebben vaak genoeg gezegd, geen gewapend verzet tegen de duitsche weermacht te mogen of te willen stimuleeren, ook niet met een enkel woord. Maar d a t is toch zeker heel wat anders, dan n a - tionaal-socialisme en fascisme over ons te laten komen? Dat zijn leeringen! Of, gelijk er staat, wereldbeschouwingen ! Wat zou dr H. W. V. d. Vaart Smit ervan zeggen, als de engelsche propaganda tot de onderdanen van het duitsche rijk zeide: er staan zooveel russisohe tanks aan uw oostgrens, en, zoodra nu de hemel daar „droevig-rood" zou worden, moet ge nu maar uw pogingen om het bolsjewisme, de russisclie leer te hinderen, prijsgeven ? En wat, als dan een duitsch burger of duitsche Pauw zou verklaren: dat moeten we maar voor zoete koek opnemen: het is: „werkelijkheidszin, die steeds een kenmerk van ons volk geweest is"? Ik denk, dat zoo'n meneer in het duitsch verrader zou heeten. Ik denk ook, dat hij als zoodanig zou behandeld worden. Ik denk, als een dominee in Duitschland zou zeggen, ingeval van een nog maar waarschijn- 1 ij k russische overheersching: verzet u niet langer tegen het bolsjewisme, doch werk positief mee, die dominee zijn huis erg gauw zou moeten verlaten! In ons blad is nog pas er aan herinnerd, dat volgens Adolf Hitler de russische staat en de russische „ D o k - t r i n " wel te onderscheiden zijn. Welnu, wij noemen het God geklaagd, dat van Koninginnegracht 70 een vermaning uit gaat, die, mutatis mutandis, in Duitschland alleen maar verachting ontmoeten zou. Zeker is ze ongereformeerd gedacht. Het nationaal - s o e i a • 1 i s m e (de leer) is tegen de gereformeerde belijdenis. Onze weigering om naar het geweer te grijpen is wat anders dan ongereformeerde leeringen „niet te hinderen", en zelfs niet te vertragen !

Want volgens de gereformeerde belijdenis, zie wat onder b. staat, is alle overheid verplicht, de kerk toe te staan, elke wereldbeschouwing, elke leer te weerstaan, wijl deze leer het koninkrijk van Jezus Christus niet bevordert, doch tegenstaat. Zie slechts, wat de belijdenis aangaande de kerk zegt — het is een zakelijke afwijzing van de wereldbeschouwing van een totalitairen staat.

Volgens die zelfde belijdenis, waarvan dr v. d. Vaart Smit ook bij de duitsche autoriteiten, volgens publieke verzekering, zijn visitekaartje maakt, dient in Koninginnegracht 70, Den Haag te worden ge b e d e n voor Koningin Wilhelmina. Zou naar de begeerte van zijn hart een gereformeerde kerkeraad zijn kansel nog eens voor dr v. d. Vaart Smit openstellen, dan zou die kerkeraad zeker van hem verwachten, dat hij voor de Koningin in 't openbaar zou bidden. Maar hoe verdraagt zich dat met de vermaning om positief mee te werken (iets anders dan niet de wapens opnemen) met wereldbeschouwingen van hen, met wie de vrede nog niet geteekend is? Wil men van Koninginnegracht 70, Den Haag ons eens vertellen, of wij moeten bidden, dat Koningin Wilhelmina aan de tafel der vredesconferentie zal aanzitten? Zoo ja, moeten we ons dan reguleeren naar dat gebed, of naar speculaties over wat de met ons oorlogvoerende staat zou begeeren ? Hoe bidt men op Koninginnegracht 70 ? Wil men vandaar ons eens open zeggen, of er in Indië een andere moraal moet heerschen dan in Nederland? Moet de Gouverneur-Generaal van Indië ook „medewerken" ? Ik dacht, dat de duitsche autoriteiten, in wier geest de spreektrompet van Koninginnegracht 70 haar geluiden doet hooren over onze thans eenzame residentie, en verder, er zoo heel erg tegen was, als de autoriteiten in de fransche koloniën een andere houding aannamen, dan de wettige overheid van het moederland (regeering-Pétain)! (De fransche vloot!) Huldigt men in Koninginnegracht 70 soms tweeërlei moraal? Moet in Frankrijk het staatsgezag der officiëele regeering ook de bestuurders der koloniën verplichten, maar moet in den Staat der Nederlanden een deel der bevolking met de bezetters positief meewerken, en een ander deel (in de koloniën) onder de Koningin blijven werken en op haar aanwerken? In het duitsch noemt men zoo'n opwekking : verraad. In het belijdend-dietsch óók!

En eindelijk, — wie belijdt wat onder d. staat, die schuift met diepe verontwaardiging het product van Koninginnegracht 70 ter zijde! Niet in de verborgen dingen zien, niet op de verborgen dingen ons baseeren, doch op het Woord, het geopenbaarde, letten, en daarop alleen ons gedrag baseeren! Alzóó de belijdenis, ook van den dominee, dien men kan opbellen Koninginnegracht 70. Maar hier wordt, o schande, onze „houding" ons voorgeschreven, op grond van waarschijnlijkheidsberekening! Duitschland zal 't wel winnen! Wie niet bijtijds de bakens verzet, die wordt straks vernietigd...

Welnu, liever vernietigd om onze trouw aan de belijdenis van dr v. d. Vaart Smit, dan gespaard bij de gratie van Koninginegracht 70! Geen oorlogsspeculatie beheersche in eerster instantie ons gedrag, zelfs geen „mandament" der „princen" in laatster instantie, doch het Woord van Jezus Christus, in eerster èn in laatster instantie.

Wat denkt men eigenlijk van onze menschen? Als wij positief moeten meewerken, om bij een engelsche nederlaag niet te worden vernietigd, moeten wij dan aannemen, dat deze moniteurs positief meewerken, teneinde bij een duitsche zege de vette kluif jes te kunnen bemachtigen?

Men zegt mij: weet u wel precies, wat dr v. d. Vaart Smit tegenwoordig voor invloed heeft? Ik weet er, geloof ik, wel iets van. Maar het levert me geen enkel Leitmotiv. In de week, waarin een anti-revolutionair orgaan van een redacteur, die heusch niet eiken politieken knobbel mist, verboden is, acht ik dergelijke producten funest. Laat politieke machthebbers hun zwaard in de schaal kunnen werpen, de kerk heeft nog het hare. Het gaat de kerk aan, als zulke producten komen van eenzelfde adres, waarheen men, tot nu toe, ook preekverzoeken kan richten. Het gaat de kerk aan, als wie het zwaard draagt, de kerk zou vragen, niet aan politiek te doen, doch zelf een politieke leer en moraal zou propageeren, die de kerk rechtstreeks raakt. Wanneer van uit de richting A—Z de politiek de kerk raakt, dan raakt van uit de richting Z—^A de kerk de politiek. Daar doet nu eenmaal niets en niemand iets tegen.

Wij willen als kerkelijke menschen graag v/eten, welke de smarten zijn van dr H. W. v. d. Vaart Smit. We hebben de leertucht nog niet afgeschaft. En ónze censure ook niet. Perscensuur en kerkelijke censuur zijn twee, en in beide zij grondige eerlijkheid.

K. S.

MARCUS AURELIUS ALS ER. CHRISTENVERVOL­GER.

Onder de nobelste figuren uit de nadagen van het Romeinsch imperium behoort wel de keizer-filosoof Marcus Aurelius (161—180).

Een voorbeeld van zelfwegcijfering, van overgegeven dienst aan het vaderland, van edelen zin jegens vriend en vijand.

En dat is een jammerperiode van honger, alles wegmaaiende pest, finantiëelen nood, bovenal van uiterst gevaarlijke aanvallen op het al voozer wordend wereldrijk.

Armeniërs en Parthen, straks Quaden, Marcomannen en andere stammen geven Rome een voorproef van wat zijn ondergang zal worden.

Marcus Aurelius (hoe herinnert hij aan onzen Vader Willem!), verkoopt weken aaneen publiek de kunstschatten van zijn paleis om maar den oorlog te kunnen financieren.

Zelf neemt hij dan, de melancholische peinzer, een meer op medicijnen dan op voedsel terend patiënt, de legerleiding op zich, en met succes.

Na acht jaren van afwezigheid kan Marcus eindelijk huiswaarts keeren. Maar nog geen twee jaren laten de Germanen hem met rust. Weer is zijn aanwezigheid in het Noorden vereischt. Daar, midden in den arbeid voor de beveiliging der rijksgrenzen, vindt hem de dood. Zijn zoon Commodus geeft de vruchten van zijns vaders levenswerk aan het barbarendom prijs

Toch is er iets van Marcus Aurelius' werk, dat tot p den huldigen dag bleef: een onaanzienlijk, onopgesmukt bundeltje „Gesprekken met zichzelf", een erzameling gedachten en aphorismen, die, midden nder de krijgsbedrijven door, bij den filosoof oprijzen en om een eenvoudige formuleering vragen. Hoe vreemd et lijken moge, dit pretentielooze boekje heeft wellicht meer dan zijn daden den keizer wereldroem gebracht.

Niet, dat het uitmunt door oorspronkelijkheid of diepzinnigheid van gedachten. Evenmin boeit het door de verrassingen van een sterk persoonlijken stijl.

Niets van dit alles. Maar wat zijn auteur heeft, en dat in bijzondere mate, is de doodelijke ernst van een man, die afgerekend heeft met de geneugten en de illusies des levens en nu maar één levensdoel meer kent: een incarnatie als het ware te worden van de vreugdelooze. Pantheïstische leer der Stoa.

Wat dit werkje zoo aantrekkelijk maakt voor velen in onzen tijd is in hoofdzaak tweeërlei. In de eerste plaats, dat het in een tijdperk van bloed en tranen den mensch in een harnas van stalen dogmata wil pantseren tegen 's levens leed. Maar dan ook het telkens weerkeerend thema van de natuurlijke goedheid des menschen. „Let op Uw innerlijk" roep M.A.; „daarbinnen is de fontein van het goede, die altijd wellen kan, zoo ge slechts onverdroten graaft" (VII, 59).

Niets markeert duidelijker den afstand tusschen de rede-aanbidding van den filosoof en het geloof van hen, die belijden, dat alleen de Heiland der wereld levend water biedt, dat wordt tot een fontein in het binnenste, springend tot in het eeuwige leven (Joh. 4).

Deze Stoïcijnsche leer weet niet van genade of liefde. Ik zeg niet, dat ze geen intellectualistisch opgezette vertoogen over naastenliefde houdt (ze gaat uit van de gelijkheid aller menschen) maar een zichzelf, om Gods wil, wegschenkende liefde blijft haar vreemd. Hoe kan het ook anders, als men zijn vrijheid wil verzekeren door al wat niet in onze eigen macht gesteld is te beschouwen als neutraal, goed noch kwaad?

Epictetus, tot wien M.A. vol bewondering opziet, begint zijn Handboek in dezer voege: „In deze wereld zijn sommige dingen in onze macht, andere niet. In onze macht staan onze opvattingen, ons streven, neigingen en antipathieën, in één woord: onze eigen verrichtingen. Niet in onze eigen macht staan ons lichaam, bezit, eer, ambten, in één woord: al wat niet tot onze verrichtingen behoort. Wat nu in onze macht staat is van nature vrij, ongehinderd, onbelemmerd. Wat niet in onze macht staat is zwak, onvrij, belemmerd, niet-eigen".

Zulk een levenshouding nu, waarbij men zich, om toch maar nooit geschokt te worden in de fundamenten van zijn bestaan, innerlijk los en vrij maakt van al wat niet „in eigen macht" staat, is onbestaanbaar met den eisch der liefde. Ze komt uit egoïsme op en kweekt egoïsme, hoe fraai ook daaromheen het filosofisch gewaad wordt gedrapeerd.

Prof. Wagenvoort schreef eens, dat de Stoa in M. Aurelius niet anders had gewerkt dan , , een leven van zelfzucht, zij het een zelfzucht van hooger plan dan de banale"^).

Een te hard vonnis voor den plichtmensch, die de keizer toch onweersprekelijk was? Wie het meenen mocht, bedenke, dat de filosoof dezen stelregel voor

den omgang met zijn medemenschen huldigde: „hen wel te doen, ze te duld en en ze te mijden"2).

Onder dezen zaehtmoedigen keizer nu zijn Christenen mishandeld, terecht gesteld, voor de beesten geworpen in verschillende streken des rijks, o.a. in Klein- Azië en in Gallië (Lyon, Vienna). Van meer dan één proces zijn ons acta overgeleverd, die we moeilijk zonder ontroering kunnen lezen: aan de eene zijde een soms zeer correct, maar steeds onverbiddelijk magistraat; tegenover hem eenige schamele lieden wier eenige misdaad is, dat ze het 'Christianus sum' uitspreken en bewijzen. Menschen, die weigerden offers te brengen op heidensche altaren of te zweren bij den genius van Caesar en dies als staatsvijanden werden beschouwd en gestraft. Dwazen in het oog der wereld. Terwijl andere mysteriereligies hen tot zich noodigden, die zich rein wisten van schuld, beloofden de Christenen, dat de poorten van hun Godsrijk zich zouden openen voor zondaars en dwazen. Zoo spotte het Heidendom. Maar deze zoekers van een beter vaderland wisten, dat God Zich niet schaamde hun God genaamd te worden.

Sommige humanistisch denkende bewonderaars van Marcus Aurelius' dagboek verwonderen zich over de inconsequentie, die een zoo nobelvoelend mensch onschuldig Christenbloed vergieten deed.

Om die te verzachten merkt de een op, dat men hier eigenlijk niet van Christen vervolging moet spreken, omdat er slechts sprake was van wetshandhaving. Dit laatste is, hoe weinig het voor deze quaestie bewijst, op zichzelf juist. Al moeten we er aanstonds aan toevoegen, dat een rescript van M. Aurelius zelf, dat met straffen dreigde allen, die 'de spoedig opgewonden gemoederen der menigte door waangeloof met angst vervulden' ook de Christenen trof 2).

Een ander meent: niets is minder waar dan dat Marcus de Christenen zou hebben gehaat en vervolgd. Integendeel: de eenige plaats in zijn dagboek (XI, 3), waar we van hen gewag vinden gemaakt, en wel op minachtenden toon, ziet er naar uit, alsof ze later is ingevoegd. En verschillende andere, die hen weliswaar niet met name aanduiden, laten een verklaring toe, welke veeleer op een vriendelijke gezindheid jegens de belijders van het nieuwe geloof wijst*).

Wat zullen we hiertoe zeggen? Dergelijke kunststukjes van uitlegkunde danken hun ontstaan aan een niet kunnen, of willen, zien van den tusschen Christendom en Stoa gapenden afgrond. Men kan het ook zoo uitdrukken: aan een hedendaagsch Christendom zonder Christus.

Veel liever, en beter, luisteren we naar hen, die de tegenstelling waarvan sprake was, helder inzien. We denken b.v. aan een schrijver als Walter Görlitz (Mare. Aurel., Kaiser und Philosoph 5), die een geheel anderen weg inslaat. Een leer als die van den Apostel Paulus, zoo betoogt hij ongeveer, welke de muren van het wereldgebouw der klassieke schoonheid sloepen ging, moest den keizer te allen tijde innerlijk vreemd blijven, ja hem gevaarlijk schijnen voor den staat. En daarom is het, dat zijn scherpe resoluties tegen de aanhangers dier leer wel verre van in strijd te zijn met zijn levenshouding daar van veeleer de logische consequentie waren. Immers het welzijn der gemeenschap van het imperium Romanum, mèt zijn staatsgoden en mèt zijn keizercultus, ging hem boven alles. Als filosoof was hij de overtuiging toegedaan, dat de individu, niets zijnde buiten de gemeenschap, nooit tegen haar in mag gaan. Ieder geestelijk en zedelijk individualisme is vloekwaardig. Nooit ofte nimmer mag de individu zich onttrekken aan de eischen, welke de gemeenschap hem stelt. Waagt hij het toch, zoo sluit hij zichzelf buiten haar grenzen

We deelen de meening van dezen schrijver, dat het conflict niet uitblijven kon. Immers het was er. Alleen staan we wel heel ver van hem af, als hij meent, dat alleen zulk een beschouwing als door Marcus Aurelius op wreede wijze werd toegepast, 'ons menschen van den tegenwoordigen tijd denkbaar en vruchtbaar voorkomt'. Integendeel: de Evangeliebelijder van thans zou, hopen wij, even standvastig als de schare van Lyon gehoorzaamheid weigeren aan een overheid, die verloochening vorderde van den levenden God.

Een vordering, in den loop der geschiedenis altijd dan gesteld, wanneer in een land het staatsbestel zijn levenssappen trok uit een religie of een levensbeschouwing, die vreemd was aan den Christus.

De overwinning was aan den Galileër, niet aan den keizer. Deze was trouwens allerminst geneigd tot triomfantelijke zelfverheffing. Veeleer is het een diep weemoedige ondertoon, die al zijn uitingen begeleidt: 'Nog maar een oogenblik en ge zijt asch of een geraamte en óf een naam of niet eens een naam. En de naam is slechts geruisch, een echo. En wat in het leven zoo hoog geëerd is, is leeg, rot, klein; en de menschen zijn honden, die naar elkaar bijten en twistzieke kinderen, die het eene oogenblik lachen, het andere schreien. Maar trouw en eerbied en recht en waarheid zijn van de aarde weggevloden naar den Olympus...' (V, 33).

En zijn Christelijke onderdanen, die geloofden in den „Opgang uit de hoogte" ? Zij hadden en omhelsden het woord van den Meester: 'Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen. „De oude Christenen" heeft iemand gezegd, „waren een zeer gelukkig volk. Zij hadden het grootste van de menschelijke bezittingen: het geloof in en een hartstochtelijke liefde tot een persoonlijken God". Het is waar. Het is nog meer waar, als men de beperking tot de oudheid laat vervallen.

D.


•'•) Christendom en Historie, Lustrumbundel 1925, Amsterdam, Uitgeversmaatschappij Holland, pag. 62. 2) V, 33. ^) Zie Friedlander, Sittengeschichte Roms, III8 220. •*) Zie de editie van Haines in The Loeb Classical Library, pag. 383 vlg. ") Leipzig, 1936. Zie vooral pag. 177 vlg.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juli 1940

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juli 1940

De Reformatie | 8 Pagina's