GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKLEVEN

28 minuten leestijd

„OP DE GRENS VAiS! TWEE WERELDEN". (III.) (Slot.)

In zijn brochure heeft dr Colijn zijn volle aandacht gegeven aan de fouten, die „de democratie" aankleven. Kort maar puntig gaat de schrijver na, hoe het in onderscheiden landen met „de democratie" gegaan is. Op meer dan één plaats heeft z.i. het systeem gefaald; één ding valt daarbij op: „en dat is niet van merkwaardigheid ontbloot", „het democratische bestuurssysteem" heeft zich „onder den schok der tijden alleen maar goed gehandhaafd in die landen, waar het niet geschapen, doch gegroeid is: Engeland, Noorwegen, Zweden, Denemarken, Nederland, Zwitserland" (28/9).

Op zichzelf genomen, zou men dit resultaat van dr Colijn's verkenningstocht kunnen accepteeren, onder de min of meer toepasselijke opmerking, dat het dan des te meer pleit tégen elk in-haastontworpen, of van boven dan wel van buiten af o p - gelegd systeem van regeering en samenleving. Wie in deze dagen zijn werk ervan maakt, de fouten van het democratische systeem aan te wijzen, laat zijn opmerkingen dan nog al eens eindigen in een oproep, om toch vooral wat nieuws in te voeren, vooral nu, waar in den storm zoo veel is weggevaagd, en wederopbouw noodzakelijk is. Men vergeet daarbij, dat wederopbouw thans slechts dan dien naam verdient, als hij zich houdt aan de bepalingen van de bekende Haagsche Conventie, m.a.w. als hij in den overgangstijd-der-bezetting niets verandert aan het bestaande systeem. Alleen het systeem-van-handen-af is rechtvaardig, en verdient den naam van „wéder-opbouw"; de „weder"-opbouw toch wordt opgetrokken op het oude fundament; wat daarop niet wordt opgetrokken is geen „we-der-"opbouw, doch „nieuw"-bouw. En elke nieuwbouw in een tijd van onzekerheid en overgang, van afwachting, van hopen-op-de-vredesconferentie, is een mechanische optrek, doorgedreven hetzij door een groepje revolutionairen, hetzij door een misschien wel grooter, maar daarom nog niet wijzer groep van contra-revolutionairen, zooals, men vergeve het mij, zooals afgezien van den te volgen weg, haars-ondanks, voor mijn besef de Nederlandsche Unie het is; het feit, dat ze contra-revolutionaire verlangens tegenover de revolutionaire stellen wil, legt een kloof tusschen haar en wat anti-revolutionair is.

Overigens treft het ons, dat dr Colijn van el k politiek stelsel ontkent, dat het „op een ongestoord voortbestaan aanspraak kan doen gelden". Ook de democratische staatsvormen, zegt hij, brengen bij de geboorte reeds de doodskiemen mee.

Vóór men nu hieruit zou willen afleiden, dat dan volgens dr Colijn zeker de regeeringsvorm er niet oo heel veel op aankomt, leze men wat hij eraan oevoegt, ter toeUchting, en wat dr Kuyper eens heeft pgemerkt over tweeërlei „democratie".

Dr Colijn ziet den val der democratie verklaard it een „te veel". „Meer dan 23 eeuwen geleden" etuigde „een vermaard schrijver der oudheid van de emocratie", „dat zij gevaar liep ten onder te gaan oor te veel democratie" (25). „Te veel demoratie" is dan ook volgens dr Colijn „de ziektekiem eweest, die ook de moderne democratie bij haar eboorte heeft meegekregen en waardoor zij thans in tervensnood verkeert" (25).

In zijn vlugschrift, dat voor een breede massa betemd is, zal dr Colijn zich niet hebben willen begeven n een breede, en scherpe uiteenzetting van beginseen. Maar we mogen toch wel aannemen, dat hij, ndien daartoe voor hem aanleiding zou hebben betaan, zich'allicht liever alzóó zou hebben uitgedrukt,

dat de fout niet lag in een „te veel" democratie tegenover een „te vireinig", doch, althans als men het woord niet verder ontleden wil, in een „verkeerde" democratie tegenover een goede. Dr A. Kuyper heeft op die tweeërlei democratie destijds gewezen (b.v. Ons Program met Bijlagen, 114—6). Af gedacht van het woord „democratie", dat als technische term o.i. bedenkelijk is, en in die aanvechtbaarheid zelf mede een oorzaak van misstand en misvorming, ligt, als wij wel zien, eigenlijk in het vergeten van die waarheid der tweeërlei democratie, de verklaring voor het feit, dat in het eene land de democratie doodgeloopen, dan wel - geslagen is, en in het andere niet.

Over die tweeërlei democratie kwam dr Kuyper te spreken in verband met een „Gids"-artikel over „Democratie en constitutioneele monarchie". Merkwaardig was daarbij, dat de schrijver in „De Gids" van de democratie en dus ook van het streven van dr Kuyper veel waardeerends zei, terwijl Kuyper zelf voelde te moeten waarschuwen. De schrijver in „De Gids" had geconstateerd, „dat Gods wereldorde nu reeds duidelijk wijst op de toekomstige volledige zegepraal der demoor atischebeginselen. Kuyper daarentegen verklaarde „deze stelling slechts onder beneficie van inventaris te kunnen aanvaarden", 't Is maar de vraag, welke democratie ge bedoelt, zegt hij. Die van het hedendaagsche Frankrijk (men schreef 1871). Of van Amerika? Van Tocqueville? Of van Mirabeau? Van 1789? Of van onze kloeke vaderen? „Want dat er een diepgaand verschil in wezen tusschen beiden bestaat, zal niemand ontkennen". De Amerikaansche democratie is godsdienstig, werd uit verzet van het christelijk geweten tegen onderdrukking daarvan geboren, wilde het wettig gezag, dat het spoor bijster geraakt was, daarop terugbrengen, maakte plaats voor orde en wet, en grondde op Gods wet. De fransche democratie daarentegen is ongodsdienstig, revolutioneert tegen alle gezag en macht, vond wel in bepaalde misbruiken aanleiding om zich te doen gelden, maar werd toch door het „vrijheid, gelijkheid, broederschap" zelf aan revolutionair misbruik schuldig. Ze verwierp de ordeningen van God.

De vraag, aldus Kuyper nog steeds, is dus: tot welke soort van democratie behoort de thans (1871) veldwinnende? Het antwoord is, dat wat in 1871 in Nederland onder democratischen naam werd aangediend, den verkeerden „franschen" kant uitging. Daarop lofzangen te zingen, was dan ook wel zeer pemicieus. „Wil men echter toch het betrekkelijk recht der democratie handhaven, en tot op zekere hoogte met hare eischen instemmen, men zal dan zorgen scherp te onderscheiden tusschen de beide soorten, die we trachtten te onderscheiden, en zorgvuldig allen schijn van medeplichtigheid zelfs afwijzen met die democratie, welke niet in Gods wereldorde wortelt, maar daartegen strijdt, en die vooral op Nederlandschen bodem geen recht heeft zich te vestigen."

De overweging van Kujfper's onderscheiding uit 1871 is bij ons dan ook oorzaak, dat we ons niet geheel kunnen vinden in den titel van dr Colijn's brochure. Als we dit opmerken, maken we geen gemeene zaak met de N.S.B.-propagandisten, die elkaar het slagwoord napraten, dat we niet meer „op de grens" van twee werelden ons bevinden, doch reeds over die grens heengekomen zijn. De heeren hebben het vredestractaat, incluis Nederlands radikale onderwerping, al in den zak, en ze hebben te weinig in theologische kringen verkeerd, dan dat ze zich zouden laten waarschuwen door het dezerzijds nog al eens gemaakte onderscheid tusschen „wenschen" en „dadelijk gelooven". Neen, wij hebben 't niet zoozeer tegen de aanwijzing van onze huidige positie als een grenspositie, als wel tegen de gedachte, dat we rechts en links van de grenslijn „twee werelden" zouden zien; we gelooven trouwens, dat dr Colijn zelf zijn titel niet zoo streng wil zien opgevat; als deze toch op bl. 31 beweert, dat overal, waar de democratie niet diep in de volkshistorie geworteld was, zij haar wortel te danken had aan de Fransche revolutie, of wanneer hij op bl. 39 de moderne democratie vlijmscherp van de gezonde onderscheidt, dan blijkt hij ook zelf tusschen tweeërlei democratie nadrukkelijk te onderscheiden. De twee „werelden" scheiden voor mijn besef zich nog altijd niet daar af, waar Duitschland en Engeland, de een onder anti-plutocratische, de ander onder pro-democratische vlag elkaar bekampen, doch daar, waar de humanistische autonomie en vrijheidsleus zich te weer stelt tegen de belijdenis, dat Christus Jezus het recht heeft, niet alleen de kerkgeschiedenis, doch ook die van volkeren en staten te beheerschen als de Zaakwaarnemer Gods. Die scheidslijn loopt anders dan de demarcatielijn tusschen het duitsche en het engelsche „levensruimtegebied". Het bewijs ligt, zelfs voor de blinden, in de onklaarheid van de positie van Rusland. De revolutionaire stoottroepen van het oude slag nemen de „democratie" als einddoel in hun leuzen en vlaggespreuken op; de reformatorische zagen en zien haar slechts als middel om koren en kaf gelijkelijk te laten wassen tot de oogstdag komt. En nu moge het woord democratie bij revolutionairen van nieuwere formatie formeel in den ban gedaan zijn, de afgoden der revolutie zijn daarmee nog allerminst ter verbranding overgegeven. Dat blijkt b.v. uit het abstraheeren van de russische „Doktrin" uit het compact geheel der russische revolutiedaden. Alsmede uit de steeds sterkere accenxueenng van het tweede lid in den naam „nationaal-socialist". Benevens uit de poging, ook van duitsche zijde ondernomen, om de democratie als zoodanig te ontzien, een poging, welke de massa der engelsche democraten op wil zetten tegen haar leiders, die tot dat doel als plutocraten, en dus volks-vreemden, worden aangediend. En niet ten laatste blijkt het uit den theoretischen onderbouw van het „leidersbeginsel"; hoe stevig ook het net van machtsbepalingen moge worden toegetrokken over het volk, dat te gehoorzamen heeft, toch wordt althans theoretisch de massa des volks, zijn adel en zijn geschiedenis voorgesteld als de groote vóór-onder-stelling van den leider, zijn opkomst en gezag in den dictatorialen staat.

Vandaar dan ook, dat tusschen de „democratie" en haar gewaande anti-these, de dictatuur, geen principiëele eindstrijd kan gestreden worden. Geen zuivere afbakening van een definitief „ja" tegenover een overeenkomstig „neen" is hier ooit mogelijk. Dat blijkt reeds uit het ziekteproces der democratieën. Dr Colijn, noemt als factoren van algemeen karakter in de decadentie „der" democratie: „de afhankelijkheid der volksvertegenwoordigers van de kiezersgunst". Zeker, wij allen kennen het verschijnsel, — maar achten het geen fout der democratie, doch van slechte democraten. Het is te algemeen, om speciaal een politiek systeem aan te kleven. Het systeem der democratie brengt deze fout niet mee. En — in staten met dictatorialen regeeringsvorm is er de afhankelijkheid van de , , mindere goden" ten opzichte van de élite der „upper ten"; en hier legt het systeem deze afhankelijkheid vast, en is ten deele er op gebouwd, er door bepaald.

Zóó staat het ook met die tweede schaduwzijde der democratie, die door dr Colijn wordt aangewezen: het „verlies van gevoel van verantwoordelijkheid voor gezonde financiën der publieke gemeenschappen". Dat dit verlies hier en daar aanwezig is, — wie zal 't ontkennen ? Maar als enkele nauw aaneengesloten lieden de élite vormen, die in den totalitairen staat aan de touwtjes trekken, zal dan 't „verlies van gevoel van verantwoordelijkheid" niet spoedig universeel worden? Een verlies, dat alsdan niet slechts op het punt van financiën, doch over heel de linie zich laat merken? Concentrische applausgolven zijn gevaarlijker dan diffuse.

En dan „de angst, om neen! te zeggen" met zijn tegenhanger, „den angst voor een ja!", dat men toch wel noodig acht, doch dat men inslikt om de gunst van den Koning-Kiezer niet te verspelen! Dr Colijn ziet daarin een derde ziekteverschijnsel der democratie. En als hij daarmee een veelheid van democraten bedoelt, geven we hem weer geUjk. Alleen maar, — zouden na de capitulatie van ons leger geen „neen's" en geen „ja's" zijn ingeslikt? In de pers? In den vakbond? In de federatie? In de regeeringscolleges? Er loopen verhalen over mogelijke, heimelijk opgestelde afluister-microfoons. Men kan met gefronst gelaat zulke geruchten van de beneficiën van het officiëele nieuws scherp onderscheiden, en toch in hun opkomst het bewijs zien, dat het geloof in het einde of zelfs maar in de vermindering van het symptoom der ingeslikte „ja's" en „neen's" niet bijster algemeen is.

Met de „ontwikkeling" van den „democratischen geest" hebben de aangewezen fouten en zonden van democraten dan ook minder te maken dan met de ontplooiing van den geest der zonde, die in allen woont.

En nu is hier het verschil tusschen den éénen regeeringsvorm en den anderen: in den éénen, den niet revolutionairen democratischen regeeringsvorm, gelijk hij bij óns was uitgewerkt, wordt de stem van wie God als den eenigen en transcendenten Wetgever willen eeren, aangehoord; en al zou het volume van die stem ook moeten dalen door numerieken achteruitgang van wie dien God belijden, toch zal de diepte, de vastheid, de warmte, en vooral de distinctieve klaarheid van die stem kunnen wassen en toenemen, als haar dragers maar geloof in God hebben. De hoogmoed van wie zweren bij den m e n s c h zal daarnaast wel óók aan 't woord komen, doch dit kaf zal, zoolang de democratie den regeeringsvorm bepaalt, nog niet tot de gewaande heeren van den akker der wereld zeggen, dat zij het koren hebben uit te rukken. Maar niet zoodra wordt in den autoritairen dictatorialen regeeringsvorm de werkelijke en e e n i g e Heer en Eigenaar van den akker der wereld verloochend, en niet zoodra worden Zijn goddelijke eeretitels plechtig overgedragen op den mensch, het ras, den volksgeest, al of niet als draaggrond van den dictator gezien, — of de onderscheiding tusschen kaf en koren wordt geheel anders bepaald, en de wil van wie „koren" heetten bij den levenden, transcendenten God, wordt uitgekreten als de wil van 't „kaf"; hün stem wordt van de volksstem afgezonderd, daaruit bij selectie weggerukt, en de dienaren van het menschelijk-autonome gezag verkondigen straks, dat geen oogstdag voor hen lichten kan, tenzij wat zij als kaf zien uitgerukt is, eens en voor goed. Uit beide richtingen zullen zij dan aankomen rukken, de „engelen" van dezen kwaden eigenmachtigen oogst. Ze zullen komen zoowel uit de richting, waar de voormalige, maar dan revolutionair geboren en getogen „democratie" eens opereerde, als van den kant der dictatoriaal geregeerde en geconcentreerde aanrichters van het enthusiaste oogstfeest der Nieuwe Menschheidsreligie.

(Zie vervolg op blz. 350.)

Daarom, gelooven wij, dat 't aanwijzen van de feiten van democraten in dezen tijd slechts dan nuttig werken kan, indien tusschen democraten en democratie scherp onderscheiden wordt, en het systeem, dat deze fouten systematisch, en noodgedwongen begunstigt, resp. gebruikt, wordt veroordeeld tegelijkertijd. De zwakheid van den een worde niet breed uitgemeten, als de ander aan bod wil komen, de ander, die van die zwakheid zijn zonde maakt, mitsgaders een deel der vaste apparatuur van het systeem van zijne keuze.

In hoeverre het goed is, reeds nu te redeneeren over onze toekomst onder vooropstelling van den verwachten afloop van den oorlog, behoeven wij niet meer te bespreken, na hetgeen wij dienaangaande hebben opgemerkt. Hoofdzaak blijft voor ons, dat dr H. Colijn in een moeilijk tijdsgewricht ons volk is voorgegaan in het belijden van den wil tot een onafhankelijk volksbestaan onder ons Oranjehuis. Toen dat volk nog vrij kon spreken, heeft het getoond, zijn nuchterheid te willen demonstreeren in het afwijzen van de experimenten der lieden, die slechts buiten onze grenzen genezend kruid en brood gewassen achtten. Diezelfde lieden zijn zóóver van de nuchterheid verwijderd, dat ze een regeering, die voor jaren voorraden opgeslagen heeft, aansprakelijk durven stellen voor een eventueelen hongersnood in Nederland. Dat nu in, een periode van verwarring de grijze staatsman-nederlander, die het woord hier nam, gezegd heeft, wat ons volk begeert, en bij ruime erkenning van de daadkracht van het wapen van den vijand, op de voornaamste punten geen concessies heeft gedaan, dat zullen ook buiten den engeren kring zijner geestverwanten zeer velen in dank hem afnemen.

Waren we op goede gronden niet bang geworden voor het spreken van een onzichtbare en een zichtbare kerk, we zouden haast naar analogie daarvan willen zeggen: het bekende driemanschap heeft een zichtbare Nederlandsche Unie, dr Colijn de onzichtbare. Zij is meer unie (in den geest), en meer nederlandsch (in haar desiderata) dan de creatie van het triumviraat. En zij blijft, net als de kerk, liever een tijdlang, als dit haar wordt opgelegd, onder vreemden dwang, als 't ware onzichtbaar en verborgen voor het oog der menschen, ja, liever doleerende tot in heel verre toekomst, dan dat zij, ter bereiking van het voordeel eener officiëele ledenlijst, water toe zou voegen aan den wijn, dien God gemengd heeft.

„Dien God gemengd heeft".

Gedachtig aan de hierboven geciteerde gelijkenis van koren en kaf, die in den wereldakker (niet de kerk) tezamen moeten opgroeien tot den oogstdag, en dit op bevel van den Heer van den oogst, hebben wij dezen laatsten betrekkelijken volzin zóó bewust geschreven, dat de parallel tusschen „kerk" en „unie" meer dan illustratie wezen wil. Al zijn de zaken van de nederlandsche kerk en een nederlandsche unie altijd onderscheiden, ze zijn geen oogenblik gescheiden. In den grond der zaak zijn beide g e 1 o o f s aangelegenheden.

Dit niet te verstaan, is de grootste dwaasheid, en dit niet te willen verstaan is de grootste zonde van de lieden, die zélf, let wel, hun „leidersbeginsel" tot een zaak van geloof en van religie proclameeren, en niettemin het „politieke christendom" naar de keel willen vliegen. In het vuur hunner drogrede verspreken zij zich; zij zeggen wel, dat geloof en politiek, religie en politiek, van elkaar gescheiden moeten blijven, maar zij m e e n e n eigenlijk, dat hun humaniteitsgeloof, en hün laat-pantheïseerende karikatuur-religie op het politieke erf, waar immers de machtsmiddelen bij de hand zijn, den strijd willen voeren tegen het geloof in den transcendenten God en tegen de theïstische religie.

God weet, of zij de „macht" hier zullen krijgen, met haar middelen.

Wij weten, dat wij de „bevoegdheid" zullen houden.

Macht en bevoegdheid blijven gelukkig twee. Tenslotte zal de antichrist gêne, en de Kerk déze behouden. En daarna komt de dag van den grooten oogst. Kom, Heere Oogster, ja, kom haastelijk, kom over het Kanaal en over den Brennerpas, kom via Malta en Japan, ja, kom van de einden der aarde, en breng Uw snoeimes mee, en wees genadig aan Uw volk; het is wel bevoegd, maar slechts door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen.

K. S.

„SCHEEVE VOORSTEULING"

„De Rotterdammer" van 10 Aug. j.l. schrijft, dat wij een scheeve voorstelling hebben gegeven omtrent de christelijke pers, en ook ten opzichte van „De Rotterdammer", toen wij n.l. klaagden, dat een deel van onze pers, onder inwerking van de mededeelingen van den z.g. „Raad van Voorlichting", de brochuredr Colijn had doodgezwegen. Hoewel we opmerkten, uit de beste bron te citeeren, we hadden n.l., wat we thans wel móeten zeggen, een schrijven gelezen, dat we bereid zijn door te zenden, onderteekend „Red. Rotterdammer", en gedateerd 13-7-'40, meent het blad, dat we ons vergissen, en dat het „verhaal" — zoo was 't niet bedoeld — „in geen enkel opzicht op ons blad slaat".

We willen hier graag vermelden, dat in het „Rotterdammer"-nummer van 2 Juli een overzicht van den inhoud van dr Colijn's brochure is te vinden. Maar dat vinden we, men houde het ons ten goede, in deze dagen niet genoeg als bijdrage van de christelijke, antirevolutionaire pers. Zulk een uitvoerig overzicht hebben we óók aangetroffen in „De Telegraaf" (of het „Handelsblad", misschien in beide, in één van die twee zéker). Voorzoover de uitdrukking „doodzwijgen" misverstand kan wekken, willen wij dat graag achterhalen. Maar we vermoeden, dat het meerendeel van onze lezers ons niet heeft misverstaan: onze opmerking over het „niet hoeven" doodzwijgen sloeg blijkbaar op het z.g. verbod, dat door den „Raad van Voorlichting" heette uitgegeven te zijn. Wat , , De Rotterdammer" schreef op 2 Juli v/as vóór dit „verbod". Immers, op 5 Juli werd door dezen „Raad" uitgegeven mededeeling nr 16: „Medegedeeld wordt, dat verhandelingen en polemieken over de onlangs bij 'De Standaard' uitgegeven brochure van Dr H. Colijn vanaf heden uit de kolommen der pers moeten worden geweerd". Dat was op denzelfden dag, waarop deze heeren beweerden, dat „De Reformatie" door de duitsche autoriteiten verboden was.

En nu biechten we eerlijk op: we hebben vaak geschreven, dat onze lezers de positie van onze christelijke pers goed moesten verstaan, en dat ze het zwaarder had, dan menigeen zich kon indenken. We hebben ook „De Rotterdammer" niet willen treffen, want we voelen met het blad, dat strijd in eigen kringen zooveel mogelijk thans wijken moet. Maar dan vóór het „gezamenlijk den Filistijnen op den schouder vliegen". En eerUjk gezegd, we hadden wél gehoopt, dat onze pers, nu ze eenmaal aan ons blad kon zien, dat de „Raad van Voorlichting" zich tegen de duitsche autoriteiten had bezondigd, en dat zijn decreten en dreigementen vrijuit konden worden onderscheiden van door duitsche hand onderteekende verordeningen, dan ook zou hebben gebruik gemaakt van de vrijheid, die slechts ten onrechte haar was ontzegd. Na 5 Juli troffen wij geen bespreking, geen ondersteuning van dr Colijn's brochure in een deel van onze pers, die toch daarmee een goeden dienst had kunnen bewijzen aan ons volk. Ik weet, dat ook uit eigen kring met de beste bedoelingen menschen aanvankelijk zich aansloten bij de Nederlandsche Unie. Een bespreking van Colijn's brochure tegenover de in andere bladen druk gepromoveerde actie Linthorst Homan zou meer hebben moeten behelzen dan een objectief verslag, dat ook de niet-christelijke bladen gaven. Ideaal had tegen ideaal gesteld kunnen worden.

Laat deze opmerking geen kwaad bloed zetten: ook wij zoeken leniging van den nood van ons christenvolk. Wij zijn overtuigd, dat elke vrijwillig prijsgegeven vierkante centimeter grond een schadepost beteekent voor de zaak van Christus in dit land. Hoe meer wij het hoofd in den schoot leggen, hoe eerder als volkswil zal worden uitgroepen, mee door ons stilzwijgen en toezien, wat geen volkswil is. Laat men niet denken, dat ons volk zijn christelijk dagblad afvalt, als het in omvang achteruit gaat, of zelfs verboden wordt. Er zullen er zijn, die zoo doen, maar zulke broeders waren toch geen kracht. Maar ons christelijk volk verlangt dan ook, dat onze pers een klaar geluid zal laten hooren, zoolang dit mogelijk is. Als intimidatie een strijdwapen is van sommige bloeden volks-, of stamgenooten, dan moet juist voor dit wapen niet worden gecapituleerd.

Wij vinden het dan ook, eerlijk gezegd, een beetje een versleten term uit den slechtsten tijd en niet uit den besten hoek der kerkelijke debatten, als „De Rotterdammer" in dit verband het heeft over het „onnoodig twistpunten opwerpen onder elkaar". Heeft men dan niets ervan gevoeld, dat we juist riepen om een samen vechten tegen verraders van de zaak van onzen Koning? Laten we elkaar toch goed begrijpen, en niet doen, alsof het hier een zaakje was van vliegen afvangen. Daarvoor hebben we veel te groot gevoel van oprechte deernis met „De Rotterdammer", welks mooi gebouw te Rotterdam verwoest is.

K. S.

DR H. W. V. d. VAART SMIT.

Wat velen reeds wisten, wordt door den betrokkene thans zelf medegedeeld:

Sedert eenigen tijd is dr H. W. v. d. Vaart Smit hoofd van het A.N.P.-kantoor te Den Haag. Onlangs is hij bij de redacties van „kerkelijke en religieuze bladen" zijn te betalen diensten komen aanbieden: in kwaliteit van het door hem nog steeds als Nederlandsch Christelijk Persbureau aangediende instituut wil hij deze kerkelijke en religieuze bladen doen profiteeren van de wetenschap omtrent, en het contact met „de duitsche instanties" in Den Haag, gelijk die wetenschap en dit contact hem dan weer vergund zijn in kwaliteit van hoofd van het A.N.P.-kantoor.

We hadden dus eerst den z.g. Raad van Voorlichting, die al dadelijk andere overeenkomstige instituten afwees: men moest bij hém zijn. Nu komt dr v. d. Vaart Smit weer afzonderlijk te staan.

We krijgen heusch te veel. En we vergeten niet, dat die z.g. Raad van Voorlichting zelf al dadelijk aangekondigd heeft, gebruik te zullen maken van het A.N.P.-net: er was dus al contact met dr v. d. Vaart Smit, die trouwens in kwaliteit van directeur van het Ned. Chr. Persbureau het z.g. vertrouwelijke, maar valsche bericht van dien Raad inzake ons blad heeft verspreid; blijkbaar trokken de onderling betrokkenen zich van eikaars vertrouwelijkheidsgebaren onderling ook al niets aan.

Na wat wij geschreven hebben over dr v. d. Vaart Smit adviseeren wij onze bladen, ook deze private aanbieding onbeantwoord te laten, en er althans geen gebruik van te maken. Reeds heeft dr v. d. Vaart Smit van een predikant een duidelijk afwijzend ant­

woord ontvangen.

K. S.

HET GLAS CHAMPAGNE.

Volledigheidshalve melden wij, dat het in onderscheiden bladen, ook het onze, op gezag van het hoofdorgaan der Duitsche nationaal-socialisten aanvaarde verhaal van dr Mengelberg's glas champagne, opgeheven na de Nederlandsche capitulatie, door dezen heftig is weersproken in een interview met „De Telegraaf". De verslaggever van gemeld duitsch orgaan (, , Völkische Beobachter") zou twee flarden van een gesprek tot één verwerkt hebben; na de capitulatie der vesting Holland had dr M. alleen maar thee gedronken, en de champagne was gekomen na een in Frankrijk behaald succes der duitsche wapenen.

We hopen, dat de interviewer van „De Telegraaf" nu weer geen slierten van gesprek verward heeft. Dr M. versta, dat wij in Nederland niet graag twijfel uitspreken aangaande „Beobachtungen" van den „Völkische Beobachter". En, royaal gesproken, zouden wij het doeltreffender hebben gevonden, als hij ons niet had laten verwijzen naar een interview met „De Telegraaf", doch in Nederland teruggekeerd was met een knipsel uit het duitsche orgaan zelf, waarin dit rectificatie had aangebracht op zijn uitdrukkelijk verzoek. De Nederlandsche tranen waren zoo'n verzoek wel waard geweest. Heeft dr Mengelberg daar zijn best niet voor gedaan, dan moest hij hier een toontje lager zingen. Heeft hij er wél zijn best voor gedaan, doch tevergeefs, dan moest hij in Nederland nóg één toontje lager

zingen.

K. S.

KERK EN POLITIEK. (II.)

We spraken tot dusver niet over wat Kuyper ons' gemeene gratie heeft leeren noemen. Waarlijk niet, omdat we daarin slechts een onbelangrijk gegeven zouden zien. We behoeven er niet aan te herinneren, dat naar goed antirevolutionair beginsel een overheid voor welke het licht der gratia specialis niet is opgegaan daarom volstrekt niet minder overheid heeten mag. Eveneens is het terstond duideUjk, dat zelfs een belijdende overheid al heel slecht berekend zou zijn voor haar taak, als ze meende met theologische studiën zich voldoende op de praktijk te hebben voorbereid. We wenschten evenwel, ter wille van ons onderwerp, de zaak een oogenblik onder andere belichting te bezien.

Als er één ding voor ons op dit terrein vast staat, is het wel dit, dat Kuyper met zijn uitwerking van de gemeene gratie-gedachte ons Christenvolk (en daarin heel de natie) een moeilijk te overschatten dienst heeft bewezen. Hij wist, mede door alle gedachte aan kerkelijke oppervoogdij af te snijden, het Calvinistisch volksdeel te mobiliseeren. Geestdrift voor de Gereformeerde beginselen, veerkracht, verantwoordelijkheidsbesef schonken, door Gods genadige leiding, zijn volgelingen een wondere spankracht.

Nu is het niet ondenkbaar, dat hij in zijn gigantische worsteling met allerlei wanbegrip en traagheid wel eens tot zekere eenzijdigheid is vervallen. Mocht dit op het hier besproken gebied zoo zijn, dan zal dit onze liefde tot zijn werk niet schaden. Inderdaad ging hij, naar onze meening, in zijn ijveren tegen clericalisme en voor wederopleving van burgerzin en besef van individueele verantwoordelijkheid wel eens te ver. Ik denk dan b.v. aan zijn stelling, dat de gemeene gratie de overheid , , alles aanbiedt wat ze voor een rich tig bewind van noode heeft"»). Of aan die andere welbekende gedachte, dat de overheidspersonen niet door het gezag van eenige kerk, maar alleen in hun consciëntiën gebonden zijn aan Gods ordinantiën. Zeer terecht o.i. heeft Dr J. Ridderbos dan ook critiek geoefend op de huidige formuleering van art. UI uit het antirevolutionair beginselprogram*). Maar daartegenover heeft Kuyper op tal van plaatsen met groote kracht en duidelijkheid de overheid gewezen op haar verplichting te bukken voor de Heilige Schrift. Het zou niet minder dan laster zijn, als men volhield, dat Kuyper de bijzondere genade het zwijgen had opgelegd in politicis. Het is dikwijls genoeg weerlegd. Al heel overtuigend door Mr C. M. den Hartogh in een studie over Kuyper's standpunt inzake de verhouding van staat en kerk 5). Het zou echter eveimiin juist zijn, als we ontkenden, dat in Kuyper's constructie zekere tegenstrijdigheid moet worden gesignaleerd.

wil men: gebrek aan evenwicht tusschen de beheerschende factoren van algemeene en bijzondere genade.

Het is hierom, dat we meenden uitdrukkelijk te moeten vaststellen: voor wat de beginselen der staatkunde betreft heeft de politicus wel ter dege met de kerk en haar leer te maken. Niet inzoover die politicus ev. een „Christelijke persoonlijkheid" is, die daarnaast ook ingeschreven staat bij een of andere kerk. Neen, maar omdat de belijdenis, een zaak der kerk, ook den beoefenaar der staatkunde bindt; omdat de kerk als roeping heeft ontvangen van den Heere de gemeente op het hart te binden wat.de Schrift zegt over de wederzijdsche verplichtingen van overheid en volk.

Echter mag de kerk geen stap verder gaan dan verplichte bemoeienis met de beginselen haar voorschrijft. Ook zal haar arbeid hierin zich van politieke bezigheid onderscheiden, dat zij, uitgaande van het Woord Gods, de lichtstralen tracht op te vangen, die daaruit op heel het menschelijk leven worden geworpen; terwijl de politicus als centrum van belangstelling en studie gekozen heeft de staatkunde, waarvoor de Schrift hem (niet de eenige) lichtbron is. Het is dus volstrekt niet ondenkbaar, dat de kerk geroepen wordt haar waarschuwend woord te doen uitgaan tegen de beginselen van bepaalde staatkundige partijen, die op de gemeente verleidenden invloed uitoefenen. Doch ook dan is het niet haar taak in de prediking politieke vertoogen in te lasschen, waarbij partijprogramma's worden geanalyseerd en tot middelpunt van bespreking verheven. Zij bepaalt zich tot aanwijzen van wat in zulke beginselen de Schrift weerspreekt.

Er is ook een staatsorde denkbaar, die het partijwezen opheft. Zulk een staatsorde is revolutionair, vermoedelijk ook naar het oordeel van wie haar in het leven riepen. Niet één staatsvorm, is dikwijls van antirevolutionaire zijde verzekerd, moet voor den Christen onaanvaardbaar heeten. Mits die stelling goed wordt uitgelegd, willen we haar gaarne onderschrijven. ' Niettemin is wel onaanvaardbaar iedere vorm van staatsbestuur, die uitdrukking geeft aan revolutionaire beginselen, b.v. die der staatssouvereiniteit. Nu zal de kerk in een aldus geregeerd land, ook zonder die staatsorde op zichzelf aan een critisch onderzoek te onderwerpen, toch zóó spreken, dat het onnatuurhjke van zoo een staatsbestel in het oog springt en dat de roeping van ieder staatsburger om, ongeacht de politieke situatie, Gods Woord in zijn beteekenis voor het politieke leven te hooren en verbreiden duidelijk wordt verstaan. "

Behalve dat zij zelf in de Woordbediening grondbeginselen voor het staatkundig leven in het licht stelt, heeft de kerk dus bij haar leden het besef te sterken van hun roeping om de door hen beleden beginselen in het publieke leven uit te dragen, zoo mogelijk tot heerschappij te brengen, met de wapenen van den geest. Evenzeer een taak van Godswege als die der kerk! Volkomen terecht sprak Groen van Prinsterer over „de heiligheid der taak" waaraan hij zijn leven had gewijd. Die opdracht Gods aan den staatsburger wordt door geen politieke omstandigheden weggenomen. De Christen heeft het niet aan zijn believen staan, of hij zich al of niet met politiek bemoeien wil. De opdracht blijft, ondanks veel verschil in individueele roeping, al naar gelang van aanleg en levensweg. Al zou er een staatsvorm komen (b.v. een communistische), die de publieke verantwoordelijkheid van den individu tot een minimum poogde te herleiden, dan nog werd die roeping niet ingetrokken. En werden politieke vergaderingen onmogelijk gemaakt en politieke geschriften verboden, dan zouden de Christusbelijders andere wegen moeten zoeken ter bereiking van het groote doel: het doen kennen van Gods ordinantiën op staatkundig terrein. Ook dit heeft de kerk uit te spreken. Zonder reserve, zonder vrees; moet het zijn, met die „terrible vrijmoedigheid", welke Groen door Thorbecke werd verweten.

Het kan wel eens moeilijk zijn voor haar dienaren uit te maken waar de grenzen van hun arbeid in dezen liggen. Zooveel is wel zeker, dat bron en rechtsgrond van het gezag; taak en bevoegdheidsgrenzen der overheid; de verplichting onze kinderen op te voeden naar de wetten van het Verbond; de verhouding van standen en klassen, om alleen maar deze onderwerpen te noemen, aan de orde zulen komen. En dan dient het te geschieden in zulk een geest als overeenkomt met de souvereiniteit der kerk op eigen territoir.

Een andere taak voegt zich hierbij: die der oefening van tucht. Over bepaalde politieke leeringen hebben onze kerken zich uitgesproken als strijdig met haar beginsel. Uitspraken als deze houden voor een kerk de verplichting in zulke leden, die met bewustheid en inzicht die politieke beginselen propageeren, ten slotte onder haar censuur te stellen. Nu is het denkbaar, dat de aanhangers dier beginselen den staatkundigen wind mee krijgen. Dit mag evenwel niet de geringste verandering brengen in houding en gedragslijn der kerk. We zien het volstrekt niet gebeuren, maar stel, dat een beweging als der N.S.B, zekere staatkundige voordeelen buit maakte, wat gaat dit de kerk aan? Zij rekent in haar oordeelen met eigen normen; geen feiten bepalen haar geloof dan de feiten des heils. Van deze haar zelfstandigheid kan ze zonder verloochening van haar eenigen wetgever, Christus, niet het geringste prijs geven. Ook zal ze dit niet doen, zoolang ze zich bewust blijft, dat haar geloof de wereld overwint.

D.


3) Antir. Staatk., dl. I, pag. 460.

4) Antir. Staatk., driemaandel. orgaan VIII, pag. 324.

5) Antir. Staatk., Ill en IV.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 augustus 1940

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 augustus 1940

De Reformatie | 8 Pagina's